In het succes van 75 jaar televisie in Nederland heeft sport een niet te onderschatten rol gespeeld. Bovendien bieden sport en tv tegenwoordig iets wat elders bijna is verdwenen: de gedeelde ervaring.
is schrijver en columnist voor de Volkskrant.
Voor sportliefhebbers is 5 april 1959 een historische datum. Om kwart voor tien ’s avonds begon die dag, op de enige zender die Nederland rijk was, de allereerste uitzending van Sport in beeld, de voorloper van Studio sport. Veel te laat voor het bord op schoot – dat kwam later. Kijkers zagen Feyenoord van Ajax verliezen (0-5, de cameraman miste drie van de vijf doelpunten), hockey tussen Nederland en België, roeien, tafeltennis en zwemmen. Jan Cottaar presenteerde.
Als sport en televisie de jaren daarvoor als verloofden hadden doorgebracht, was dit het huwelijk, de bevestiging dat ze voor elkaar waren gemaakt.
De televisie zag onmiddellijk wat sport voor het nieuwe medium kon betekenen, zegt Ad van Liempt (77), journalist, televisiemaker en historicus met een speciale interesse in sport. Van Liempt was onder meer hoofdredacteur van het actualiteitenprogramma Nova en, van 1986 tot 1988, chef van Studio sport. ‘De tv heeft sport groot gemaakt, maar dat sport heeft bijgedragen aan de groei van de tv is evenzeer waar.’
Dat was al duidelijk nog voor de Nederlandse publieke omroep in oktober 1951 van start ging. Op 10 september 1950 werd voor het eerst een voetbalwedstrijd uitgezonden: Eindhoven - PSV. Het betrof een experiment van Philips. Niemand was zich bewust van de revolutie die zich voltrok in een paar honderd huiskamers in Eindhoven en omgeving: de deur naar de wereld van de sport werd opengezet en zou nooit meer worden gesloten.
In december 1951 had de NTS een reportagewagen van Philips in gebruik genomen, inclusief technici. Daarmee kwam op 14 mei 1952 de eerste landelijke uitzending van een voetbalwedstrijd tot stand, Nederland - Zweden in het Olympisch Stadion. De elftallen waren op het zwart-witbeeld amper van elkaar te onderscheiden; alleen de zwarte sokken van de Zweedse spelers boden de kijkers enig houvast.
In heel Nederland stonden duizend televisietoestellen. Cafés met een tv moesten worden gesloten vanwege de enorme drukte en voor winkeletalages stonden tienduizenden mensen het wonder te aanschouwen.
Gelukkig werd in de tweede helft de traditionele bruine bal vervangen door een witte: de eerste keer dat de televisie de regels van de sport direct beïnvloedde. Andersom werd de tv ook beïnvloed: de NTS was onmiddellijk akkoord gegaan met de eis van de KNVB om ‘nodeloze sensatie in de uitzending te vermijden’.
Toen de bond in 1953 geld ging eisen voor het uitzenden van interlands (500 gulden) omdat de uitzendingen nadelig zouden zijn voor de bezoekersaantallen, ging de NTS daarmee niet akkoord. Onder druk van het publiek (en van televisieverkopers) kwam het na een paar jaar tot een akkoord: per interland ontving de bond een bedrag van 7.500 gulden.
De Fifa had beelden van het WK in Zwitserland (1954) nog gratis aangeboden via de Eurovisie (het internationale televisienetwerk van de European Broadcasting Union), en de groeiende kijkersschare kreeg in de jaren daarna ook reportages uit de Tour de France en van het WK wielrennen voorgeschoteld: die sport en vooral haar sponsors hadden een groot belang bij de publiciteit die de televisie genereerde.
In januari 1956 – er stonden inmiddels dertigduizend tv’s in de Nederlandse huiskamers – zag een andere motor achter de onstuimige groei van het medium het licht: het Achtuurjournaal. Hoofdredacteur Carel Enkelaar opende de eerste uitzending op 5 januari brutaal met sport: de schaaktweekamp om de Nederlandse titel tussen oud-wereldkampioen Max Euwe en het aanstormende talent Jan Hein Donner.
Het begon serieus te worden met de beelden van de Olympische Winterspelen van 1956 in Cortina d’Ampezzo – het voorzichtige begin van wat zou uitgroeien tot de immens succesvolle tv-registratie van grote sportevenementen.
Ook in 1956 kreeg de NTS van de Uefa het aanbod dat ze de finale van de eerste Europacup voor niets mocht uitzenden, mits dat integraal gebeurde: de marketeers van de voetbalbond beseften dat je moet zaaien voor je kunt oogsten. In Parijs versloeg Real Madrid op 13 juni Stade de Reims met 4-3.
Vanaf 1957 kwam Avro’s sportpanorama (presentatie: Koen ‘Naar wij dachten’ Verhoeff) en een jaar later volgde de KRO met Van onze sportredacteur (Jan Cottaar): rubrieken die in het bescheiden tv-aanbod van twaalf uur per week eens per maand werden uitgezonden.
Maar pas met de wekelijkse reguliere uitzendingen van Sport in beeld werd de twee-eenheid sport en televisie in beton gegoten.
Begin 1961 werd de grens van een miljoen tv-toestellen gepasseerd. Voor de Europacupfinale Benfica - Real Madrid moest de NTS nu 5.000 Zwitserse francs betalen. De veranderingen voltrokken zich in een razend tempo: eind 1962 telde Nederland al twee miljoen tv’s.
Intussen deed zich een merkwaardig fenomeen voor: de Nederlandse sport leek door de toegenomen aandacht naar een hoger niveau te worden getild. Nederland, gedurende de jaren vijftig niet bepaald een sportminded land, had bijvoorbeeld niet eens deelgenomen aan de kwalificatie voor het WK voetbal van 1954 en wist zich niet te plaatsen voor de WK’s van 1958 en 1962. Maar nu ontpopte het lelijke eendje zich langzaam maar zeker als een sierlijke zwaan.
De welvaart nam toe en het aantal uren van de werkweek nam af. De jaren van de wederopbouw kwamen langzamerhand tot een eind, er was meer vrije tijd en de vraag naar amusement groeide. En hét amusementsmedium stond inmiddels in bijna elke huiskamer: de televisie. Sport was een relatief goedkope manier om aan die behoefte te voldoen.
Van Liempt: ‘Het medium besefte dat het moest zijn waar de mensen waren.’ Dus toen Feyenoord in 1963 de halve finales van de Europacup I haalde en na de 0-0 thuis tegen Benfica niet kansloos werd geacht in Lissabon, reisden niet alleen 1.600 Rotterdammers met passagiersschepen de Waterman en de Groote Beer naar Portugal, maar kwam ook de tv in actie.
Toen bleek dat het tv-signaal vanuit Lissabon de Pyreneeën niet zou overkomen, reisde een technische equipe van NTS en PTT af naar het bergmassief, om daar twee steunzenders te installeren. Uiteindelijk moest de 800 kilo aan apparatuur met muilezels naar de juiste hoogte worden gebracht. Een paar miljoen Nederlanders zagen vervolgens messcherp dat Feyenoord met 3-1 verloor.
De kracht van televisie bleek een jaar later, bij de Winterspelen van 1964 in Innsbruck. Sjoukje Dijkstra won bij het kunstrijden de eerste Nederlandse gouden medaille ooit. Iedereen die een televisie had, keek toe. Dijkstra ontpopte zich met één geweldige kür tot lieveling van het volk en zou de rest van haar leven een legende blijven. Dat schaatser Kees Verkerk zilver veroverde op de 1.500 meter bleef nog even onder de radar.
Maar dan wordt het 22 januari 1966 en doet zich een samenloop van omstandigheden voor die alles in een stroomversnelling brengt. Voor het eerst sinds 1905 organiseert Nederland weer een groot schaatstoernooi. Het EK allround vindt plaats in het nieuwe ijsstadion van Deventer. De favorieten heten Nilsson, Maier, Matoesevitsj en Moe.
Maar opeens staan er twee outsiders met oud-Hollandse namen op: Verkerk en Schenk. Kees Verkerk is 23, Ard Schenk 21. Het stadion zit bomvol, alsof iedereen voelt dat er iets bijzonders staat te gebeuren.
Maar de allesbepalende factor: voor de eerste keer is de tv er twee dagen live bij. Dat veroorzaakt een explosie. Twee dagen lang zitten 5,5 miljoen mensen – Nederland telt op dat moment 12,3 miljoen inwoners – gebiologeerd voor de tv. Voor het eerst zijn de tribunes massaal in het oranje gehuld.
Dan, in de vijftiende ronde van de 10 kilometer op zondag, valt Verkerk. In Hilversum besluit regisseur Bob Bremer dat het tijd is voor een nieuw technisch hoogstandje: hij schakelt anderhalve minuut na de val de replaymachine in. De communicatie met verslaggever Bob Spaak in Deventer is niet daverend. Miljoenen kijkers krijgen een hartverzakking als Spaak bij het zien van de vertraagde beelden uitroept: ‘Och Keessie, m’n jongen, daar val je weer!’
Schenk wordt Europees kampioen en een legendarisch duo is geboren: Ard & Keessie. Voor het eerst is sprake van het Oranje-legioen.
De sportieve hoogtepunten volgen elkaar nu snel op. Op 7 december 1966 speelt Ajax in de Europacup I tegen Liverpool: kansloze zaak, denkt iedereen. ’s Avonds is het mistig in het Olympisch Stadion in Amsterdam, erg mistig zelfs. Niemand ziet wat, behalve de Italiaanse scheidsrechter Sbardella. Die zegt: spelen.
Wat volgt is volgens Ad van Liempt ‘de mooiste wedstrijd die niemand heeft gezien’: Ajax-Liverpool 5-1. Het blijkt dat Nederlanders zelfs bereid zijn massaal naar een voetbalwedstrijd te kijken die bestaat uit grijze flarden. Als er maar wordt gewonnen en als er maar een Nederlandse ster is. Die is er: Johan Cruijff is 19 en hij scoort in de return in Liverpool tweemaal: 2-2.
Ad van Liempt: ‘Voor het eerst hadden we het gevoel: we kunnen meedoen, we tellen mee.’
Nog niet iedereen beseft de impact van de tv, Johan Cruijff bijvoorbeeld. Het Nederlands elftal interesseert hem weinig, waardoor Nederland zich weer niet plaatst voor een WK, dat van 1970 in Mexico. Pas vier jaar later wordt duidelijk dat de status van onsterfelijkheid kan worden bereikt via de combinatie van prestaties, podium én uitzending op tv. Het WK is zo’n podium.
Op 1 april 1966 krijgt Sport in beeld, tot dan de verantwoordelijkheid van ‘de gezamenlijkheid’, de verschillende omroepen, als NTS sport eindelijk een onafhankelijke status. De eerste chef is Bob Spaak, die het programma in de volgende jaren zal uitbouwen tot een professioneel instituut.
Vanaf 1969 zal het als Studio sport een iconische status genieten. Het programma verenigt op zondagavond sportliefhebbers uit alle windstreken en van alle gezindten. Die zetten om zeven uur de tv aan en verzamelen gespreksstof voor op het werk, de volgende ochtend.
Begin 1968 wint Kees Verkerk in het zicht van de camera’s een gouden medaille op de 1.500 meter bij de Spelen in Grenoble. Hij is even de populairste sporter van Nederland, mede dankzij zijn uitstekende tv-optredens.
Intussen blijkt de macht van het publiek tijdens de Tour de France van 1968. Bob Spaak is geen wielerfan; te veel gesjoemel, vindt de voormalige atleet. Maar het publiek denkt daar anders over, zeker als Jan Janssen zich in kansrijke positie voor de eindoverwinning manoeuvreert. Hij moet weliswaar stunten in de afsluitende tijdrit, maar de kijkers geloven erin en schreeuwen om een rechtstreekse tv-reportage.
Bob Spaak gaat door de pomp en besluit de laatste twee etappes live op de zender te brengen. En gelukkig maar, want anders had Nederland een van de sporthoogtepunten van de eeuw op de radio moeten horen of in de krant moeten lezen: Janssen wint als eerste Nederlander de Tour de France.
Overigens is Nederland voor de triomfantelijke woorden van Janssen (‘Karinnetje, kom maar, kom maar schatje, Karin, papa heb gewonnen kindje’) alsnog aangewezen op de radio. De televisie is op dat moment al teruggegaan naar Hilversum, voor een uitzending van een ‘vakantiekerkdienst’ in Noordwijkerhout.
Sport groeit in Nederland in aanzien en succes, maar de jaren vijftig zijn nog altijd niet helemaal voorbij. Voortaan zal de NOS – vanaf 1969 de opvolger van de NTS – alle Touretappes live op tv brengen, dat wel.
De Europacupsuccessen van Feyenoord (1970, winst in de finale tegen Celtic) en Ajax (1971, 1972 en 1973) bevestigen wat iedereen al dacht: we zijn de besten. Het wereldkampioenschap van 1974 in West-Duitsland lijkt dat te bevestigen, tot in de finale blijkt dat er één land beter is – of in elk geval vaker scoort dan Oranje.
Sport internationaliseert en de tv gaat mee. Als in maart 1971 Muhammed Ali bokst tegen Joe Frazier, staan drie miljoen Nederlanders om vijf uur ’s nachts op om The Fight of the Century te volgen.
Mede dankzij het Nederlands elftal groeit Studio sport uit tot het belangrijkste instituut binnen de publieke omroep. Het wekelijkse aantal uitzenduren groeit voortdurend, evenals de omvang van de redactie.
Als Schenk aan zijn drie wereldtitels bij de Winterspelen van 1972 in Sapporo driemaal een gouden medaille toevoegt, wordt hij gepromoveerd tot de blonde god van het ijs. De vlaggendrager van de Nederlandse sport hoeft maar weinig te zeggen om toch heel tv-kijkend Nederland in adoratie naar zich te laten opkijken: met Sjoukje Dijkstra, Ada Kok, Johan Cruijff, Anton Geesink en Jan Janssen behoort Schenk tot de eerste door de tv gelanceerde sportcelebrity’s.
Dan, het is moeilijk te zeggen wanneer exact, ontstaat er een cesuur. Er verschijnt een rivaal in het huwelijk van publieke omroep en sport, en de sport is voor die verleider niet ongevoelig: in 1989 begint RTL met uitzendingen voor de Nederlandse kijkers. De publieke omroep verliest zijn monopolie.
Maar het is het groeiende belang van grote evenementen als de Olympische Spelen, de wereldkampioenschappen voetbal en de Tour de France dat in de jaren na 1980 de verhouding tussen sport en televisie fundamenteel verandert. De toegenomen populariteit van sport heeft commerciële gevolgen, voor de sport zelf én voor de televisie. Mediahistoricus Huub Wijfjes noemt de verandering in zijn boek De televisie: een cultuurgeschiedenis uit 2021 een ‘commercialiseringsproces zonder weerga’.
De gevolgen zijn ingrijpend. Wat is begonnen bij de grote sporten in de VS verspreidt zich mondiaal als een bosbrand. De Amerikaanse communicatiewetenschapper Lawrence A. Wenner doopt het verschijnsel ‘mediasport’.
In Nederland krijgt die term bekendheid door sportsocioloog Ruud Stokvis en diens boek Sport, publiek en de media (2003). Daarin definieert hij mediasport als ‘de door sport-, marketing en omroeporganisaties op commerciële basis voor televisie gereconstrueerde topsport’, liefst in fraaie beelden en begeleid door spannende verhalen.
De steeds maar toenemende belangstelling maakt van sport een uitstekend reclamemedium: dat is de kern van de sportindustrie. En aan de basis daarvan staat de televisie. Zonder tv geen commercie, zonder commercie geen sport. Als spin in het schept de tv een internationaal sportpubliek van consumenten en creëert daarvoor sportsterren.
In ruil moet sport zich aanpassen aan de eisen van televisie en commercie. Ad van Liempt: ‘Heb je weleens squash gezien op tv? Nee, nooit, want die sport is niet te volgen op televisie. Het balletje is te klein en gaat te snel.’ Squash zal nooit een mediasport worden, net zoals talloze andere sporten buiten de boot dreigen te vallen.
Mediasport heeft de sportwereld getransformeerd en de verhouding tussen televisie en sport sterk veranderd. Het tv-publiek is de belangrijkste collectieve macht in de nieuwe sportwereld, en de (commerciële) televisie is bijgevolg machtiger dan ooit. Vanwege de tv hebben sporten hun spelregels gewijzigd: de tiebreak in het tennis, de vijfde set in het volleybal, de driepunter in het basketbal, de terugspeelregel in het voetbal, de kortere etappes in het wielrennen.
Er zijn nieuwe sporten bij gekomen, louter vanwege hun visuele aantrekkelijkheid. Een paar sporten domineren de Amerikaanse tv, en ook in Nederland wordt het aantal sporten dat regelmatig op tv komt steeds beperkter: voetbal, wielrennen, schaatsen, Formule 1, tennis.
Dat de sporten in de marge überhaupt nog bestaan, is voornamelijk te danken aan de publieke omroep, die nog enige journalistieke principes hooghoudt. Voor de commerciële zenders telt maar één ding: kijkers, consumenten.
De publieke omroep past zich zo goed als hij kan aan de veranderingen aan. De Winterspelen van Calgary (1988) én Studio sport scheppen het fenomeen Yvonne van Gennip. De Elfstedentochten van 1985, 1986 en 1997 zijn onvergelijkbaar met die van 1963, en niet alleen vanwege technische factoren. De winnaars wordt een fortuin in het vooruitzicht gesteld en zij krijgen dankzij de tv een onsterfelijke status. Evert van Benthem ontvlucht de ondraaglijke roem door naar het westen van Canada te emigreren.
Tijdens de WK’s voetbal van 1994, 1998, 2010 en 2014 krijgt de liefhebber de overtreffende trap van oranjewaanzin voorgeschoteld. Dat heeft alles te maken met de insteek van de tv. Als Nederland in 1988 Europees kampioen voetbal wordt, gaan alle remmen los en initieert de tv het grootste Oranjefeest sinds de bevrijding van 1945.
De best bekeken televisieprogramma’s van de afgelopen twintig jaar weerspiegelen de tendens: Nederland - Argentinië, de halve finale van het WK van 2014, staat bovenaan met 9,1 miljoen kijkers. Daarna volgen Nederland - Spanje (WK-finale 2010) en Nederland - Brazilië (troostfinale WK 2014).
Ad van Liempt: ‘Waar zijn we beland? Elke eerstedivisiewedstrijd wordt uitgezonden. Ik vind het een verrijking, zo veel amusement in huis. Als je tenminste van voetbal houdt.’
En dat doet hij, en met hem miljoenen landgenoten. ‘Ik kijk geen talkshows meer en ook heel weinig naar het Journaal. Nieuwsuur misschien twee keer per week. Maar ik blijf sport kijken. Waarom? Omdat je vooraf nooit kunt weten wat er gaat gebeuren.
‘Het emotionele verschil tussen winst en verlies is zo groot. Als jouw club speelt, weet je niet of je twee uur later chagrijnig zult zijn of euforisch. Er is geen ander type amusement dat daarmee te vergelijken is. Deze week heb ik heerlijk drie avonden naar Champions League-wedstrijden zitten kijken.’
Er lijkt voor de sporthonger geen verzadigingspunt te zijn: Touretappes worden integraal uitgezonden, de series van de loopnummers op de Spelen ook en in de winter is er elk weekend schaatsen op tv, toch niet de meest televisiegenieke sport. Tv en sport bieden de kijkers iets wat elders bijna is verdwenen: de gedeelde ervaring.
Er gaan wereldwijd miljarden om in de handel in uitzendrechten. De voetbalrechten voor de samenvattingen van de eredivisie zitten nog altijd bij de NOS: de mythe van het bord op schoot, die we met z’n allen nu al zestig jaar aanhangen, kan nog even blijven bestaan. Van Liempt: ‘Al is het natuurlijk de vraag hoelang nog.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant