Afgelopen vrijdag bestond de televisie in Nederland 75 jaar. Hoe is bij de tv-recensenten van de Volkskrant de liefde voor het medium ontstaan?
Als ik mijn jongere zelf zou hebben verteld dat ik later betaald televisie zou kijken, dan had ik het waarschijnlijk niet geloofd. Het zou hebben geklonken als een droom, een baan waarvan ik niet eens wist dat die bestond, laat staan dat ik had gedacht dat kinderen zoals ik daarvoor in aanmerking zouden kunnen komen.
Ik ben een millennial, van de generatie voor wie televisie als kind stond voor een wondere wereld. Een soort magisch Nederland dat ik alleen van de televisie kende, waar werd gedanst en gezongen over een onbewoond eiland en tieten, door in Oilily geklede kinderen uit het Gooi.
Dat het beeldscherm bij ons thuis vaak als voor- en naschoolse opvang fungeerde, was ook nog niet iets om je voor te schamen; dat was zo bij iedereen. Hele ochtenden en middagen keek ik naar tekenfilms (Dommel, De smurfen, Ovide en zijn vriendjes, Power Rangers, Knabbel en Babbel: Rescue Rangers) – de begintunes zong ik altijd mee. Sterker nog: als je iets niet had gezien (Goede tijden, slechte tijden bijvoorbeeld, omdat jouw ouders dat pulp vonden), kon je niet meepraten op het schoolplein.
Televisieprogramma’s als Geef nooit op van Peter Jan Rens lieten dromen in vervulling gaan of zorgden ervoor dat je (even) beroemd werd. Ik fantaseerde dat ik met mijn klas zou meedoen aan het spelprogramma De droomshow, waarbij de verliezers onder de derriedouche moesten, of hoe het zou zijn om in de Mini-playbackshow aangekondigd te worden door Hennie Huisman en dan vanuit de mist een showtrap af te dalen om een paar minuten Whitney Houston te worden.
Mijn lievelingsserie was Dunya & Desie. Alles vond ik goed aan de serie over twee tienervriendinnen. En alles was herkenbaar: de flatjes, de Marokkaanse cultuur, de witte arbeidersklasse. Ja, dit was waarmee ik was opgegroeid. Dat ik representatie miste, wist ik pas toen ik deze meiden zag.
Het Amsterdam van de jeugdserie was ook een andere stad dan ik tot dan toe gewend was op televisie te zien. Van menig talkshow en tv-programma vormden de prachtige grachten en statige straten van de hoofdstad het decor. In een van die deftige herenhuizen wilde ik later wonen. Bovendien: televisie leerde mij dat Amsterdam de plek is waar ‘het’ allemaal gebeurt.
Het betoverende van televisie is er nu als volwassene en tv-criticus helaas af. (Ik weet elke keer weer stukjes te vullen met op- en aanmerkingen.) Maar iets van die magie zie ik terug bij mijn kind, met wie ik nog steeds kan genieten van geweldige jeugdtelevisie (Kabam, Bollox, I Am – Investigation Art Mysteries, De mensenbieb, De proefkeuken, Klokhuis, NOS Jeugdjournaal). Vaak gelukkig ook nog inclusiever dan toen ik als kind opgroeide in de jaren negentig.
Mijn zusje en ik hebben vele zaterdag- en zondagochtenden voor de televisie doorgebracht. Ik weet nog precies wat we dan aten: ontbijtkoek met roomboter en pindakaas, een zelfbedachte lekkernij. De meeste programma’s die we toentertijd keken, kan ik me minder levendig herinneren. Ze zijn verworden tot een brij van Nickelodeon-lachbandjes en hyperactieve tekenfilms.
Maar er zijn uitzonderingen. Ik weet niet meer hoe we erop kwamen, maar in 2013 volgden we acht weken trouw het jeugdprogramma United Stuff of America (VPRO). Daarin reist televisiemaker Stef Biemans met een vrachtwagentje door de VS, om spullen in te zamelen voor Nicaraguaanse kinderen.
Het maakte diepe indruk. Allereerst omdat de reeks eindigde met een onvergetelijke anticlimax: de Nicaraguanen zaten niet per se te wachten op rolschaatsen en barbiepoppen. Ze hadden liever gehad dat de waterpomp van hun dorp werd gerepareerd. Biemans vroeg zich af of we niet vaak vooral spullen doneren aan ‘arme landen’ omdat wij ons er zelf goed bij voelen, zonder erbij stil te staan of het daadwerkelijk helpt. Het plaatste de ‘schoenendoosacties’, waaraan ik op de basisschool zo vaak had meegedaan, in een ander daglicht.
United Stuff of America is me ook om een andere reden bijgebleven. Achteraf gezien zat er vast een onderzoeksteam achter, maar voor mijn gevoel stuitte Biemans tijdens zijn jacht naar spullen in elk stoffig Amerikaans dorpje per ongeluk op fascinerende figuren. Een poedelnaakte eigenaar van een boekenwinkel, bijvoorbeeld, en een wannabe cowboy die een handvol kogels doneerde.
Zelf was ik in die tijd nogal verlegen: ik vond het praatje met een kassamedewerker al een opgave. Maar het idee dat er overal goede verhalen te vinden zijn, als je mensen tenminste durft aan te spreken, bleef hangen.
Dat gevoel werd versterkt door de documentairereeksen over China van Ruben Terlou, die ik de jaren daarna met mijn ouders keek. Het moedigde me aan om met mensen te lullen in de kroeg, op vakantie en nu zelfs voor mijn werk bij de Volkskrant.
Voor datzelfde werk mag ik inmiddels al een jaar ‘professioneel’ televisiekijken, na enkele grotendeels televisieloze jaren in mijn televisieloze studentenkamer. Veel van wat ik heb gezien, zal ik ongetwijfeld vergeten: het verwordt nu al tot een brij van spelshows en talkshowtafels, waaraan telkens dezelfde mensen dezelfde dingen zeggen.
Gelukkig zijn er nog altijd genoeg uitzonderingen: het prachtige Tina in Sexbierum, de programma’s van Nicolaas Veul, het nieuwe werk van Terlou. En ook zeker Metropolis, gepresenteerd door Biemans, met korte reportages van lokale journalisten. Dit seizoen, het laatste vanwege de NPO-bezuinigingen, staat er nog een zeemeerminnenwedstrijd in Hongkong op de planning.
Onder woorden brengen wat de waarde van zulke programma’s is, wordt onvermijdelijk een beetje zijig. Toch een poging: ze laten zien hoeveel er nog te ontdekken valt. En daar word ik graag zo vaak mogelijk aan herinnerd.
Ik hou van televisie. Dat is een last, want het medium is tanende, verdreven door de overdaad die we keuzevrijheid noemen. Over de buis moeten schrijven drijft me daarom meteen in de hoek van nostalgie en sentiment, toen mijn wereld nog daadwerkelijk werd verbreed door te kijken, in plaats van vernauwd.
Als ik aan televisie denk, denk ik aan familie.
De televisie stond thuis vrijwel altijd aan, sterker nog: hij dicteerde. Dat ding moest zachter of juist harder, op een andere zender, of het was afblijven geblazen omdat er na de reclame iets interessants zou volgen. De afstandsbediening werd bij elkaar gehouden met plakband, momenten na het plakken alweer zwartomrand en lubberig. ‘Er is niks op tv’, constateerde mijn vader dagelijks, maar ’m vervolgens uitzetten kwam niet bij ons op. Uitzítten, dat was meer het idee.
En dus keken we alles. Jos Brink die theelepeltjes uitdeelde aan het publiek, een Jane Eyre-bewerking, Top Gear, De nieuwe Uri Geller, een uitstapje naar de Belgen met Vlaanderen vakantieland, eindeloos veel Paul de Leeuw. Mijn broer werd om onduidelijke redenen niet geplaagd door de puberteit, maar wel door een De Pfaffs-periode (het gaat inmiddels goed met hem). We zapten naar obscuurdere netten als Animal Planet, TLC en 24Kitchen.
Dat idee van ‘dit is er te zien, je doet het er maar mee’, het heeft me geen windeieren gelegd. Zo ontwikkel je een smaak.
Als ik jonge ouders tegenwoordig het walgelijke woord ‘core memory’ in de mond hoor nemen, gaan mijn gedachten vooral naar de avonden waarop we in het ouderlijk bed RTL 4 mochten kijken: eerst Goede tijden, slechte tijden, daarna Hoe schoon is jouw huis. Nog eventjes dan. Een televisie op de slaapkamer, dan had je het in mijn ogen wel gemaakt. Mijn oom had twee televisietoestellen naast elkaar staan, zodat hij naar meerdere netten tegelijk kon kijken.
Van de meeste familieleden kan ik nog wel zeggen welke televisiegids ze hadden liggen, bij bezoek aan mijn oma kraste ik steevast met balpen over de zwart-witte portretfoto op de cover van de Mikro Gids. Zo’n gids zei veel over iemand, leerde ik: zo was die Mikro Gids vooral functioneel, de VPRO Gids voor Amsterdammers en de AvroBode voor kleurloze lieverds.
Mijn keus viel op de Varagids, waar ik besloot stage te lopen. De gids van mijn ouders. Nadien mocht ik er als freelancer aan de slag, ruim zeven jaar schreef ik de televisietips voor de maandagavond, een handvol korte stukjes die zoiets om het lijf hadden als ‘In deze aflevering bezoekt Erica Terpstra het magische India, land van contrasten’ of ‘Miljuschka Witzenhausen bereidt vanavond een smakelijk winters stoofpotje’.
Daarmee wat geld verdienen, wat was dat nou voor ongelooflijks? En altijd was het mijn moeder die die stukjes las, hoe obligaat ook, en de tips navolgde. Ook nu ik voor de Volkskrant schrijf, fungeert zij als schaduwcriticus: als mijn stukje online staat, geeft zij haar mening over de programma’s die ik aanhaalde, negen van de tien keer heeft ze ze al gezien. Die verbindende werking die tv had, het is er nog, op afstand.
Laatst zat ik er weer, met het gezin rond de tv. Twee voor twaalf dit keer. Een wonderlijk moment: Astrid Joosten stelde een vraag waarop het antwoord de woonplaats van mijn ouders was, mijn ouderlijk dorp. Wij keken naar de televisie, maar de televisie leek ons ineens óók te zien, dat gezin daar op hun bank.
Was je als kind eigenlijk ook al een tv-kijker? Die vraag wordt me zo nu en dan gesteld, meestal gevolgd door een vraag over Villa Achterwerk. Wat was dat goed, hè!
Die types moet ik dan toch vaak teleurstellen. Tot pakweg mijn 8ste was het Bassie en Adriaan en daarna een heel, heel, héél lange tijd niets. Ik was een hooligan, in de extreemste zin van het woord. Ik zag alle afleveringen tientallen, misschien zelfs honderden keren en kan ruim twintig jaar later nog vrijwel alles woord voor woord navertellen. Dus ja, die (iets te) fanatieke kijker zat er al vroeg in, al kon die belangrijke, hoogwaardige kindertelevisie mij zelden boeien.
Maar omdat ook de kracht van herhaling eindig is, schakel je op een gegeven moment door. Elke dag Bassie en Adriaan kijken werd elke week kijken naar Baantjer, Flodder en Nederlandse sitcoms als Kees & Co, Het zonnetje in huis en Kinderen geen bezwaar.
En natúúrlijk ook al dat stompzinnige, maar heerlijk fascinerende amusement. De nieuwe Uri Geller! Domino Day! Hole in the Wall, waarin Gerard Joling en Beau van Erven Dorens in spandexpak door grote gaten in de muur moesten manoeuvreren!
Wat ik maar wil zeggen: die liefde voor het medium is niet per se gevormd door intellectueel verantwoorde, maar vooral door inhoudelijk vaak onverantwoorde televisie, die bedoeld scheen te zijn voor volwassenen.
Na die glorieuze tienerjaren zag ik televisie een wat voorspelbaardere kant op bewegen. Het amusement werd veiliger en nét wat minder gestoord, kindertelevisie werd saaier (al was ik ook niet meer de doelgroep) en de klassieke sitcom raakte uit de mode. In een volstrekt andere wereld belandde je alleen nog als je die zelf actief opzocht.
Ook op televisie is het makkelijk om in je eigen bubbel te blijven hangen. Een waarin het bijvoorbeeld voor de hand ligt om te verkondigen dat Zomergasten het Belangrijkste Beste Inhoudelijkste programma aller tijden is.
Maar diep in mijn hart vind ik een volslagen krankzinnig programma als De alleskunner vips minstens zo belangrijk, omdat het me, net als Zomergasten, een inkijk geeft in een wereld waar ik niet snel mee in aanraking kom. (In het geval van De alleskunner vips: de wereld van de vergeten BN’er die, in een schreeuw om aandacht of hulp, nog één keer meedoet aan de domste spelletjes denkbaar, zoals het opwarmen van bevroren onderbroeken met je eigen lichaamswarmte.)
Het is makkelijk om lovend te zijn over alle belangrijke documentaires die de NPO uitzendt, over de sterke reisseries, over de diepgravende interviews, over Met het mes op tafel (met afstand het beste Nederlandse televisieprogramma). Maar televisie is voor mij óók The Passion, De dansmarathon, Vandaag Inside, The Masked Singer en Vis TV.
Hoe dom, schrijnend, inhoudsloos, sneu, pretentieus of onuitstaanbaar veel televisieprogramma’s ook zijn: ik raak nooit uitgekeken. Iedereen die vaker dan twee keer per week naar een talkshow kijkt, weet: cynisme ligt altijd op de loer. Het mag, een beetje.
Maar het blijft de missie om altijd iets te behouden van dat kinderlijke enthousiasme, van de oneindige verwondering. Elk stuk, elke beschouwing komt uiteindelijk voort uit een diep gevoelde liefde, die loopt van Bassie en Adriaan tot Pauw en De Wit. Einde der tv-tijden of niet: ik blijf er voor thuis, altijd.
Ik weet het nog goed, hoe ik met de andere eerstejaars het bevel kreeg op te lijnen in de woonkamer van het studentenhuis. Het licht gaat uit, er klinkt opzwepend gejoel. En dan: een ontzagwekkende blonde vrouw in een colbert loopt met zelfverzekerde passen in beeld. Even houdt iedereen de adem in.
Linda de Mol.
Het was zondagavond. Miljoenenjacht. Soms speelden we het spel mee, door net als de mensen op tv naast elkaar te gaan staan en bij een goed antwoord een plekje naar rechts op te schuiven. Soms waren we brak en bleven we liggen, onder fleecedekens vol brandgaten.
In quizprogramma’s als Miljoenenjacht en Weekendmiljonairs zijn gewone mensen voor even bekend. Daarom vond ik het vaak zo afschuwelijk om naar te kijken, ik kon het niet aanzien als iemand een dom antwoord gaf, een verkeerde koffer koos, en het gedroomde appartement aan de Costa Brava of die splinternieuwe Toyota Prius naar een verre horizon zag vertrekken. Ik stelde me voor hoe iedereen het er bij de koffieautomaat nog wekenlang in zou wrijven.
Toch zou ik zo graag nog eens met z’n allen op die bank liggen, als slangen in elkaar gedraaid op de doorgezakte zetels, waar konten voor kussens doorgingen. In huis waren er twee regels: niet roken voor elf uur ’s ochtends en geen tv op je slaapkamer. En dus lagen we vanaf tien uur ’s ochtends allemaal met een asbak op onze buik voor de tv beneden.
Hier begon ik luidkeels commentaar te leveren op alles wat op onze vierdehands flatscreen passeerde en spinde ik inwendig als mijn horizontaal verstrengelde publiek daarom lachte. Overal zag ik slechtzittende kleding, zenuwtics, kromme redeneringen en algehele stupiditeit. Zelf zat ik aangenaam buiten beeld, waar niemand mij kon raken. Een vrouw die grappig doet op tv, dat kende ik nog wel van Sara Kroos, hoewel die bij mij op school Die Kutlama heette. Onverdiend, en juist daarom: mij niet gezien.
Toch leerde ik bij de quizprogramma’s dat je het met humor soms verder schopt dan met parate kennis. Een tactiek die veel ontluikende BN’ers bij De slimste mens succes opleverde – was het niet in het programma zelf, dan wel daarbuiten. Ik kromp niet meer ineen als iemand een fout maakte, sterker nog: ik begon te wennen aan het idee om zelf publiekelijk op mijn smoel te gaan. Te gaan schrijven, te gaan maken.
Belangrijker was dat ik bij De slimste zag hoe je kunt observeren zonder vingerwijzen, zonder meteen te willen afbreken wat je ziet. Dat humor niet cynisch hoeft te zijn, en dat oprecht enthousiasme vaak zo veel krachtiger is dan een pantser van ironie. Niemand kan dat zoals Paulien Cornelisse, maar dankzij tv hebben we met miljoenen tegelijk gezien dát het kan.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant