Home

‘Ik dacht: mijn keel ligt open, nu ga ik dood’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Martin van Els (65) ging ‘even’ een probleem oplossen, en moest dat bijna met de dood bekopen.

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

‘Het was de eerste keer dat ik na een dienst niet thuiskwam. Naast het oude politiebureau in Helmond staat een instelling voor begeleid wonen. Drie jeugdzorgleiders meldden zich aan onze balie: een bewoner viel zijn buren lastig en liep te schelden en intimideren.

‘Ik dacht: dat los ik wel op, ik ga met die jongen in gesprek. Toevallig liep ik Sam tegen het lijf, een student nog, maar ook een beer van een politieman. Ik zei: ‘Loop je even mee? Misschien kun je er iets van leren.’

‘Met z’n vijven gingen we naar de instelling. We namen de trap naar de derde etage. De jeugdzorgbegeleiders klopten op zijn deur: ‘We moeten met je praten’, maar er kwam geen reactie.

‘Ik herhaalde de naam van de bewoner en zei: ‘Politie, doe je de deur open? We willen even met je praten.’ Ik klonk niet dreigend of boos, want ons plan was gewoon vriendelijk: joh, niet meer doen.

‘Ineens vloog de deur open. Voordat ik het in de gaten had, voelde ik een vuistslag tegen mijn keel. Ik was verbijsterd: wat doe je nou? Maar toen hij zijn hand terugtrok, zag ik in zijn vuist een mes met een flink lemmet, vol bloed. De jeugdzorgbegeleiders stoven weg.

‘‘Volgens mij steekt ’ie in mijn nek’, zei ik verbouwereerd tegen Sam. En terwijl ik praatte, voelde ik valse lucht uit mijn keel naar buiten stromen, en bloed in mijn shirt lopen. Ik dacht: mijn keel ligt open, nu ga ik dood.

‘In fracties van seconden ga je je opties na: trek ik mijn wapen? Moet ik hem aanvallen en aanhouden? In een gevecht zou ik geen schijn van kans hebben, en als ik sterf ligt mijn wapen voor het grijpen. Dus ik dacht: ik moet mezelf redden. Ik rende de trap af en riep ‘Assistentie collega!’ door mijn portofoon, wat betekent dat iedereen komt toegesneld. Ik had meteen spijt dat ik Sam alleen had gelaten, rende weer naar boven en zag dat Sam die jongen al had gepepperd en onder schot hield.

‘Omdat de situatie onder controle was, ging ik opnieuw – nog steeds hevig bloedend – naar beneden, en verwachtte dat het buiten blauw zou zien van de collega’s, maar er was geen kip: mijn porto stond op een verkeerd kanaal. Gelukkig herkende de centralist mijn stem en stuurde collega’s en een ambulance, die me naar het ziekenhuis bracht. Ik werd meteen opgenomen.

‘Je ziet het grote, S-vormige litteken in mijn hals. Slechts 3 centimeter zijn van de steekwond, de rest, zo’n 20 centimeter, komt door twee hersteloperaties. Aanvankelijk werd het gat in mijn luchtpijp dichtgenaaid. Ik vierde kerst met sondevoeding, maar zodra ik daarmee stopte, lukte het maandenlang niet om gewoon te eten. Steeds kreeg ik verschrikkelijke hoestbuien waardoor ik bijna mijn bewustzijn verloor. De kilo’s vlogen eraf.

‘Toen ik met 40 graden koorts weer in het ziekenhuis kwam, ontdekten ze dat ook mijn slokdarm kapot was, dat hadden ze over het hoofd gezien. Door het gat in mijn slokdarm was voedsel op mijn longen terechtgekomen, dat pijnlijk ging ontsteken. Ik werd overgebracht naar het academisch ziekenhuis in Nijmegen voor een spoedoperatie, en kreeg te horen dat ik mogelijk mijn stem blijvend zou verliezen. Verschrikkelijk. Ik dacht: kan ik dan nog wel bij de politie werken? Hoe kun je dan iemand aanhouden?

‘Na de operatie durfde ik eerst niet te praten. Ik fluisterde tegen mijn vrouw: ‘Ik ga nu hardop iets zeggen.’ Ik had een raar piepstemmetje, maar dat is gelukkig goed gekomen.

‘Wat ik van dit incident heb geleerd is dat het politieslachtoffer, ik dus, goed wordt begeleid, maar dat de mensen thuis ook hulp en opvang nodig hebben. Daar kwam ik achter toen het proces tegen de dader begon. Ik moest een slachtofferverklaring opstellen, mijn vrouw hielp me daarbij. Tijdens dat gesprek bleek hoe moeilijk zij het al die tijd heeft gehad; het emotioneert me nu weer.

‘Zij moest het gezin draaiende houden, met twee kinderen van 10 en 11 die naar school moesten en voor wie opvang moest worden geregeld als ze naar het ziekenhuis kwam. De kinderen deden heel blij als ze me bezochten, maar ’s avonds huilden ze in bed: ‘Gaat papa dood?’ Mijn vrouw kon dat niet met ‘nee’ beantwoorden, want ook zij was bang mij te verliezen. Dit litteken bewijst elke dag: papa is niet onaantastbaar.

‘De dader is veroordeeld, maar ontkent alles. Heel frustrerend. Ik weet dat het niet mijn schuld is, maar toch voel ik me schuldig voor een langdurige moeilijke periode die mijn gezin is aangedaan. Ik heb niet de vader kunnen zijn die ik had willen zijn. Ik was er niet toen zij veel angst en verdriet hadden. Bij zo’n incident is ook de impact op het gezin van een politieman groot. Daar zou best wat meer aandacht voor mogen zijn.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next