Home

‘President Soekarno noemde ons futloos. Ik stond op en zei: dat neem ik niet!’

Agustina Dahar is 100 jaar. Ze groeide op op Sumatra en Java. Terugkijkend op haar leven vindt ze dat ze veel heeft gedurfd.

Agustina Dahar is geboren op West-Sumatra. In de etnische groep waartoe ze behoort, de Minangkabau, stonden vrouwen eeuwenlang centraal. Zij bezaten land en woning, geërfd werd er via de vrouwelijke lijn. Mannen trokken na een huwelijk in bij de familie van de bruid.

Het leven van de 100-jarige is anders gelopen dan ze voor ogen had, maar haar islamitische geloof heeft haar leren accepteren, zegt ze.

Hoe herinnert u uw jeugd in West-Sumatra?

‘Ik was het vierde kind, na mij kwamen er nog vijf. De eerste vijf jaar van mijn leven leefde ik gescheiden van ons gezin. Ik werd meegenomen door een nicht van mijn oma, Manjang heette ze. Ze was alles voor mij. Met haar woonde ik bij haar dochters. Ik heb nooit begrepen waarom juist ik uit ons gezin werd meegenomen. Ik denk omdat Manjangs jongste dochter zo graag een baby in huis wilde.

‘Op mijn 5de verhuisde de topografische dienst waar mijn vader werkte naar Java. Het gezin verhuisde mee, ik ook. Ik wist niet dat de andere kinderen in de auto mijn zussen en broers waren. In het begin miste ik Manjang, maar het wende snel. Mijn moeder was thuis, onze twee bedienden woonden bij ons in. We hadden een groot erf bij het huis met een heg eromheen.’

Wat heeft u meegekregen van de matriarchale cultuur van de Minangkabau?

‘In onze cultuur namen vrouwen de belangrijke beslissingen, dat is zo ontstaan omdat de mannen vaak lange tijd van huis waren om handel te drijven. Grootmoeders zochten bijvoorbeeld huwelijkskandidaten voor hun kleindochters. In onze familie is dat alleen met mijn oudste zus zo gegaan. Ik mocht zelf beslissen met wie ik trouwde.

‘De Minangkabause cultuur veranderde onder invloed van de Nederlandse kolonisator en de islam. Het geloof werd de basis, in plaats van onze tradities. In ons gezin was het mijn vader die veel besliste.’

Wat heeft u behouden van uw cultuur?

‘Ik denk mijn zelfstandigheid als vrouw. Ik spreek onze taal en kook Minangkabaus, zoals rendang en guleh, heel pikant.’

Wat herinnert u zich van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië?

‘Alleen mijn leven op school veranderde. De Nederlandse taal werd verboden en we moesten Japans leren. Elke ochtend deden we met alle leerlingen op het schoolplein taiso, Japanse gymoefeningen. We moesten ook marcheren en luisteren naar redevoeringen in een groot stadion – allemaal propaganda natuurlijk. De Japanners beloofden dat we in de toekomst een vrij land zouden zijn. We waren dankbaar dat zij het zaadje plantten dat een eind zou maken aan de koloniale tijd.

‘Je voelde een verschil tussen de Hollanders en de Indonesiërs. De Hollanders woonden in mooie huizen in aparte wijken met brede straten. Waar wij woonden, daar had je steegjes. Je voelde een afstand. Hollandse vrienden had ik niet. In de Hollandse tijd mochten we niet politiek actief zijn. Mijn oudste broer had toch een vereniging opgericht, de Indonesische Mulo Bond, we deden aan sport en vergaderden over de betekenis van een zelfstandig Indonesië.’

Mocht u uw eigen keuzen maken?

‘Ik kon naar de hbs, maar het schoolgeld was erg hoog. Mijn ouders hadden nog acht kinderen, dus koos ik voor de mulo. In Jakarta volgde ik een opleiding voor onderwijzer en ben les gaan geven. Met thuisonderwijs deed ik de algemene middelbare school, die gelijkstond aan de hbs, zodat ik naar de universiteit kon. Ik wilde arts worden en ging medicijnen studeren, maar stapte over naar rechten, omdat ik het ongemakkelijk vond samen met mijn jongere broer te studeren. Ik voelde mij oud. Gek eigenlijk. Ik moest mijn studie zelf financieren, daarom werkte ik daarnaast in het onderwijs.’

Er is een foto van u als rechtenstudent achter een katheder, met naast u een lachende president Soekarno.

‘In 1953 hield Soekarno een toespraak in een volle collegezaal van de universiteit van Makassar, waar ik op mijn 27ste rechten was gaan studeren. De president zei: ‘Jullie studenten zijn mlempen.’ Dat betekent futloos, sloom. Ik vond dat zo’n vreselijk woord, dat ik opstond, naar voren liep en zei: ‘Ik neem de woorden van de president niet!’ Ik zong een lied en ging weer zitten.’

U durfde

‘Ja. Ik voelde dat ik het moest doen, want het kon niet wat de president zei. Soekarno vond het geloof ik wel leuk, want hij zette een stap opzij, zodat ik achter de katheder kon staan.

‘Korte tijd later belde Soekarno mijn broer, die burgemeester van Makassar was. Hij wilde me weer ontmoeten. Daar ben ik niet op ingegaan. Mijn vriendinnen zeiden dat ik het wel moest doen, misschien hadden ze gelijk. Hij was aardig en een bijzondere man; als eerste president van Indonesië heeft hij van de eilanden één land gemaakt en ons naar onafhankelijkheid geleid. Het is niet voor niets dat hij tijdens de onafhankelijkheidsstrijd gevangen is genomen door de Hollanders.’

Hoe bent u in Nederland terechtgekomen?

‘In 1958 ben ik met mijn man naar Nederland gegaan. Hij was een Hollander. Van de Indonesische regering moesten alle Hollanders het land uit.

‘Ik leerde mijn man kennen tijdens mijn rechtenstudie. Hij was onze docent sociologie en maar een paar jaar ouder dan ik. Ik vond het geweldig dat hij in het Indonesisch lesgaf, de andere docenten spraken Engels of Nederlands. Alle meisjes vonden hem knap, ik ook. Plotseling vroeg hij mij uit. ‘Maar u bent toch getrouwd?’, zei ik. ‘Ja, maar mijn vrouw heeft iemand anders’, antwoordde hij. We kregen een relatie.

‘Henk kreeg toestemming van het ministerie van Godsdienst om moslim te worden, zodat we islamitisch konden trouwen. Mijn vriendinnen vonden het prachtig, maar mijn ooms en tantes niet. ‘Je trouwt toch niet met een Hóllander!’, zeiden ze. Mijn ouders zeiden niks. Ik was de eerste in de familie. Ik was een buitenbeentje. Nu ik erop terugkijk, denk ik: wat heb ik veel gedurfd!’

Mocht dat, een docent die een relatie had met een student?

(Ze graaft even in haar geheugen.) ‘Nee, niemand wist ervan. Ik woonde in een gebouw bij de universiteit. Henk lichtte de directrice in over onze relatie. Zij vond het niet goed en ik moest van de universiteit af. Ik heb mijn studie dus niet kunnen afmaken. ’

Was emigreren naar Nederland een cultuurschok voor u?

‘Ik kwam in de maand mei aan, de goudenregen stond in volle bloei, dat vond ik zo mooi. Ik schrok alleen dat ik de Nederlanders niet kon verstaan, terwijl ik hun taal in Indonesië vanaf klas 1 van de lagere school had geleerd. Na een paar weken was ik gewend aan de snelheid van praten.

‘Ik was blij dat Henk enig kind was, waardoor ik me niet aan veel mensen hoefde aan te passen. De eerste paar jaar woonden we bij zijn moeder in huis, in Heemstede. Haar man was overleden toen Henk 13 jaar was. Ik kon goed met mijn schoonmoeder opschieten, ze was zo schattig. Wel verlangde ik vaak naar Indonesië. Mijn man kreeg een baan aan de Universiteit Utrecht, waar hij later hoogleraar zou worden, en we verhuisden naar Utrecht.’

Verveelde u zich, als ontwikkelde vrouw in het traditionele Nederland?

‘Ik vond dat ik stommer werd, mijn hersenen gingen achteruit. Ik dronk koffie met mijn schoonmoeder, deed het huishouden en zorgde voor onze twee kinderen. Ik miste intellectuele uitdaging en besloot weer te gaan studeren. Mijn omgeving vond dat vreemd. ‘Je bent toch getrouwd!’, zei mijn buurvrouw. Ik koos voor Indonesisch aan de Universiteit Leiden en werd assistent van de docent. Na mijn studie ging ik lesgeven aan de universiteit en gaf ik cursussen aan huis en op de Volksuniversiteit. Ik ben altijd blijven werken en had genoeg te doen, want ik was al vroeg alleen.’

Hoe kwam u alleen te staan?

‘We zijn gescheiden toen de kinderen nog klein waren. Mijn man kreeg een vriendin. ‘Dat vind ik niet erg hoor’, zei ik. Maar zij wilde per se met hem trouwen. Toen zijn we uit elkaar gegaan.’

Hoe was dat voor u, u was immers voor uw man naar Nederland gegaan?

‘Ik was niet boos. Nooit heb ik tijdens mijn leven iets moeilijk gevonden. Al jong heb ik van mijn geloof, de islam, leren accepteren wat je overkomt. De verbintenis met een man kan voorbijgaan, met je kinderen blijf je altijd verbonden. Het contact bleef goed. Ik kon met de kinderen in ons huis blijven wonen en mijn man kwam elke week eten om ze te zien.’

Heeft u later nog een nieuwe liefde gevonden?

‘Mijn man is de enige op wie ik verliefd ben geweest.’

Denkt u, terugkijkend op uw leven, weleens: dit had ik anders willen doen?

‘Die momenten heb ik wel ja, maar hoe?

‘Ik ben heel blij met mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinzoon. Maar ik geloof dat ik niet had moeten trouwen. Ik had mijn rechtenstudie moeten afmaken. Ik heb altijd de top willen bereiken, net zoals mijn zus Lies, die ongetrouwd is gebleven en hoogleraar scheikunde is geworden. Nu kan het wel: én trouwen én de top bereiken.

‘Ik houd van studeren, nog steeds. Ik lees nu een studieboek Mingkabau - Frans en een boek over Multatuli. Ik lees graag biografieën omdat ik benieuwd ben hoe het leven van een ander is verlopen.’

De reden waarom anderen dit interview lezen.

(Verbaasd:) ‘O ja?’

Geboren: 31 augustus 1926 in Padang, Indonesië

Woont: zelfstandig, in Amsterdam

Familie: nog een zus (88), 2 kinderen, 4 kleinkinderen, 1 achterkleinkind

Beroep: docent Indonesisch

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next