nieuwsbriefNRC Voorkennis
NRC Voorkennis Nu de financiële schade door extreem weer in arme en opkomende landen oploopt, dringt zich de vraag op: wie draait op voor de schade? Het principe van ‘klimaatrechtvaardigheid’ is nog ver te zoeken in deze opwarmende wereld.
De gevolgen van de overstroming in Nepal zijn immens.
Peruaanse vissers merken al eeuwen dat het zeewater in sommige winters opwarmt. Ze gaven het fenomeen de naam El Niño (het kindje), naar het kerstkindje Jezus, dat eveneens in de winter kwam. Zo kreeg deze periode van opwarming, die om de paar jaar optreedt en het wereldwijde klimaat ontregelt, haar naam.
Dit jaar maakt de wereld zich op voor de gevolgen van de huidige ‘Super El Niño’. Het is de sterkste ooit gemeten. Extreem weer, in de vorm van droogte, overstromingen en orkanen, kan de komende tijd niet alleen veel dodelijke slachtoffers gaan eisen, maar ook veel fysieke schade veroorzaken, vooral in arme en opkomende landen. Intussen groeit het wetenschappelijk bewijs dat El Niño de afgelopen jaren sterker is geworden door klimaatverandering.
Dit is een ingekorte versie van de NRC Voorkennis-nieuwsbrief. Twee keer per week schrijft de economieredactie van NRC daarin over economische ontwikkelingen die op de redactievloer tot opwinding leiden. Inschrijven (voor Plus-abonnees) doe je hier:
Inschrijven voor NRC Voorkennis
Wie gaat de komende maanden de klimaatrekening betalen? Die vraag komt bij mij op, met in mijn achterhoofd de recente verwoestende ramp in Nepal (ruim 1.400 doden, meer dan 5.000 vermisten). Volgens wetenschappers lijdt het geen twijfel dat de opwarming van de aarde de condities schiep voor het instorten van een gletsjer in de Himalaya. De wederopbouw van het getroffen gebied zal tussen de 4 en 5 miljard dollar kosten, schat de Nepalese minister van Financiën in. Dat is zo’n tiende van het bbp van Nepal, een relatief arm Zuid-Aziatisch land (flink armer per hoofd van de bevolking dan buurland India, bijvoorbeeld).
In een hoofdredactioneel commentaar wees NRC laatst op de grote onrechtvaardigheid die zich hier voordoet: Nepal is verantwoordelijk voor minder dan 0,1 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, maar moet nu wel de lasten dragen van het broeikaseffect.
Moet Nepal, en moeten kwetsbare landen waar El Niño langskomt, het alleen gaan rooien? Of zijn er ook internationale potten geld voor ze beschikbaar? Daar kijken we in deze nieuwsbrief naar. Spoiler: die potten zijn eerder potjes. En er zitten vaak dikke deksels op.
Deze week vindt in Fiji vooroverleg plaats voor de klimaattop COP31 die in november in Turkije wordt gehouden. Belangrijk punt op de agenda: het zogeheten Loss and Damage Fund van de Verenigde Naties. Dit verlies-en schadefonds is bedoeld voor hulp aan arme landen die lijden onder klimaatverandering. „Verlies en schade” kan zijn: acute schade door extreem weer, maar ook ‘langzame’ schade of permanent verlies door bijvoorbeeld de zeespiegelstijging.
Het in 2022 in het leven geroepen fonds wordt gefinancierd door vrijwillige donaties van rijke, hoofdzakelijk Europese landen. Zij hebben tot dusver 822 miljoen dollar beloofd voor het fonds, maar dat is nú al onvoldoende. Tenminste, als je afgaat op het beroep dat arme landen erop doen.
In juli waren er bij het fonds namelijk al verzoeken om financiering binnen ter waarde van 2,8 miljard dollar. Het gaat om 176 aanvragen uit 119 landen uit met name Afrika, Azië en het Pacifisch gebied. Cuba wil bijvoorbeeld 20 miljoen dollar hulp voor boeren na orkaan Melissa, Oeganda wil steun van 10 miljoen dollar na „onomkeerbare” schade door modderstromen en landverschuivingen.
Vlak na de recente ramp deed ook Nepal een aanvraag bij het fonds, voor 20 miljoen dollar. Dat is natuurlijk een héél klein bedrag vergeleken bij de door de regering verwachte schade van 4 à 5 miljard dollar. Helaas voor Nepal is dat nu eenmaal het maximumbedrag per ramp dat landen uit het VN-fonds kunnen krijgen.
Bovendien moet het fonds zich nog in de praktijk bewijzen. Tot dusver heeft het bestuur van het fonds, waarin vertegenwoordigers van zowel rijke als arme landen zitten, geen enkele aanvraag goedgekeurd.
De Nepalese premier Balendra Shah beschreef het huidige systeem van klimaatfinanciering tijdens een gepassioneerde speech bij de VN in New York laatst als een „bureaucratisch doolhof”. „Als het huis in brand staat, moeten we een gezin niet vragen vijftig formulieren in te vullen. Dan moeten we handelen. Dat is wat klimaatrechtvaardigheid betekent”. Alternatieven voor het VN-fonds zijn er wel, maar ze zijn schaars, en ook niet altijd even toegankelijk:
Kortom, de opties voor arme(re) landen om schade door extreem weer op te vangen zijn niet geweldig. Geen wonder dat ze denken: dan moeten we zelf maar dingen gaan bedenken. Een gestaag groeiende groep landen die zich „kwetsbaar voor het klimaat” noemt, heeft zich verenigd in het Climate Vulnerability Forum (CVF). De ministers van Financiën uit deze landen noemen zich de ‘V20’ (vulnerable 20) naar analogie van de G20. In de CVF/V20, opgericht in 2009, zitten inmiddels 74 landen en de groep wordt momenteel geleid door Barbados, Ghana en Bangladesh.
Deze groep heeft onder meer een zogeheten global shield opgericht, een instrument om regeringen te helpen zich te verzekeren tegen klimaatschade. Maar daarbij is wederom de vraag: wie betaalt? Vooralsnog zijn dat, onvermijdelijk, de rijke landen. Het „schild” wordt vooralsnog gefinancierd door Europese landen. Hoe het in de praktijk werkt: Duitsland betaalde bijvoorbeeld voor Ghana een deel van de premies voor een droogteverzekering. Op deze verzekering kon Ghana aanspraak maken bij extreme droogte vorig jaar.
De oplopende klimaatrekening zal linksom of rechtsom betaald moeten gaan worden. De grote vraag is of daarbij de klimaatrechtvaardigheid zal zegevieren.
Wat vinden jullie? Moeten rijke landen de schade door extreem weer in arme en opkomende landen vergoeden? Mail me op mark.beunderman@nrc.nl
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie