Muziektheater Heijmans en Vrienten maakten een voorstelling met Amerikaanse rootsmuziek. Een reis langs verschillende gezichten van Amerika. „Je kunt zeggen dat de liedjes verschillende antwoorden bieden op de vraag hoe te leven.”
Xander Vrienten (links) en Maarten Heijmans. „Als je iets echt voelt terwijl je een lied zingt, wordt het bijna nooit te sentimenteel.”
De muziektheatervoorstelling Wachtend op de dood ontstond onverwacht: Maarten Heijmans (42) zou deze herfst een toneelstuk spelen, totdat dat door privéomstandigheden van een van de deelnemers niet doorging. De zalen waren al geboekt. Of Heijmans niet iets anders wilde maken?
Hij had net in Hadestown gespeeld, waarin ook bassist en producer Xander Vrienten (39) zat, dus dacht: „Ik vraag Xander, want we zijn vrienden en hebben het heel fijn samen.” Eerst overwogen ze een westernmusical, waarin Heijmans alle rollen zou spelen en Vrienten alle instrumenten. Ook een Ennio Morricone-programma passeerde. Uiteindelijk kwamen drummer Darryl Ciggaar en gitarist Nick Croes erbij, twee muzikanten die „americana en vooral blues ademen”.
Nu is er Wachtend op de dood, vernoemd naar Townes Van Zandts Waiting Around to Die: Amerikaanse rootsmuziek vermengd met theater. Een reis door Amerika, voortkomend uit hun liefde voor de muziek, westernromantiek en de „rare mensen die er rondlopen”. Tussen liedjes van Nina Simone, Tom Waits en Randy Newman speelt Heijmans korte sketches met personages zoals Mary Beth Sue: een hartelijke, streng-conservatieve Amerikaanse vrouw die via een piratenzender haar luisteraars van dubieuze adviezen voorziet.
Op de flyer staat nog ‘levensliedjes tussen de Mississippi en de Jordaan’. „Maar het is steeds meer de Mississippi geworden”, zegt Heijmans.
Heijmans: „Je kunt zeggen dat de liedjes verschillende antwoorden bieden op de vraag hoe te leven. God en de duivel zijn daar middelen voor. Ik ben niet christelijk, maar de psychologische manifestatie van God, de duivel en de hemel vind ik interessant. Ook als je niet gelooft hebben we allemaal schuldgevoel, zelfveroordeling, de vraag: leef ik goed?”
Heijmans: „Ik heb thuis een memento mori-kalender: 52 vakjes breed en honderd rijen. Eén vakje is een week, iedere rij een levensjaar. Elke week kleur ik er één in. Ik ben 42, dus je ziet in één oogopslag: hij is al voor 42 procent vol, áls ik honderd word.”
De stoïcijnse gedachte erachter spreekt hem meer aan dan het christelijke eindoordeel. „Uit die kalender haal ik meer troost. Hij is een aansporing om te leven, want als je je leven vooral vult met angst en schuldgevoel is dat wel zonde.”
Vrienten: „Ik ben atheïst, soms zelfs een beetje nihilist. Muziek geeft mij enorm veel zingeving. Liefde, vrienden, mijn dochter natuurlijk ook. Maar muziek is voor mij iets heel groots. Ik heb jarenlang gespeeld met jongens met wie ik nauwelijks een woord wisselde. Maar op het podium weet ik precies hoe het met iemand gaat. Hoe kan dat? Dat is waarom muziek zo vet is.”
Vrienten: „Je moet er wel wat van weten. Muziek is een taal. Als je er heel nerdy op gaat: een Philadelphia-blues is bijvoorbeeld totaal iets anders dan een Delta-blues.”
Hoe serieus muzikale tradities genomen worden, merkte hij op zijn 21ste in Oregon, toen hij met drummer Boyd Small speelde. „Ik blafte als bassist zo’n nummer helemaal vol met noten. Hij zette me na afloop echt tegen de muur: If you play a humpty dumpty you fucking play a humpty dumpty. Daar heb ik van geleerd. Ik heb het daarna nooit meer anders gespeeld.”
Vrienten: „Totaal. Mensen léven die tradities daar. Ik speelde eens in zo’n Amerikaanse road tavern. Aan het begin van elk nummer zag je mensen luisteren: wat wordt er gespeeld, kennen we het, is het dansbaar? Dan knikten ze naar elkaar en gingen ze dansen. Na elk nummer gingen ze weer zitten. Daar kan ik echt van janken, zo mooi.”
Heijmans kende de blues en country minder goed. Hij luisterde eerder naar jazz. Het fascineert hem hoe cultuur reist. „Hoe een man ergens in achttien-zoveel met een banjo op een veranda uiteindelijk doorwerkt tot jazz in Japan na de Tweede Wereldoorlog. Dat is het grote gesprek van de mensheid: culturen nemen dingen van elkaar over, veranderen ze en geven ze weer door.”
Heijmans: „Niet voor mij. Ik ken mensen die naar Amerika willen, maar niet zolang Trump aan de macht is. Dan denk ik: als je over zo’n prachtige weg door Arizona rijdt, merk je niet zoveel van wie president is.”
Zo’n houding vindt hij „een beetje aanstellerige virtue signalling”: „Je sluit jezelf ook af van al het moois dat dat land te bieden heeft.” Juist de tegenstrijdigheid fascineert hem: „Amerika is verbazingwekkend, doodeng en supermooi tegelijk.”
Heijmans: „Mijn ingang is altijd de vertelling. Daarom wilde ik Johnny Cash’ ‘A Boy Named Sue’ zingen. Dat is eigenlijk een klein toneelstukje van drie minuten.”
Heijmans: „Het grote misverstand over acteren is dat het om gevoel gaat. Op de toneelschool hing een uitspraak van acteur Ton Lutz, ik parafraseer: ‘Niet voelen, dénken.’ Je moet niet proberen verdrietig te zijn. Je moet begrijpen hoe iedere gedachte uit de vorige voortkomt. Als daar gevoel bij komt: prima. Maar dat is niet het doel. Ik kan tijdens een emotioneel zware monoloog tegelijkertijd denken: morgen om negen uur naar de tandarts. Acteren is veel meer techniek dan mensen denken.”
Vrienten: „Als je met een snik in je keel Townes Van Zandt gaat zingen over hoe zwaar het leven is en daarna in je Tesla naar huis rijdt, wordt het wel een beetje schrijnend, ja. Maar als je iets echt voelt, wordt het bijna nooit te sentimenteel.”
Je hoeft daarbij niet hetzelfde te voelen als de oorspronkelijke zanger. „Als Gillian Welch over de duivel zingt, denk ik niet aan de duivel. Ik kan denken aan hoeveel pijn er in de wereld is. Je kunt over het ene zingen en iets anders voelen.”
Wachtend op de dood. Première 9 oktober, De Kleine Komedie.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie