Home

Ernst in alle toonaarden

Die brieven van de dichter C.O. Jellema, Letterlijk bewijs van een geleefd bestaan, wat lees ik ze graag. En wat vormen ze een wonderlijke en tegelijkertijd bevredigende tegenhanger van The Correspondent van Victoria Evans, waarin de fictieve Sybil Van Antwerp ook allerlei brieven schrijft aan verschillende geadresseerden. Ik snap wel dat iedereen dat boek leest.

Dat van Jellema (1936-2003) zou ook veel lezers verdienen. Al is het niet echt ‘van’ Jellema, het gaat om een keuze uit zijn brieven aan wel dertig verschillende personen, gemaakt door de onvermoeibare Gerben Wynia. Er staat veel in wat ik goed kan begrijpen, over kinderloosheid, over de vreugde van het scheppen, over hoe men zichzelf bij gedeprimeerdheid overeind houdt door ijverig te tuinieren (iedereen weet dat een werkje doen beter helpt dan lezen, muziek luisteren of, het slechtst van alles: nadenken). Er is daarnaast van alles onherkenbaar, maar dat is juist goed, je wilt geen brieven lezen die als het ware van jezelf zouden kunnen zijn.

‘Door de ander leer je jezelf een beetje kennen, de ander geeft je je identiteit. Daar heb je wat je wilt: de vorm die je bent’ schrijft Jellema ergens. Hij bedoelt het dagelijkse contact met de ander met wie hij/men leeft, maar bij uitbreiding elk contact met een ander mens, bijvoorbeeld in deze brieven. Dat is misschien wel een van de aardigste dingen aan een brievenuitgave die nu juist niet aan één persoon gericht is: dat je ziet en leest dat iemands toon, die je toch wel degelijk tot een belangrijk onderdeel van zijn of haar persoon rekent, verandert met de verschillende correspondenten. En daarmee ook iets van de aan hem of haar toegedichte identiteit.

Dat is ook knap gedaan door Evans, haar Sybil is tegen sommige mensen kortaf, tegen andere juist zeer uitvoerig en er is één geadresseerde aan wie ze veel vrijer lijkt te schrijven dan aan alle andere, alsof ze tegenover diegene geen voorbehoud hoeft te maken.

Ook Jellema heeft één correspondent tegenover wie hij echt een andere toon aanslaat, een jongere vriend, Max Woppenkamp genaamd. Daar is de vaak wat vormelijke Jellema losser van toon: ‘Hebt ge uw wintergarderobe al uit de mottenzak tevoorschijn en gekeurd? Of ook iets nieuws voor feestelijke dagen?’.

Tegelijkertijd schrijft hij aan hem open en oprecht, zijn ernst kwam nu eenmaal altijd door alles heen, je ziet dat in al zijn brieven. Niet iedereen hield daarvan. Ik wel. Onthutsend en ontroerend is de herinnering die hij tegenover Max ophaalt aan hoe zijn moeder reageerde toen hij haar vertelde welk meisje hij als ‘dame’ voor het schoolbal van 1951 had gevraagd (‘maar wat moest ik met een dame, toen al’), ze zei ‘Een jodinnetje, Cor, een jodinnetje – zijn er geen andere meisjes in je klas?’  Jellema is er nu, meer nog dan toen, ellendig van. Toen wist hij niet wat hij nu net ontdekt heeft: dat dat meisje in de oorlog ondergedoken had gezeten, dat haar ouders waren vergast, dat haar twee zusjes die bij hem in de klas zaten, teruggekomen waren uit een concentratiekamp, ‘ – en wij wisten dat niet. Een jodinnetje, Cor, een jodinnetje? – Ik kan daarom huilen, Max, nu; beseffend waar een mens, een kind aan voorbij kan leven.’

Meer zegt hij er niet over. Soms denk ik dat ernst, zonder sentiment, zonder onze neiging om alles dik aan te zetten, ondergewaardeerd wordt. Gewoon de goede woorden kiezen, zoals ik laatst een vrouw van ongeveer Jellema’s geboortejaar hoorde doen op een begrafenis; niet: ‘Ik zal hem verschrikkelijk missen’, maar juist ingehouden aangrijpend: ‘Ik betreur zijn dood zeer.’

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Literatuur

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next