Essaybundel Vanuit haar optiek als dochter schreef Rachel Aviv journalistieke verhalen zonder oog te hebben voor de tragiek van het moederschap. Een aantal van die oude verhalen herschreef ze nu, met toegevoegde informatie om haar omissies recht te zetten.
Het schilderij ‘Moeder en dochter’ van Edvard Munch, ca. 1897.
Rachel Aviv: Onverbreekbaar. Verhalen over moeders en dochters. (You Won’t Get Free of It) Vert. Henny Corver en Ineke van den Elskamp. Atlas Contact, 256 blz. € 23,99
„Mijn moeder stimuleerde me mijn dagboek te zien als een middel om op afstand met haar te communiceren”, schrijft de Amerikaanse journalist Rachel Aviv (1982) in het voorwoord van haar nieuwe bundel Onverbreekbaar. Verhalen over moeders en dochters. Dat idee, dat je door middel van een dagboek met je moeder zou kunnen, of misschien wel zou moeten communiceren, fascineert Aviv. Wanneer wordt de zorg verstikkend en de liefde ondraaglijk?
Als kind ervoer Aviv al de dubbelzinnigheid van deze verstrengeling. Op tienjarige leeftijd schreef ze haar eerste ‘roman’ en begon het verhaal met „een bijna hysterische poging om de fantastische relatie tussen de jonge heldin en haar moeder te verwoorden”. Uiteindelijk sterft de moeder in het verhaal tijdens haar slaap aan een hartstilstand. Achteraf ziet Aviv dit als een eerste poging om zowel haar grootste angst als haar grootste verlangen uit te drukken, namelijk „een einde aan die overweldigende, slopende versmelting” tussen zichzelf en haar moeder.
Op latere leeftijd, wanneer Aviv schrijver is geworden, ontdekt ze bij haar moeder iets wat ze „referentiewaan” noemt, een term uit de psychiatrie die verwijst naar de rotsvaste overtuiging die iemand kan hebben dat neutrale gebeurtenissen of opmerkingen een specifieke, persoonlijke betekenis krijgen. Haar moeder, die aanvankelijk alle stukken van Aviv als een schooljuf van commentaar voorzag, gaat de reportages, naarmate ze langer worden, steeds persoonlijker nemen. Zo meent ze na een stuk over de Amerikaanse schrijfster Alice Munro en het seksueel misbruik van Munro’s dochter, dat zij óók, net als Munro, gefaald zou hebben om haar dochter te beschermen tegen seksueel geweld. Ze doet alsof Aviv niet over Munro schreef, maar over háár.
Aviv veralgemeent deze eigenschap van haar eigen moeder en schrijft: „Moederschap zou je een soort chronische referentiewaan kunnen noemen.” Dat ze zoiets alledaags als moederschap in psychiatrische termen beschrijft, raakt aan de kern van al Avivs werk. Steeds onderzoekt ze de grens tussen wat we normaal vinden en welk gedrag we als afwijkend beschouwen. Door het alledaagse in verband te brengen met de psychiatrie, laat Aviv zien dat die grens vaak dunner is dan we denken.
Dat laatste was ook al het geval in de essays in haar veelgeprezen debuut Vreemden voor onszelf. De verhalen die we onszelf vertellen (2023), waarin ze vijf mensen volgt die verstrikt zijn geraakt in de wereld van de psychiatrie. Ook in haar nieuwe bundel gaat het gros van de essays over psychische verwarring met verstrekkende gevolgen. Bijvoorbeeld het eerste verhaal over de drieëntwintigjarige Hannah Upp die last heeft van dissociatieve fugues (vluchten): een zeldzame aandoening waardoor ze plotseling dagenlang verdwijnt, gaat dwalen en weer opduikt zonder zich ook maar iets te herinneren van wat er is gebeurd.
Na een aantal van deze episodes duikt ze niet meer op en laat ze haar moeder in blijvende onwetendheid achter. Toen ze het verhaal in 2018 scheef, zag Aviv Hannahs aandoening als „een extreme manifestatie van wat wij als twintigers die met onze identiteit worstelen allemaal doormaken”. Pas nu ze zelf moeder is, kan ze zich beter in de positie van de moeder verplaatsen en begrijpt ze de pijn die wordt veroorzaakt door „de onmogelijkheid je kind te kunnen lokaliseren en te kennen”. Iets waar iedere moeder tot op zekere hoogte mee te maken krijgt zodra een kind op eigen benen staat.
Aanvankelijk schreef Aviv deze verhalen – die eerder in The New Yorker verschenen – vanuit haar optiek als dochter zonder oog te hebben voor de tragiek van het moederschap. Voor deze bundeling herschreef ze sommige essays, voerde nieuwe gesprekken, voegde nieuwe informatie toe, om deze zelf bevonden omissie recht te zetten. Het levert verhalen op die tegelijkertijd over veel meer dan gaan dan enkel de relatie tussen moeder en dochter. Zo komt de betrouwbaarheid van ons geheugen aan de orde in het verhaal over Elizabeth Loftus, een invloedrijke hoogleraar psychologie die met haar onderzoek naar de veranderlijkheid van onze herinneringen Harvey Weinstein bijstond tijdens zijn rechtszaak. Of over de erbarmelijke omstandigheden van ongedocumenteerde arbeidsmigranten in New York, zoals in het verhaal over de Filipijnse Emma die naar New York emigreerde om daar als nanny haar geld te verdienen.
Ook al ligt de focus in deze essays vaak op de moeder-dochterrelatie, de grote kracht van Avivs werk is dat zij, bij alles wat ze schrijft, telkens oog blijft houden voor alles wat de mens drijft. In haar essays mogen verschillende waarheden naast elkaar bestaan. Dit geldt bijvoorbeeld voor het verhaal van Mary, moeder van twee dochters, die twintig jaar lang zonder resultaat werd behandeld voor psychotische symptomen tot ze plotseling een behandeling moest ondergaan voor een lymfoom, een vorm van kanker. Dankzij een combinatie van chemotherapie en rituximab, een medicijn tegen antilichamen die betrokken zijn bij de immuunrespons van het lichaam, verdwenen haar symptomen. Dat betekende echter niet dat alles weer normaal werd, stelt Aviv. „Wanneer iemand herstelt van een geestesziekte volgt er ook een soort narratieve collaps, een confrontatie met het verleden dat onherkenbaar is geworden.” Dat gold niet alleen voor Mary, maar ook voor haar dochters die na twintig jaar opnieuw hun moeder moesten leren kennen.
Ook is er het verhaal van Linda Bishop, een alleenstaande moeder die met een bipolaire stoornis met psychose werd opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waar ze gek werd van alle beperkingen. Na haar ontslag besloot ze een tijdje ‘onzichtbaar’ te worden en belandde ze in een verlaten boerderij, waar ze maandenlang op appels uit de boomgaard leefde tot ze in de winter overleed. In de periode daarvoor noteerde Bishop haar belevenissen in een boekje dat, naast de vele gesprekken die Aviv met betrokkenen voerde, een essentiële bron werd voor de reconstructie van Bishops leven.
Het valt op dat Aviv regelmatig gebruik maakt van dagboeken die door haar personages zijn bijgehouden. Met haarscherp oog voor detail gebruikt ze citaten als literair middel om de verhalen zo te reconstrueren dat de lezer niet anders kan dan begrip voelen. Dat ze graag met andermans dagboeken werkt, komt wellicht ook doordat ze haar eigen dagboeken van jongs af al zag als een manier om zich te verbinden met haar moeder. Nu verbindt ze zich, via die dagboeken, op een overtuigende manier met haar personages. Alsof ze via de verhalen van anderen zo de ambiguïteit in zichzelf leert te begrijpen. Het resultaat is een bijzonder rijk boek.
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie