Home

De mens als bekentenisbeest

Op 29 september 2026 werd mijn moeder honderd jaar. Althans, dat zou zij bij leven zijn geworden, ze is alweer lang dood. De Franse filosoof Michel Foucault was een maandje jonger dan mijn moeder, hij wordt de komende 25 oktober ook honderd jaar, en ondanks zijn dood in 1984 leeft hij nog steeds in collegezalen, bibliotheken, op conferenties en in wetenschappelijke tijdschriften. Hij heeft intussen al twee of drie generaties doordesemd van zijn denken. Ik las Foucault toen hij nog leefde, en ben dat daarna blijven doen. Het was meteen innige verwantschap.

Er was bij de Amsterdamse politicologen eind jaren 70, begin 80 sprake van een tamelijk eenzijdig marxistisch dieet. Ik herinner me teksten van Louis Althusser – overigens bevriend met Foucault: deze neomarxist zou cynisch genoeg beroemder worden door de moord op zijn vrouw dan door zijn kritieken op de ‘ideologische staatsapparaten’. Wij studenten kauwden erop als Brinta zonder melk. En toen kreeg ik boeken van Foucault onder ogen, en las ik een filosoof die me verleidde, die knipoogde tussen de woorden; het was een verademing. Ik snap heel goed dat mensen ‘in’ Foucault raakten, zoals eerdere generaties ‘in’ Marx en Nietzsche. Zijn schrijfstijl was romig, zoals Franse sausen toen nog romig waren, maar er zat ook een ritme in, een cadans. En dan was hij ook nog eens onderkoeld geestig. Ik citeer uit De wil tot weten, uit 1976: „(…) Ik veronderstel dat men het met mij eens zal zijn (…) dat het vertoog over de seks sedert inmiddels drie eeuwen eerder is toe- dan afgenomen (…)”.

Dit gaat over Foucaults Geschiedenis van de seksualiteit, en op het moment dat Foucault dit scheef was bijna niemand het met hem eens. We hadden het Victoriaanse tijdperk verslagen, de seks was decennialang onderdrukt en moest nu bevrijd worden; de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming (NVSH) schreeuwde het vanaf 1946 van de daken. En dan stelt Foucault plompverloren dat al dat openlijk spreken en die vrijgevochten seksuele praktijken in ‘hervormd verband’ evenzovele manieren zijn om de seks onder toezicht te stellen. Wij ‘bevrijdden’ ons seksuele zelf niet na de oorlog, wij groeven als archeologen steeds dieper, op zoek naar onze hoogsteigen ware seks.

We werden volgens Foucault „bekentenisbeesten”: mensen die pas mogen handelen als ze keurig hun seksuele identiteit en hun gender erbij leveren, alsof het gaat om een echtheidscertificaat van een oud, teruggevonden kunstwerk. Zelden werd de leuze van de ‘bevrijde seksualiteit’ zo bevrijdend doorgeprikt als door Foucault. „Ik veronderstel dat men het met mij eens zal zijn…”.  Dat is nog eens bluffen.

En anders dan zijn tegenstrever Jean Paul Sartre, icoon van de generatie daarvoor, bleef Foucault politiek ongrijpbaar. Bij de gemarginaliseerden en minderheden lag zijn sympathie, maar in 1981 rekende de Duitse filosoof Jürgen Habermas hem tot de Jungkonservative – en dat was bepaald niet bedoeld als opsteker. Foucault was een sloper, geen bouwer: eindeloos kritiseerde hij de liberale westerse democratieën, die met hun complexe ‘verzorgingsstaat’ alleen maar meer surveillance uitoefenden op hun burgers.

Maar hoe moest het dan wel? Er ligt een gapend gat in het politieke denken van Foucault, dat in 1979 pijnlijk aan het licht kwam. Toen Khomeiny in Iran de macht overnam, juichte Foucault dat toe als een ‘spirituele revolutie’. Ook in de laatste jaren van zijn leven kwam hij hier niet op terug, terwijl de islamistische terreur alleen maar toenam.

Het gat van Foucault is wat filosoof Luuk van Middelaar zijn ‘politicide’ noemt, zijn moord op het politieke. De liberale democratie, de rechtstaat, ze werden door Foucault gevisiteerd, vast van plan smokkelwaar te vinden. Van enige verdediging van diezelfde liberale staat kon geen sprake zijn. In het eigen Europese huis werd elk controlemechanisme onderzocht, maar Iran blaakte in een weldadig licht.

De Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss had voor dat type westerse mens een afdoende typering: „Kritisch thuis, conformist in den vreemde.” Hij werd geen honderd, Foucault, hij werd 57 jaar en stierf uiteindelijk aan de gevolgen van aids. Ook daarover zweeg hij in 1984. „Silence is death” stelde de Aidsbeweging als contrast. Maar die stilte was ook typerend voor Foucaults weigering om op het laatste moment alsnog een ‘bekentenisbeest’ te worden.

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Seks en seksualiteit

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next