Met zijn smakelijke Veluwse accent sprak radioreporter Arend Vinke de taal van het volk. Hij was geliefd bij zijn luisteraars, mede door zijn aandoenlijke verhaspelingen van buitenlandse namen. Maar achter die enthousiaste stem ging een bewogen leven schuil.
Hoewel Arend Vinke al jaren geen geldige sportperskaart meer had, kwam hij overal zonder problemen binnen, zeker bij de voetbalclubs in Gelderland en Overijssel. Waarschijnlijk volstond de zelfgemaakte sticker van de NOS of Omroep Gelderland op zijn auto. En anders knepen de stewards wel een oogje toe, omdat ze een zwak hadden voor die man met het zware Veluwse dialect en zijn bewogen levensverhaal.
Vinke, die 16 augustus op 87-jarige leeftijd overleed, was niet alleen de oudste sportjournalist van Nederland, maar waarschijnlijk ook de meest bedrijvige. Voor tal van omroepen en regionale platforms verzorgde hij verslagen en statistieken van prof- en amateurwedstrijden. Soms was hij zo druk dat de trainers hun persconferentie bij PEC even moesten staken, omdat Vinke een uitslag diende door te bellen. ‘Maar hij kwam ermee weg’, zegt PEC-persvoorlichter Paul Schrijver. ‘Iedereen had een zwak voor Arend.’
De Volkskrant profileert regelmatig bekende en onbekende, kleurrijke Nederlanders die onlangs zijn overleden. Wilt u iemand aanmelden? postuum@volkskrant.nl
Voor de verslaggever uit Epe was voetbal meer dan een passie; het was zijn manier van overleven. Toen zijn vrouw in 2009 overleed na een medische misser, was hij na 38 jaar huwelijk ineens helemaal alleen. Geen partner, geen kinderen, geen broers of zussen. Alleen het voetbal was er nog, en zijn dieren.
Zeker in zijn laatste jaren verscheen hij steeds vaker ook op niet-wedstrijddagen bij PEC Zwolle voor een kop koffie. ‘Die gesprekken verliepen volgens een vast patroon’, zegt Schrijver. ‘Dan vroeg je hoe het ging en zei hij: ‘Een drama, jongen, ik sta er helemaal alleen voor.’ Maar meestal schakelden we snel over op voetbal. Daarover raakten we nooit uitgepraat.’
Vinke groeide op in Heerde als enig kind in een strenggelovig gezin. Hij werkte als onderhoudsmonteur, tot plaatsgenoot Dick van der Veen (RTV Oost) hem meenam naar sportwedstrijden, zoals de Tour de France. ‘Arend had iets wat ik miste: lef’, zegt hij. ‘Stond Erik Breukink met de NOS te praten, dan trok Arend hem gerust weg voor een interview met mij.’ Zo rolde Vinke haast vanzelf in de sportjournalistiek.
Als radioverslaggever had hij qua stijl wel iets weg van Theo Koomen. Zittend op de perstribune zag Schrijver hoe Vinke de wedstrijd voor de luisteraars van RTV Nunspeet vaak net wat spannender maakte dan die in werkelijkheid was. Daarbij gaf zijn dialect de verslagen kleur. Van der Veen: ‘Hij sprak de taal van het volk, mensen vonden dat prachtig.’
Zeker toen het voetbal internationaler werd, kreeg Vinke steeds meer moeite met buitenlandse namen. Toen de Japanse verdediger Yuta Nakayama in 2020 de late gelijkmaker tegen FC Utrecht scoorde, klonk dat op de radio zo: ‘3-3 na die voorzet van Johnsen! Dan moet ik even kijken wie er scoorde… Eens kijken hoor. O, het is de man met de moeilijke naam, jongens: Nakamoeriemima!’
Het aanbreken van de coronaperiode betekende een nieuwe klap. Schrijver: ‘Een interlandweekend vond Arend al lastig, omdat er dan niet werd gevoetbald, laat staan dit.’ Dat hij niettemin lichtpuntjes bleef zien, dankte hij voor een groot deel aan de dieren die hij opving: een mishandelde eend, twintig duiven, een achtergelaten poes en een Roemeense straathond.
Tijdens fietsritjes in de regio wipte Schrijver de laatste tijd nog wel eens bij Vinke aan. Hij zag de gezondheid van de verslaggever achteruitgaan. De thuiswedstrijd tegen Heracles, eind vorig seizoen, bleek uiteindelijk de laatste die Vinke bezocht, achter de rollator.
Ruim een jaar eerder zette de club Vinke in het zonnetje, tijdens een wedstrijd met speciale aandacht voor eenzaamheid onder ouderen. Uit handen van de aanvoerder Davy van den Berg kreeg hij diens shirt cadeau. Vinke was zichtbaar verguld, maar draaide er die avond niet omheen: ‘Zonder voetbal was ik hier helemaal niet meer geweest.’
Source: Volkskrant