Home

‘Kijk naar welke voedselproductie in een gebied wél werkt, in plaats van vast te houden aan zoveel mogelijk’

Jannemarie de Jonge | landschapsarchitect Voedselzekerheid gaat verder dan een noodpakket voor acht dagen. Kijk naar het „talent” van een gebied, en pas daar je productie op aan, zegt Jannemarie de Jonge. „Meer plantaardig en minder dieren is een no brainer”.

Landschapsarchitect en voormalig Rijksadviseur voor de Leefomgeving Jannemarie de Jonge.

Wat als de stroom langdurig uitvalt of de havens platliggen door een cyberaanval. Heeft Nederland dan genoeg te eten? Als het over voedselzekerheid gaat, gaat het vaak over extreme situaties. Zoals half september, toen Instituut Clingendael adviseerde om niet voor drie maar voor acht dagen houdbaar voedsel in huis te hebben.

Maar voedselzekerheid vraagt ook om een landbouwsysteem dat vol te houden is en dus om ruimtelijke ordening, zegt Jannemarie de Jonge, landschapsarchitect en voormalig Rijksadviseur voor de Leefomgeving. „Eigenlijk heel raar dat we daar niet meteen aan denken.” De Jonge zegt dit in een videogesprek, nadat ze eerder haar visie met de Tweede Kamer deelde.

De geschiedenis laat volgens De Jonge zien hoe belangrijk ruimtelijke ordening is voor voedselzekerheid. Na de Tweede Wereldoorlog moest de voedselproductie omhoog, en daarvoor was grootschalige ruilverkaveling nodig. „Dat ging niet zonder weerstand. Er was bijna geen gebied dat toen niet door ruilverkaveling op de schop ging.” Net als toen, zegt De Jonge, is nu de vraag hoe Nederland de voedselvoorziening ook voor toekomstige generaties kan veiligstellen, en hoe Nederland er dan uitziet.

Lang draaide alles om productiemaximalisatie en schaalvergroting. Maar inmiddels, stelt De Jonge, zijn de kosten van de Nederlandse voedselproductie voor mens, natuur en milieu hoger dan de baten. „De ruimte is begrensd. Als je de grenzen van de planeet serieus neemt en een gezonde leefbare omgeving wilt, is de vraag: hoe kun je intelligent, ruimtelijk gestuurd, saneren en herinrichten?”

Het begint, zegt De Jonge, met het onderscheid tussen ‘bodemgebonden’ en ‘gebouwgebonden’ voedselproductie.

Bij grondgebonden landbouw is de productie afhankelijk van de beschikbare grond, zoals bij melkvee of akkerbouw. Waarom noemt u het bodemgebonden landbouw?

„Ik zeg liever ‘bodem’, omdat het gaat om de kwaliteiten van de bodem op een bepaalde plek. De bodem is niet een soort steriel substraat waar je naar believen water, kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen bij kunt doen. Zonder gezonde bodems, zonder gezonde ecosystemen en een gezonde leefomgeving, bestaat er geen duurzame voedselproductie. We leven in een vruchtbare delta, maar zoals Johan Remkes al zei in zijn stikstofrapport: niet alles kan overal. Rivier- en zeeklei zijn geschikt voor efficiënte en hoogproductieve productie voor menselijke consumptie. Maar op kwetsbare zandgronden en veenweidegebieden zal voedselproductie overwegend extensief moeten – met minder kunstmest en voor de veehouderij minder dieren per hectare.”

Kassen met tomaten, komkommers en paprika’s zijn voorbeelden van wat u noemt gebouwgebonden agroproductie.

„Ja, de glastuinbouw is ooit ontstaan op plekken waar tuinderijen waren, zoals het Westland. Kassen hebben die bodem niet meer nodig. Toch kun je ze niet overal neerzetten. In deze tijd, waarin we van het gas af gaan, kijk je naar plekken waar aardwarmte zit, of industrie met restwarmte.

„Bij glastuinbouw is het vanaf eind jaren tachtig behoorlijk goed gelukt om vanuit ruimtelijke ordening te sturen: om grote kassen bij elkaar te zetten waar dat goed kon, en kleine kassen versnipperd over het land te saneren. Ik denk dat dat lukte omdat kassen zo zichtbaar zijn, en daardoor als industrieel en stedelijk worden gezien. Dat maakt sturing logischer.”

Logischer dan bij varkens en kippen, die vaak ook meer aan gebouwen dan aan grond gebonden zijn?

„De intensieve veehouderij heeft zich ontwikkeld in gebieden waarvan we nu zeggen: dat zijn niet altijd de beste plekken. Op zandgronden, waar ook veel mensen wonen, vlak bij kwetsbare natuur. Na de uitbraak van dierziektes in de jaren negentig heeft de overheid geprobeerd om de sector te saneren en herstructureren. Op een paar verplaatsingen na is dat jammerlijk mislukt. Beleidsmakers zagen het te véél als een ruimtelijk vraagstuk, we hebben toen verzuimd om het fundamentele maatschappelijke gesprek te voeren over de intensieve veehouderij in een dichtbevolkt land als Nederland. Niet alleen met de mensen in het landelijk gebied, maar met de hele samenleving.”

Het debat gaat veelal over wat allemaal níét kan. Wat kunt u daar tegenover zetten?

„Kijk naar de talenten van een gebied, de optelsom van wat er van nature al is – zoals de bodem – en van bijvoorbeeld kennis, logistiek en energie. De Zeeuwse polders hebben andere talenten dan Wageningen, met zijn concentratie aan wetenschappelijke kennis en start-ups. Het is een grote rijkdom dat Nederland op zo’n klein oppervlak zo’n grote diversiteit aan talenten heeft, maar talenten veranderen met de tijd. Je moet de juiste voedselproductie op de juiste plek organiseren.”

De Jonge schetst hoe dat er door de oogharen uitziet, met in haar achterhoofd het recente rapport ‘Toekomstbeelden voor de landbouw‘, waaraan haar opvolger meewerkte: op zee- en rivierklei en op zavel is volop ruimte voor hoogproductieve landbouw – denk aan aardappelen, tarwe of bonen, en grasland voor koeien. In veenweidegebieden, beekdalen en rond kwetsbare natuur zie je bodemgebonden bedrijven, die extensiever werken en hun inkomen deels halen uit landschapsbeheer, natuurherstel, zorg of recreatie. Aan de rand van de stad kun je je high-tech kassen voorstellen, gemeenschappelijke tuinderijen en misschien ook kweekvleesbedrijven.

Waar blijven de varkens en de kippen, de intensieve veehouderij, in dit plaatje?

„Er zijn wel geschikte plekken waar je verder kan, zoals Kipster nu doet, met tienduizenden kippen in een gesloten, dierwaardige, circulaire stal. Maar voor intensieve veehouderij heb je ook veel areaal nodig om veevoer te verbouwen. Je wilt niet afhankelijk zijn van veevoer uit verre landen voor je voedselzekerheid. Tegelijk is het echt ruimteverspilling om in Nederland vruchtbare grond voor veevoer te gebruiken, als je er ook mensen van kunt laten eten. De puzzel voor de optimale verdeling tussen intensieve en bodemgebonden voedselproductie zul je op Europese schaal moeten leggen. Maar in Nederland ontkom je voor de intensieve veehouderij niet aan intelligent, ruimtelijk gestuurd saneren.”

Saneren betekent dat boeren weg moeten.

„Die pijn hebben we al. En al heel lang, door de enorme schaalvergroting. Ik denk dat er door extensiveren én verbreden juist meer banen op boerderijen komen. Er zijn ook mensen nodig die bijvoorbeeld de boerderijwinkel of de kinderopvang runnen. Boeren die zoveel mogelijk willen produceren, zoeken hun heil al elders, in Oost-Europa, zoals boeren in de jaren vijftig naar Canada of Australië trokken.”

De meeste boeren willen niet weg. Misschien is er ook zoiets als emotioneel gebonden landbouw.

„Absoluut, en de verbondenheid aan een plek gaat vaak gepaard met een groot gevoel van verantwoordelijkheid. Dat maak ook ontzettend creatief en innovatief. Ik moet denken aan de boerderij Vaderland aan de Dommel bij Eindhoven, waar een boerendochter en haar man de melkveehouderij van haar vader hebben omgebouwd tot een gastronomisch erf. Zij hebben gekeken naar wat op de Brabantse zandgronden maatschappelijk en economisch wel werkt, in plaats van vast te houden aan zoveel mogelijk produceren.”

Kun je met hoogproductieve, intensieve landbouw niet juist land sparen voor natuur?

„Het wordt vaak als een keuze voorgesteld: óf land sharing, extensieve landbouw in combinatie met natuurbeheer, óf land sparing, het scheiden van landbouw en natuur. Maar ik zie het als een continuüm, met aan de ene kant gecontroleerde teeltsystemen waar dat past, en aan de andere kant boeren met veel minder vee, die koolstof vastleggen op kruidenrijk grasland, aan waterbeheer doen, maatschappelijke diensten verlenen. Want je kunt onze veenweidegebieden wel tot moerasbossen laten dichtgroeien, maar er zal altijd behoefte zijn aan cultuurlandschap waar het ook prettig toeven is, waar je nog eens een koe ziet als je aan het fietsen bent.”

Per saldo produceert Nederland dan minder voedsel. Dus: minder voedselzekerheid.

„Dat is een drogreden. Als je begint met de gezondheid van mensen, en kijkt naar adviezen voor een gezond eetpatroon binnen de grenzen van de planeet, kom je op een heel andere verhouding tussen plantaardig en dierlijk. Ik kreeg vroeger elke dag vlees, maar dat waren kleine balletjes, hoor, waar mijn moeder heel wat havermout doorheen deed. Met minder vlees en zuivel, als je gewassen niet eerst aan dieren geeft, lossen we een enorm ruimtelijk probleem op. Dat is een no brainer.”

Als Nederland minder produceert, gaat de productie naar het buitenland, waar ze minder duurzaam werken.

„Nou, ik heb een neef die superintelligente high-tech systemen voor glastuinbouw verkoopt en die reist de hele wereld over. Daar verdien je veel meer mee dan met tomaten en komkommers. Wat ik daarmee wil zeggen: met export van primaire productie leveren we een kleinere bijdrage aan het wereldvoedselvraagstuk dan met kennis waarmee boeren elders duurzaam voedsel produceren. De vraag die de politiek moet beantwoorden is: wat voor land willen we nu eigenlijk zijn?”

Wat hoort u van boeren u als dit verhaal vertelt?

„Het is niet de boer die zo graag meer wil produceren. Het is de achterliggende keten, van veevoerproducenten, slachthuizen, vleesverwerkers, zuivelaars. Daar zit de krimp, dus daar zit de pijn. Als je een boer vraagt: wil je met hetzelfde inkomen een ontspannen bedrijfsvoering met minder dieren, en minder commentaar uit de samenleving omdat je dingen doet die bij het gebied passen – nou, ik moet de boer nog tegenkomen die dan nee zegt.”

CV Jannemarie de Jonge

Jannemarie de Jonge was Rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving van 2020 tot 2025. Ze is landschapsarchitect, werkte voor gemeenten en provincies en als onderzoeker aan de Wageningen Universiteit. Ze is ambassadeur van het Collectief Natuurinclusief en voorzitter van het Natuurinclusief Nationaal Overleg.

Jannemarie de Jonge: „Ik denk dat er door extensiveren én verbreden juist meer banen op boerderijen komen.”

Maak NRC jouw voorkeursbron op Google

Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten.Meer informatie

Landbouw en veeteelt

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next