In een concertzaal in Jordanië komen bekenden uit Gaza elkaar tegen, staan ze stil bij de tienduizenden doden en vieren ze hun Palestijnse identiteit. ‘Het is belangrijk dat we hier zijn.’
Gelet op de toegestroomde bezoekers in het Amman Academy-theater zou je denken dat er een dresscode is. Jong en oud, man en vrouw: vrijwel iedereen draagt een keffiyeh om de schouders, de klassiek Palestijnse, zwart-wit geblokte sjaal. Het is Palestina dat de klok slaat deze maandagavond, of eigenlijk Gaza. Op het programma staat een benefietconcert van de tienkoppige band Sol, opgericht en groot geworden in datzelfde Gaza.
Terwijl de bandleden zich backstage omkleden, zoeken de bezoekers hun roodfluwelen stoelen op. De zaal roezemoest. Onder hen veel Jordaniërs van Palestijnse komaf, zoals de 63-jarige Reem Abu Sitta, naar eigen zeggen een vast gezicht bij solidariteitsbijeenkomsten. Haar vader kwam uit Bir al-Sabi, het latere Be’er Sheva (Israël), werd in 1948 verdreven naar Gaza, en belandde met een omweg in buurland Jordanië, waar de ruime meerderheid tegenwoordig Palestijns is. ‘Ik ben hier geboren’, vat ze haar dubbele identiteit samen, ‘maar mijn familie is daar geworteld.’
Het is de week van 7 oktober, precies drie jaar na de terreuraanval van Hamas en de daaropvolgende genocidale campagne van Israël, en dus willen Jordaniërs zich van hun meest solidaire kant laten zien. Sol is een ensemble met een groeiende naamsbekendheid; het tourde door de Arabische wereld, Spanje en Noorwegen, en dook vorige maand op in Amsterdam. Afgezien van een van de bassisten, een Bask, komen de bandleden allemaal uit Gaza.
Even na half negen: een klaterend applaus. Leadzangeres Rahaf Shamaly, pas 23, schrijdt het podium op in een prachtige jurk met – hoe kan het anders – Palestijns borduurwerk. Zoals nagenoeg de hele band was ze in Gaza toen de oorlog begon. Ze moest haar huis ontvluchten, verloor twee collega-muzikanten (beide gedood bij Israëlische bombardementen), maar bleef stug optreden. Nieuwe liedjes kwamen tot stand ‘in tent nummer 4’, de geïmproviseerde tent van de band in de zuidelijke stad Rafah.
Pas in april 2024 wist Shamaly met vier andere leden de grens over te vluchten naar Egypte en vandaar naar Qatar, om uiteindelijk in Baskenland te belanden, haar huidige woonplaats. Na afloop van het concert vertelt ze dat ze broodwinner is voor dertien mensen die in Gaza zijn achtergebleven, onder wie haar broer en haar zes zussen.
Net als de andere leden van Sol voelt ze een verantwoordelijkheid om het Palestijnse verhaal te vertellen, vervolgt de zangeres. ‘Andere mensen kunnen dat nu niet. Ze zijn bezig met water zoeken, of een dak boven hun hoofd. Mijn vader zei: ‘Ik wil nu geen Palestina, ik wil brood.’ Wij hebben de luxe en de macht om te spreken, dus moeten we dat ook doen.’
Op het podium alterneren de liedjes tussen trots en smart. Er is de pijn van de tienduizenden doden en de verwoesting, maar ook een aan bravoure grenzende uitbundigheid. Zie ons eens staan, we hebben het overleefd, we zijn er nog. ‘Het is belangrijk dat we hier zijn’, zegt Shamaly vanaf het podium. ‘Want alleen al ons bestaan is hen (Israël, red.) een doorn in het oog.’ Bij die laatste woorden, en haar glimlach, beginnen de toeschouwers te klappen en te fluiten.
Hun grootste hit, Raweq wa haddy (‘Ontspan je, rustig aan’), is één brok optimisme. ‘De prachtige dagen komen terug, zeker weten’, zingen Shamaly en collega-vocalist Hamada Imad. ‘Laat al je verleden achter je/ Je hebt nog dagen en jaren/ Blijf gaan voor Palestina!’
De zaal is nu niet meer te houden. Armen worden geheven, stoeltjes verlaten, en achterin ontvouwt een man een levensgrote Palestijnse vlag. Op de vierde rij zit een jonge vrouw, naar later blijkt de schoonzus van de drummer, die met betraande ogen ieder woord meezingt. ‘Het was een grote ontlading’, zal deze Bushra al-Khalidi (37) na afloop zeggen. Ze is er speciaal voor uit Ramallah gekomen, op de Westelijke Jordaanoever. ‘Dit was mijn eerste concert sinds de genocide.’
Bij anderen zijn de emoties zo mogelijk nog groter. Het gaat om zo’n vijftig à zestig landgenoten, eveneens uit Gaza, die vrijkaartjes hebben gekregen. Het zijn vaders en moeders wier kinderen de voorbije jaren naar Jordanië werden geëvacueerd voor een dure (en in Gaza onmogelijke) leukemie- of andere kankerbehandeling. De voorwaarden zijn hard: één ouder per kind, en als de behandeling voorbij is moeten ze terug naar Gaza. Vorige maand maakte het kabinet-Jetten bekend vergelijkbare zorg in Jordanië te willen financieren voor 250 Palestijnse kinderen.
In het Gazaanse vak zit Rania al-Fayoumi (32), een moeder die haar 8-jarige zoontje in het hotel heeft achtergelaten (‘Ik was bang dat hij zich zou vervelen’) en die daar nu spijt van heeft. Liefst zes van haar familieleden kwamen tijdens de oorlog om. Nu voelt ze naar eigen zeggen alles door elkaar heen: pijn én ontlading. Ze huilt aan één stuk door.
Van een ‘gewoon’ concert is de avond intussen veranderd in iets heel anders, een intieme reünie bijna, alsof dit niet Amman is maar een doordeweekse avond in Khan Younis of Gaza-Stad. Twee kleuters (ook uit Gaza) beklimmen ongevraagd het podium, en doen hun dansjes brutaal tussen de bandleden. Zangeres Shamaly herkent tussen het publiek haar oude parfumverkoper, en houdt het zelf ook niet droog. ‘Gaza voor altijd’, sluit ze af. Een uur later, als de zaal allang leeg is, staat ze nog steeds te zingen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant