De filmstudio’s waren in eerste instantie niet enthousiast, maar vijftig jaar na dato blijft het boek over een gepest kind met telekinetische krachten filmmakers inspireren. Waar zit hem dat in?
is tv-recensent voor de Volkskrant en schrijft over film.
Het is anno 2026 haast niet meer voor te stellen, maar in 1976 was Carrie de eerste verfilming van een boek van Stephen King. Inmiddels geldt King als de ‘master of horror’, een van de succesvolste schrijvers op de planeet, wiens boeken meer dan honderd keer zijn verfilmd, van beroemde werken als It, The Shining en The Shawshank Redemption tot minder geliefd werk als Children of the Corn, Firestarter en The Boogeyman.
Begin jaren zeventig is dat monstersucces voor King nog ver weg. In die tijd werkt hij als docent in een stadje in Maine dat hij omschrijft als America’s asshole. Hij woont in een trailer en klust af en toe bij als schrijver voor een mannentijdschrift. Wanneer King een verhaal schrijft over een jong meisje dat met telekinetische krachten wraak neemt op haar pestende klasgenoten, verdwijnt dat verhaal in eerste instantie in de prullenbak. Kings vrouw Tabitha grijpt in: zij vist de velletjes uit de bak omdat het verhaal wel degelijk potentie heeft.
King krijgt het verhaal uiteindelijk verkocht, en vanaf de verschijning in 1974 groeit het boek gestaag uit tot een bestseller. De verkoopcijfers nemen vooral een vlucht nadat het boek in 1976 wordt verfilmd. Van Carrie worden uiteindelijk bijna vier miljoen exemplaren verkocht.
Bij de filmstudio zijn de verwachtingen in die tijd niet bepaald hooggespannen. Regisseur Brian De Palma heeft weliswaar enige faam verworven met films als Sisters, Hi, Mom! en Phantom of the Paradise, maar binnen de studio wordt Carrie toch vooral gezien als exploitatiefilm. Ook tekenend: Kings naam wordt in de eerste trailer gespeld als ‘Steven King’.
Wisten die studiobonzen veel, dat Carrie lovend zou worden ontvangen, een financieel succes zou worden en nog altijd wordt gezien als een van de beste horrorfilms ooit gemaakt. Uiteindelijk krijgt Carrie zelfs twee Oscarnominaties, voor hoofdrolspelers Sissy Spacek en Piper Laurie.
Vijftig jaar later heeft De Palma’s Carrie nog nauwelijks aan kracht ingeboet. Hoewel de toch al wat voyeuristische bril van De Palma in de openingsminuten wel erg verlekkerd langs de jonge, naakte vrouwenlichamen glijdt, staat de film nog altijd als een huis. Onvergetelijk, die permanent angstige ogen van Spacek als die arme, lieve Carrie die totaal niet is opgewassen tegen de horror van de middelbare school en de talloze kwellingen van haar godvrezende moeder.
En wat te denken van het schoolfeest, waar alles gruwelijk uit de hand loopt door een emmer met varkensbloed, de afschuwelijke plug it up!-scène nadat Carrie in de douche voor het eerst ongesteld is geworden, of de slotscène met de hand die omhoog steekt uit het graf? Het zijn meesterlijk gespeelde en geregisseerde scènes, die van Carrie een tijdloze klassieker maken.
Geen wonder dat Hollywood Carrie daarna nooit meer helemaal met rust liet. Er kwam een totaal mislukt vervolg in 1999 (The Rage: Carrie 2) en in 2002 en 2013 werden nieuwe pogingen gedaan om het boek te verfilmen. De film van regisseur Kimberly Pierce uit 2013 is niet eens onaardig, vooral door het sterke acteerwerk van Chloë Grace Moretz en Julianne Moore, maar ook die film had verder weinig toe te voegen aan het origineel van De Palma.
Precies vijftig jaar na verschijning van de eerste Carrie-verfilming is de beurt nu aan regisseur en schrijver Mike Flanagan. Kings boeken zijn vaak lastig te verfilmen, maar Flanagan bewees zich eerder als iemand bij wie gruwelijkheden en empathie perfect in balans zijn. Bovendien blijft het verhaal van King universeel en tijdloos: Carrie is toch vooral het verhaal van de outsider die wanhopig zoekt naar aansluiting, maar daar pesterijen en wreedheden voor terugkrijgt.
Hoewel het verhaal in de kern daarmee nog steeds relevant is, poogt Flanagan met zijn achtdelige serie wel degelijk iets anders te doen dan eerdere verfilmingen. Dat moet ook wel, want een verhaal dat eerder in een vrij strakke 100 minuten werd verteld, kan niet zomaar worden opgerekt tot een serie van acht uur. En dan droomt Flanagan naar eigen zeggen ook nog van liefst drie seizoenen voor zijn Carrie.
Flanagan neemt daarom wat vrijheden met het bronmateriaal, met wat nieuwe personages en andere invullingen van personages die we in eerdere verfilmingen zagen.
Zijn serie is daarmee meer remix dan remake, waarbij Flanagan vooral op zoek is naar meer nuance. Zo is Carries moeder Margaret (gespeeld door Samantha Sloyan) ditmaal meer een overbezorgde complotdenker dan een gemene godsdienstwaanzinnige, zoals in de eerste film. Ook de pestkoppen krijgen meer reliëf, omdat Flanagan in zijn werk meer geïnteresseerd is in de mens achter het monster.
In Flanagans Carrie zijn het allang niet alleen meer de akelige tieners, naargeestige ouders en lakse docenten die Carries leven tot een hel maken, maar komt dat leed juist ook voort uit de uitwassen van de moderne (Amerikaanse) samenleving.
Daarmee bewijst Carrie ook vijftig jaar na verschijning van het boek en de film nog altijd zijn blijvende culturele waarde.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant