Anna van den Breemer schrijft elke week over een alledaags opvoedkundig probleem waarvoor ze een oplossing zoekt.
‘We kunnen helaas niet. We gaan straks naar oma en opa.’ Het was een leugen om onder een afspraak uit te komen. ‘Waarom zeg je niet gewoon eerlijk dat we geen zin hadden?’, vroeg mijn zoon (8) later. Ik legde hem uit dat je soms moet liegen om mensen niet te kwetsen. Gaf ik daarmee het goede voorbeeld of juist niet?
Negen op de tien ouders hebben ooit tegen hun kind gelogen, zo blijkt uit onderzoek. Dat gebeurt vaak in alledaagse situaties, zonder kwade intenties.
Er zijn verschillende soorten leugens. Beschermende leugens komen het vaakst voor, bijvoorbeeld om een kind een beter gevoel te geven. ‘Denk aan overdreven complimentjes’, zegt Rianne Kok, universitair hoofddocent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, die onderzoek doet naar liegen door ouders. Dat je kind drie strepen op een vel papier heeft gezet en je als ouder zegt: ‘Wow, wat prachtig!’
Ook wordt liegen ingezet om negatieve zaken bij het kind weg te houden. Kok: ‘Denk aan mededelingen als: ‘Er komt hier nooit oorlog’ of ‘papa’s en mama’s gaan niet dood’. En dan zijn er nog de instrumentele leugens om iets voor elkaar te krijgen, zoals: ‘Nee, er zit geen ui in de pastasaus’ of ‘de batterij van de iPad is leeg’.’
Of opvoeders zich schuldig voelen verschilt, zegt Kok. Sommige ouders vinden dat liegen écht niet kan, anderen zijn van mening dat de intentie telt en of kinderen erachter komen. ‘En er is een groep die zich er rot over voelt, maar zegt niet anders te kunnen na een lange werkdag.’
Kok en collega’s vroegen wat kinderen vonden van liegende ouders. Vanaf een jaar of acht kunnen kinderen goed een onderscheid maken tussen verschillende typen leugens. ‘Ze snappen dat ouders soms liegen om goede redenen.’
Vanaf de kleutertijd begrijpen kinderen het verschil tussen de waarheid en een leugen. ‘Eerst moeten ze snappen dat hun perspectief verschilt van dat van een ander, ook wel theory of mind genoemd’, zegt Kok. ‘Ze ontdekken: als papa de kamer uit is en ik pak een koekje, dan weet hij dat niet.’ Vervolgens gaan ze daarmee experimenteren. ‘Je kind komt bijvoorbeeld de keuken in met de mededeling: ‘Ik heb níét op de muur getekend.’’ Liegen is in die fase dus een teken van cognitieve ontwikkeling. Daarna leren ze dat je soms liegt om iemand niet te kwetsen. ‘Als tante Petra weer de plank misslaat met het verjaardagscadeau.’
Moeten ouders bang zijn dat hun jokkebrokpraktijken overslaan op het nageslacht? Uit een groot literatuuronderzoek blijkt dat kinderen inderdaad het voorbeeld van de ouders volgen. ‘Uit ons eigen onderzoek naar kleine, dagelijkse leugens zien we dat echter niet terug’, zegt Kok. Het hangt dus ook af van het soort leugen.
In een experiment lieten Kok en collega’s ouders eerlijk vertellen dat ze een tekening van iemand lelijk vonden. ‘Kinderen namen dit gedrag niet over’, zegt Kok. Wel opvallend: na het onderzoek wilden ouders duidelijk maken aan hun kind dat ze in het echte leven nooit zo onvriendelijk zouden zijn. ‘Ze zagen eerlijkheid dus niet als het goede voorbeeld.’
Volgens Kok is het interessant om hier met je kind over te praten. ‘Wanneer lieg je wel en wanneer niet? Het helpt niet om een zwart-witbeeld te schetsen waarin liegen nooit mag en de waarheid altijd het beste is. Dat is niet de wereld waarin kinderen terechtkomen.’
Het is uiteindelijk een afweging van waarden. Je wilt je beleefd opstellen en dat vinden we soms belangrijker dan eerlijk zijn. ‘Daar kun je het samen over hebben.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant