DELFT - Het heeft 'even' geduurd, maar sinds een paar weken rijdt tram 19 van station Delft naar de TU-campus. Hoe is het na ruim twintig jaar gelukt om de tram langs laboratoria te laten rijden zonder gevoelige metingen te verstoren? Emeritus-hoogleraar Pieter Kruit bedacht de oplossing en legt uit hoe het werkt: 'Het is heel simpel.'
Zo’n twintig jaar geleden werd er al volop gegraven op de TU-campus. Het idee was om een tram over de Mekelweg te laten rijden, onder andere langs het laboratorium van Pieter Kruit. Bij de hoogleraar gingen meteen alle alarmbellen af. 'De trillingen en magneetvelden zouden mijn metingen zeker verstoren.'
Maar Regio Haaglanden (nu Metropool Regio Rotterdam – Den Haag) en HTM vonden dat de onderzoekers hun apparatuur zelf maar moesten afschermen. Dat kon met zogenaamde Helmholtzspoelen, een soort kooien van stroomdraden die met een eigen magneetveld de verstoring tegengaan.
'Daar had ik al wel mee gewerkt', vertelt Kruit. 'Dat is gewoon heel erg lastig en duur. Dus ik dacht: je moet het probleem bij de bron oplossen.'
Ongevraagd ging de hoogleraar zelf maar naar de tekentafel. Hij ontwierp een oplossing voor de storende magnetische velden en kreeg uiteindelijk ook MRDH en HTM mee.
Maar wat houdt zijn oplossing in? 'Wat je moet proberen, is om die stroom niet door de bovenleiding aan te voeren, maar op een andere manier', vertelt Kruit.
Om zijn oplossing te begrijpen, moet je eerst weten hoe een gewone tram werkt.
Via het contact op het dak krijgt de tram stroom uit de bovenleiding. Die laat de motoren draaien. De stroom gaat via de wielen en de rails weer terug. Daarbij ontstaat een onzichtbaar magneetveld, wat gevoelige metingen kan verstoren.
In het ontwerp van Kruit begint de stroomtoevoer juist onder de grond. Daar loopt de meeste stroom door een dikke kabel vlak onder de rails. De heenweg en de terugweg liggen daardoor dicht bij elkaar. Pas bij de tram gaat de stroom via de masten omhoog naar de bovenleiding. Dat is zijn eerste truc om het magneetveld te verkleinen.
Dan de tweede truc: de stroom komt van beide kanten naar de tram toe. Daardoor ontstaan magneetvelden die elkaar tegenwerken. 'Die velden heffen elkaar als het ware op', legt de hoogleraar uit. 'Daardoor heeft de meetapparatuur verderop er geen last meer van.'
Om dit opheffingssysteem te laten werken, is één ding heel belangrijk: de stroom moet via de rails terug blijven lopen. Daarom liggen die in een dikke rubberen mat. 'Dat dikke rubber voorkomt dat de stroom de grond in lekt en daar magneetvelden veroorzaakt die de metingen alsnog verstoren.'
Ook de trillingen zijn aangepakt. Twee andere TU-onderzoekers bedachten daarvoor een speciale betonnen onderbouw, zodat de laboratoria minder last hebben van de voorbijrijdende tram.
Kruits oplossing voor de magneetvelden kwam ook buiten Delft van pas. De TU legde zijn uitvinding vast in een patent en het ontwerp is inmiddels ook gebruikt voor de Uithoflijn in Utrecht en een tramlijn in het Zweedse Lund.
Wat het patent tot nu toe heeft opgeleverd? ‘De TU heeft er misschien een half miljoen aan verdiend’, vertelt Kruit. Zelf kreeg hij daar als uitvinder ook een deel van. 'Na aftrek van de kosten gaat een derde naar de uitvinders.'
Nu, zo'n twintig jaar na zijn lumineuze idee, rijdt de tram dus eindelijk over de campus. De inmiddels gepensioneerde Kruit is trots op het resultaat. Maar voor zijn oplossing hoef je volgens hem geen hoogleraar te zijn: 'Het is eerstejaars natuurkunde of misschien zelfs middelbare school.'
Source: Omroep West Den Haag