Er zijn minder mensen die in armoede leven dan tot nu toe werd gedacht. Dat is het gevolg van een nieuwe definitie van armoede die is opgesteld door het CBS, Nibud en het SCP. Daarbij wordt nauwkeuriger gekeken naar het geld dat mensen beschikbaar hebben om van te leven.
Volgens die nieuwe definitie leefden vorig jaar 540.000 mensen in armoede. Volgens de oude berekeningen waren dat er 820.000.
Ook blijkt dat het aantal mensen dat in armoede leeft sterker is gedaald dan eerder gedacht. De groep is door de nieuwe definitie ruim gehalveerd in vijf jaar. Maar bij de groep mensen in armoede die nog over is nam de ernst van het geldgebrek wel toe.
De afname van het aantal arme mensen heeft (los van de definitie) verschillende oorzaken. In 2019 pakte de loonsverhogingen gunstig uit, het jaar erna werd een deel van de armen geholpen met coronasteun, daarna kwam de energietoeslag en ook de verhoging van het minimumloon, vorig jaar, hielp mee.
De nieuwe definitie is politiek van belang. De wijze waarop wordt vastgesteld wat in de statistieken wel en niet onder armoede valt, bepaalt de armoedegrens. Opeenvolgende kabinetten stellen zich ten doel het aantal mensen onder de armoedegrens met een bepaald percentage terug te dringen, of ten minste niet te laten groeien.
Toch konden al die maatregelen niet voorkomen dat de groep die arm bleef, gemiddeld armer is geworden. In 2018 had een huishouden dat in armoede leefde gemiddeld 10 procent minder dan de armoedegrens. Vorig jaar was dat opgelopen tot 16 procent.
Die verschuiving is vooral het gevolg van een verandering van de groep Nederlanders in armoede. Voorheen bestond die groep voor het grootste deel uit mensen die bijstand ontvingen. Inmiddels zijn er door de nieuwe definitie meer werkende armen dan mensen in armoede met een uitkering. En die werkenden hebben vaak een nog groter geldgebrek.
Volgens het CBS gaat het vooral om mensen die deeltijd werken en zelfstandigen die weinig verdienen met hun zaak. Uit eerder onderzoek van economenblad ESB bleek dat werkende armen vooral actief zijn als uitzendkracht en in de horeca. Ook onder supermarktpersoneel en schoonmakers zijn relatief veel arme werknemers.
Amsterdam is de gemeente met relatief de meeste mensen in armoede. 6,6 procent van de Amsterdammers leeft onder de armoedegrens. Amsterdam wordt gevolgd door grensgemeente Vaals. Ook Rotterdam, Den Haag en Vlieland hebben grote groepen inwoners met geldgebrek.
Het Gelderse Rozendaal heeft veruit de minste inwoners in armoede (0,1 procent). Daarna volgen enkele gemeenten waar een op de honderd inwoners arm zijn, zoals Hilvarenbeek, Oost Gelre en Dinkelland.
De armoedegrens lag in 2023 op 1510 euro per maand voor een alleenstaande. Voor een stel met twee jonge kinderen lag deze op 2535 euro, stellen de onderzoekers in het nieuwe rapport.
Voorheen waren er vijf verschillende manieren om armoede te berekenen. Voor dit rapport hebben de onderzoekers één nieuwe meetmethode ontwikkeld, die ze allemaal blijven gebruiken. De methode is bovendien nauwkeuriger.
Ze keken niet alleen naar de inkomsten en de uitgaven voor bijvoorbeeld huisvesting en energie, maar ook naar het vermogen van een huishouden.
Als een gezin bijvoorbeeld geen inkomen heeft, maar wel veel spaargeld en geen schulden, dan geldt het niet langer als arm. Ze kunnen immers rondkomen van hun spaargeld, is het idee.
Door dit mee te nemen blijkt dat het aantal arme Nederlanders lager is dan eerder gedacht.
Economie
Deel artikel:
Source: NOS nieuws