Home

Door naar Oekraïne te kijken, door te getuigen, doen we al iets

Oekraïne Op 24 februari ging de oorlog in Oekraïne het vijfde jaar in. Maurits Chabot reisde door het land en zag dat de strijdvaardigheid van jonge mensen daar in schril contrast staat tot de lethargie onder jongeren hier.

In de nacht van 24 februari 2022, toen Rusland buurland Oekraïne binnenviel, verbleef Ella bij haar grootmoeder in een dorp ten noorden van Kyiv. Ze ging met haar oma naar de kelder, maar schuilen was het laatste wat de achttienjarige Ella wilde. In het donker vroeg ze zich af hoe ze kon helpen. Ze wist waar het leger wapens uitdeelde. De plaats van uitgifte was dertig minuten rijden, maar een auto had ze niet en niemand kon haar brengen. De volgende dag wandelde ze erheen, een tocht van vijf uur. De tweede nacht van de oorlog bracht Ella door voor de deur van het wapendepot. Ze kreeg een AK-47, maar geen kogels. Ook helmen en scherfvesten ontbraken. Ze volgde één schietles van nog geen half uur. Met een geweer zonder munitie en twintig minuten aan instructies kon ze weer vertrekken.

Ella en ik ontmoeten elkaar op een tot militair basiskamp omgebouwde boerderij in de buurt van Soemy, het uiterste noordoosten van Oekraïne. Tijdens het avondeten vertelt ze dat ze net uit de Russische grensregio Koersk komt, waar ze gewonden uit de grey zone haalt en naar stabilisatiepunten direct achter het front brengt. Hospiks kunnen niet verder komen dan de grijze zone; de rode zone is het front, daar moeten soldaten op eigen kracht uit zien terug te keren. 

Maurits Chabot reisde voor zijn boek Dan zien we dezelfde sterren zes keer door Oekraïne, van Odesa tot Soemy en van Lviv tot Charkiv. Met Stichting Protect Ukraine voorzag hij legereenheden aan het front van levensreddende middelen. 

Voor de invasie werkte Ella als kok in een restaurant in Kyiv. Ze bereidde traditionele Oekraïense gerechten, veel borsjt. Toen de oorlog uitbrak, dacht ze niet aan de risico’s, ze dacht maar aan één ding: ik moet gaan. Ze lacht, alsof het de normaalste zaak van de wereld is om je als achttienjarige kok bij de krijgsmacht te melden.

Ella steekt een sigaret op. In haar hals heeft ze met zwarte krulletters amor fati laten tatoeëren – liefde voor het lot. Ze leerde vechten door het te doen. Ze verdedigde Kyiv, voor een latere missie nam ze posities in langs de weg van Slovjansk naar Bachmoet. Ze waren met zestig militairen. De commandant stuurde hen in de mist naar de vijand. Veertig soldaten raakten gewond, nog eens twaalf zijn nooit meer gevonden. Slechts acht militairen bleven ongeschonden. Ella was een van hen. Ze sloot zich aan bij de 3de Brigade en werd hospik. Sindsdien is ze een arts met een geweer. Of ze haar wapen nog heeft gebruikt? Ze lacht hard. „Yes, I used it.”

Lees kranten

Tijdens mijn reizen door Oekraïne die ik voor mijn boek maak, ontmoet ik veel jongeren die voor de invasie een regulier leven leidden, maar sinds februari 2022 plots moesten breken met wie ze tot dan toe waren geweest. Toch spreken ze vaak monter over de strijd. De meesten zijn opgewekt, de oorlog heeft hen nog niet uitgeblust. Wel vinden ze het volstrekt onbegrijpelijk als ik vertel dat jongeren in Nederland niet altijd gaan stemmen, dat kranten kampen met teruglopende oplages, en dat politieke partijen hun best moeten doen om leden te werven. Lees kranten, word lid van een politieke partij, sluit je aan bij belangrijke organisaties, drukken ze me steevast op het hart – ze spreken dan snel, ze willen dat ik zie wat zij zien, dat ik dezelfde urgentie voel. Voor hen is het onbegrijpelijk dat de democratie in Nederland voor vanzelfsprekend wordt aangenomen.

Die strijdbaarheid is in Oekraïne niet nieuw, maar was er al ver voor de Russische invasie van vier jaar geleden: de Kozakkenmentaliteit zit diep verankerd in het huidige Oekraïne. Volgens Oekraïners draaide het bij de in de 15de eeuw ontstane Oekraïense Kozakken-gemeenschappen om vrijheidsdrang. Rusland werd geregeerd door tsaren, het overgrote deel van het volk bestond uit lijfeigenen. De gemeenschappen van de Kozakken ontstonden uit gevluchte slaven, het waren mannen die aan het juk van de autoriteiten wilden ontsnappen. Het was een volk dat vrij wilde zijn. Diezelfde vrijheidsdrang vormt de kern van het verzet tegen de Russen nu. Dit land is niet van de bestuurders, maar van de mensen. De strijdbaarheid blijkt zelfs uit de begroeting. In Nederland groet men elkaar met goedemorgen, in Oekraïne zegt men Slava Oekrajini, wat zoveel betekent als ‘glorie aan Oekraïne’.

De Oekraïners gingen al vaak hun eigen weg. Met de Granieten Revolutie in 1990, de Oranjerevolutie in 2004, de Majdan-protesten in 2014, het dappere verzet in de oorlog nu. Door de vele machtswisselingen en conflicten voelen Oekraïners een aversie jegens de staat en zijn ze doordrongen van de noodzaak zelf essentiële zaken te regelen. Mede daarom kwamen ze na de invasie massaal in actie zonder instructies van hogerhand af te wachten. De wereld zag de opstand van een volksleger. Die strijdvaardigheid vervult ook de Oekraïners zelf met trots. Het is na de Oranjerevolutie en de Majdan-protesten al de derde keer deze eeuw dat ze in opstand komen tegen Russische inmenging. Driemaal hebben ze hun volkslied, dat doordesemd is van vrijheidszin, in de praktijk gebracht. De openingsregel luidt: „Oekraïnes glorie en vrijheid zijn nog niet verloren.” Het refrein: „Wij zullen ons lichaam en onze ziel geven voor onze vrijheid. En wij zullen bewijzen dat wij, broeders, van Kozakken afstammen!” 

Waar ze in Oekraïne met veel moeite en te weinig wapens de verdediging van hun land volhouden, lijken in Nederland steeds meer mensen hun blik van de oorlog af te wenden. Steeds meer landgenoten noemen zich ‘nieuwsmijders’: ze manoeuvreren behendig om alle onheilspellende berichten over de oorlog in Oekraïne en andere brandhaarden heen. De Adviesraad Internationale Vraagstukken stelde in februari 2024 al dat de westerse consensus afbrokkelt en dat een langdurige patstelling in Oekraïne dreigt. Het draagvlak voor de Nederlandse steun aan Oekraïne wordt ‘brozer’. En het ís ook verleidelijk om weg te kijken. Na zes reizen door Oekraïne ken ik de lokroep van een comfortabel leven.

In Kyiv bezocht ik met Protect Ukraine, een Nederlandse stichting die het Oekraïense leger ondersteunt, het militair hospitaal en raakte daar in gesprek met Michaj. Hij is vierentwintig jaar, voor de oorlog zong hij in een metalband en reed hij motor, nu werkt hij al twee jaar voltijds als traumachirurg. Meestal opereert Michaj vier of vijf mensen per dag, hij werkt naar eigen zeggen zes à zeven dagen per week: „If I don’t work, I’m drowning.” Hij heeft meer angst gezien dan goed is voor een mens. Michaj probeert niet aan de doden te denken. Liever focust hij zich op de levens die hij heeft kunnen redden. „Als je je niet op de geredde levens concentreert, sterf je iedere dag.” Michaj gaat me voor, de ziekenzalen in. Het liefst zou ik mijn blik afwenden – me afwenden van de mannen met gapende wonden en van de stalen pinnen die uit hun botten steken. Maar het minste wat ik kan doen is oogcontact zoeken, en ze toeknikken. 

Niet eens meer kijken

Sinds 2007 staat het woord ‘wegkijkcultuur’ in de Van Dale, als omschrijving van een „sociale cultuur die zich kenmerkt doordat mensen doen alsof misstanden (…) waarvan zij op de hoogte zijn, niet bestaan ipv er iets tegen te ondernemen”. Toen een documentairemaker de Russische oppositieleider Navalny in 2020 vroeg welke boodschap hij aan zijn land zou willen nalaten indien hij zou worden omgebracht, antwoordde hij met een meestal aan Edmund Burk toegeschreven citaat: „Het enige wat er moet gebeuren voor het kwaad om te overwinnen, is dat goede mensen niets doen.” Drie jaar later werd hij door het Kremlin vermoord. Het is misschien mogelijk Navalny’s antwoord, in deze context, nog iets specifieker te formuleren: alles wat ervoor nodig is om het kwaad te laten zegevieren, is dat goede mensen wegkijken. Nietsdoen begint met niet eens meer kijken. Door te kijken, door te getuigen, doen we al iets. 

En nee, voor mij voelt het niet alsof dat volstaat. Sterker, ook het land bezoeken en spullen doneren voelt als tekortschieten. Ik kan nog zo vaak naar Oekraïne reizen, ik blijf altijd een passant. Ik lig niet in de loopgraven en ik vecht niet voor het land. Na enkele weken keer ik terug naar Nederland, naar een veilig bestaan. Voor een vorig boek schreef ik over landen en levens waar de conflicten achter de rug waren. Ik schreef naar het geluk toe. Nu niet. Nu zit ik thuis, zij zijn nog daar. 

Ik ben bepaald niet de enige die met schuldgevoelens kampt. Oekraïners kampen met een vicieuze cirkel van schuld. Vluchtelingen in het buitenland voelen zich schuldig omdat ze niet in Oekraïne zijn. Velen die wel in het land zijn, maar hun reguliere werk doen, voelen zich schuldig omdat ze niet in het leger dienen. Degenen die vanuit de steden, ver van het front, voor het leger werken, voelen zich schuldig omdat ze niet aan het front zitten. De militairen aan het front voelen zich schuldig omdat zij nog leven, terwijl hun wapenbroeders stierven. Alleen wie sneuvelt, is voorbij alle schuldgevoel.

In het Westen onderzoekt de NAVO een ‘onderscheidend partnerschap’, politici spreken over het ‘aanhalen van de betrekkingen’. Intussen sterven iedere dag weer soldaten, verliezen ouders hun kinderen en keren nieuwe doodskisten terug naar steden als Lviv en Kyiv. Vrienden in Nederland vertellen dat de oorlog bij het uitbreken even dichtbij voelde: oorlog in Europa, op ons eigen continent. Inmiddels is de strijd voor velen gevoelsmatig weer verder weg. Kyiv en Oekraïne voelen niet dichtbij. Maar de oorlog woedt vlakbij, op de rand van onze eigen veiligheid. Een militair met wie ik de afbrokkelende steun besprak, zei: „In Oekraïne zijn de kinderen volwassenen geworden. In West-Europa zijn de volwassenen kinderen geworden.”

Vorige maand ging de oorlog in Oekraïne zijn vijfde jaar in, de hel duurt inmiddels bijna anderhalf duizend dagen. De invloedrijke Oekraïense auteur Oksana Zaboezjko schreef in haar boek Mijn langste boektournee over een Facebook-bericht van een Oekraïense veteraan dat kort na de invasie online rondging. Toen de Russen in 2014 zijn stad binnenvielen, nam de it’er vrijwillig dienst in het leger. Op de zestigste dag van de invasie schreef hij: ‘Vandaag is 83 februari.’ De oorlog zwelt op als een gedrocht, de vrede zakt steeds verder in het verleden weg. In Nederland is het deze week Boekenweek, hier is het medio maart 2026. De lente lonkt. In Oekraïne is het dag 1.480 van de oorlog. Volgens de redenering van de veteraan: 1.503 februari. Alweer februari, nog steeds februari.

Uit veiligheidsoverwegingen staan sommige personen niet met hun volledige naam in dit verhaal. Die namen zijn wel bij de redactie bekend.

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next