In de rubriek De broeikas schrijft klimaatverslaggever Jeroen Kraan elke zondag over wat hem opvalt. Deze week: het milieuconvenant is terug van weggeweest. Hebben we de lessen van de jaren negentig geleerd?
Toen ik een paar jaar geleden archiefonderzoek deed voor mijn podcastreeks Tata's ijzeren greep, kwam ik achter het bestaan van vergeten afspraken tussen de overheid en de Nederlandse basismetaalindustrie. In 1992 had die industrie - met de voorloper van Tata Steel als verreweg het grootste bedrijf - beloofd de uitstoot van vervuilende stoffen flink terug te brengen.
In de jaren tachtig en negentig sloot de overheid meer dan 150 van dat soort convenanten met het bedrijfsleven, vaak gericht op milieuwinst. Het kwam voort uit een "veranderende bestuurscultuur" en "het streven van de Rijksoverheid om minder dwingend en regulerend op te treden", schreef de Algemene Rekenkamer in 1994.
In een kritisch rapport signaleerden de rekenmeesters dat lang niet altijd duidelijk was hoe werd gegarandeerd dat de doelen uit de convenanten zouden worden gehaald. De Rekenkamer vond het nog wel begrijpelijk dat de overheid niet overal strenge wetgeving voor wilde invoeren. "Maar dit moet uiteraard niet resulteren in een situatie van vrijblijvendheid", schreef de Rekenkamer.
De doelen uit het metaalconvenant bleken uiteindelijk wel vrijblijvend te zijn. Sterker nog, toen het convenant in 2010 ten einde kwam, leek iedereen de afspraken alweer te zijn vergeten. Er werd nooit een 'eindafrekening' naar de Tweede Kamer gestuurd en pas dertien jaar later zou ik zelf maar eens gaan uitrekenen dat de doelen niet waren gehaald.
Vorig jaar schreef toenmalig klimaatminister Sophie Hermans na Kamervragen dat zij het "niet zinvol" vond de huidige uitstoot van Tata Steel te vergelijken met "de niet-afdwingbare doelstellingen uit een ruim dertig jaar oud convenant". Ze schreef er niet bij of het dan wel zinvol was geweest zo'n convenant aan te gaan.
Ik moest hier deze week weer aan denken, omdat convenanten een comeback lijken te maken. Een totaaloverzicht bestaat niet, maar de afgelopen jaren sloot de overheid bijvoorbeeld convenanten over de verduurzaming van de bouw, openbaar vervoer, zorg, vuilniswagens en oesterkweek. En dat is alleen nog maar wat ik met een snel rondje googelen kon vinden.
Er zitten ongetwijfeld goede bedoelingen achter, maar ook nu kun je je afvragen of dit tot de gewenste resultaten gaat leiden. Dat blijkt wel uit de bonje die is ontstaan in de gelederen van het zogeheten Convenant Milieu-impact Potgrond & Substraten.
Potgrond klinkt als een vreselijk saai onderwerp, zelfs voor een convenant, maar het is eigenlijk best belangrijk. Nederland produceert er jaarlijks 7,5 miljoen kuub van, met turf als belangrijkste ingrediënt.
Jonge plantjes zijn dol op turf, maar helaas heeft het opgraven ervan een enorme klimaat- en milieu-impact. Turf komt uit veengronden, die veel CO2 opslaan in duizenden jaren oude plantenresten. Als we ze droogleggen en afgraven, komt die CO2 vrij. De Nederlandse import van turf heeft een jaarlijkse CO2-uitstoot die zich laat vergelijken met een flinke gascentrale.
De Stichting Turfvrij begon daarom een aantal jaar geleden met een actie tegen het gebruik van turf. Met succes: de Tweede Kamer nam in 2021 met een brede meerderheid een motie aan om het gebruik van turf af te bouwen. Het resultaat, je raadt het al, was het convenant.
Ook de Stichting Turfvrij kreeg daarin een plek, maar het begon al gauw te schuren, vertelt medeoprichter Philipp Gramlich. Voor de potgrondindustrie was het "vooral een middel om af te komen van een mogelijk verbod" op turf, denkt hij. De afspraken in het convenant zijn niet juridisch afdwingbaar, staat er expliciet in.
De bom barstte toen potgrondbranchevereniging VPN begon te lobbyen voor het "versimpelen" (Brussels jargon voor versoepelen) van de regels rond turfwinning. Volgens de vereniging is dat nodig vanwege schaarste op de turfmarkt, die zelfs de voedselzekerheid zou bedreigen. Dat lijkt overigens een tikje overdreven: volgens de VPN zelf wordt drie kwart van de potgrond gebruikt voor sierplanten.
Voor de stichting van Gramlich was deze lobby de belangrijkste reden om het convenant te verlaten. Volgens hem gebruiken bedrijven de vrijwillige afspraken vooral als vertragingstactiek. De VPN ontkent dat en zegt "onverminderd achter de afspraken en doelstellingen van het convenant te staan".
Volgens die afspraken moet potgrond in 2030 voor de helft uit hernieuwbare materialen bestaan, en is de productie in 2050 CO2-neutraal. Met een cynische blik zou je kunnen zeggen: voldoende jaren om ook deze afspraken in de vergetelheid te doen verdwijnen.
"Mensen proberen er aan de kost te komen. Vogels uit de hele wereld strijken er neer. Vuil uit heel Europa drijft er binnen." Zo omschrijft documentairemeester Johan van der Keuken de Waddenzee aan het begin van De platte jungle (1978). Daarin brengt hij feilloos in beeld hoe dit bijzondere stukje natuur toen al onder druk stond door de activiteiten van de mens.
Van der Keuken was geen geweldige natuurfilmer, maar had een fabelachtig oog voor mensen, van pierenstekers tot vissers en boeren. Via hen leren we hoe de biodiversiteits- en stikstofcrisis zich bijna vijftig jaar geleden al aankondigde op de Wadden. Het maakt de film anno 2026 mooi, maar ook pijnlijk. Te zien op Eye Film Player.
Source: Nu.nl algemeen