Met elke bom die Israël laat vallen in de strijd tegen Hezbollah, neemt de achterdocht onder de Libanese bevolking toe. Vooral gevluchte sjiieten stuiten op wantrouwen en haat. De gewetensvraag is: vertrouw je je landgenoot als die berooid voor je deur staat?
is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Hij woont in Amman.
In de catacomben van voetbalstadion Camille Chamoun komt een man met een looprek binnengeschuifeld, voetje voor voetje. Zijn blik glijdt door de ruimte. Overal staan witte tenten. Nu het opnieuw oorlog is in Libanon, slapen hier honderden families, in afwachting van betere tijden. Vrijwilligers van het Libanese Rode Kruis noteren de namen en telefoonnummers. Daarna krijgt de man met het looprekje, Adnan Hassaneyn (76), een onderkomen aangewezen. Tent H12.
Eenmaal binnen begint schoondochter Najwa (42) de vloer te bezemen. Ze legt de matrasjes neer die ze van het Rode Kruis heeft gekregen. Tot een week geleden bezat haar gezin een huis, een goedgevulde koelkast en een roedel huisdieren. Nu hebben ze 6 vierkante meter op glad beton. ‘Dit is mijn huis’, zegt de pater familias uitnodigend, ‘ga lekker zitten.’
Sinds zijn geboortejaar, 1950, heeft Libanon flink wat oorlogen meegemaakt, minstens zes of zeven, al naargelang hoe je telt. Toch is het ongekend wat het land nu voor de kiezen krijgt. Op 2 maart greep buurland Israël een vruchteloos rakettensalvo van de militante beweging Hezbollah aan om – naast de met de VS gevoerde oorlog tegen Iran – een tweede front te openen in Libanon. Hezbollah moet worden ‘vernietigd’ en ontwapend, heet het, al valt dat met bombardementen feitelijk niet af te dwingen.
Het levert in de praktijk een totaal asymmetrische oorlog op, waarbij alle doden en gewonden aan één kant vallen. Anders dan Israëliërs kunnen Libanezen niet naar een schuilkelder; die zijn er niet. De staatskas is leeg. Daarbovenop komt een immens aantal ontheemden – mensen zoals de oude Adnan met zijn kapotte heup. In totaal hebben de autoriteiten ruim achthonderdduizend interne vluchtelingen geregistreerd, grotendeels sjiieten uit het zuiden en oosten van het land, gebieden van Hezbollah. Een op de zeven, anders gezegd, op de totale bevolking.
De meesten zijn meteen gevlucht toen het Israëlische leger Gaza-achtige evacuatiebevelen afgaf. Wijken kleurden rood op de kaartjes, waaronder heel Dahieh, een conglomeraat van arbeiderswijken waar Hezbollah-billboards het straatbeeld kleuren. Iedereen moest weg. Veel gezinnen belandden in de file en sliepen nachtenlang in de auto, voordat ze uitgeput een leegstaande school of het voetbalstadion bereikten.
In het Camille Chamoun-stadion verblijven zo’n 750 mensen, zegt Naji Hammoud, de 40-jarige directeur. ‘En iedere dag komen er families bij.’ Het leger is aanwezig om nieuwe aanmeldingen te controleren en eventuele Hezbollah-leden eruit te filteren. Betekent dat dat mensen hier veilig zijn? ‘Dat kan ik niet beloven’, pareert de directeur, beducht voor de willekeur van Israëlische aanvallen. ‘We kunnen alleen maar bidden.’
In zijn tent heeft Adnan een peuk opgestoken. Deze oorlog telt niet één maar twee schuldigen, vindt de oud-taxichauffeur, waarna hij iets doet wat hij in zijn eigen wijk – met Hezbollah als immer waakzame macht – niet durft: de militie bekritiseren. ‘Ze hadden deze oorlog niet moeten beginnen, het volk is moe. Ik vind dat alle partijen onder de controle van de regering horen, inclusief Hezbollah.’
Dit sentiment weerklinkt breder. In een peiling van onderzoeksbureau Gallup zei vier op de vijf ondervraagden vorig jaar dat alleen het nationale leger bewapend zou moeten zijn. Weliswaar was het Israël dat het staakt-het-vuren (uit november 2024) maandenlang aan de laars lapte, zegt men, maar toch had Hezbollah niet het recht het land op eigen houtje een oorlog in te slepen.
Het mag klinken als een droge politieke analyse, maar gaat in werkelijkheid véél verder. Het gaat over identiteit, over wat Libanon wil zijn. Het land is een ratatouille van identiteiten, met onder meer maronieten (christenen), soennieten, Grieks-orthodoxen, Armeniërs en druzen. In tijden van crisis klampt iedereen zich als een drenkeling vast aan die identiteit, meer nog dan aan zijn of haar staatsburgerschap. Je kunt het tragisch noemen, maar evengoed logisch: bescherming komt van politieke partijen, elk met een eigen politiek-religieuze signatuur, niet van de zwakke staat.
Bij landgenoten stuiten sjiieten door dit alles op een mengeling van wantrouwen en haat. Hicham Zaiter (49), Hezbollah-aanhanger en kapper van beroep, kan erover meepraten. Ook hij is naar het stadion gevlucht. Hij vertelt over zijn zwager en diens vrouw, die zoals tienduizenden anderen de bergen in vluchtten, een overwegend druzisch gebied. ‘Toen ze een huurhuis vonden, vroeg de verhuurder: zijn jullie soennieten of sjiieten?’ Zijn zwager, ingetrouwd in een soennitische schoonfamilie, zei vlug dat ze soennieten waren. Ze waren welkom.
Een uitzondering is dit niet. In sommige christelijke wijken en dorpen worden sjiitische families zonder pardon weggestuurd. De angst is groot dat ze een soort Trojaanse paarden zijn. Wat nou als de mannen Hezbollah-lid zijn, prijkend op Israëls dodenlijst? ‘Laat ze wonen waar ze willen, maar niet naast mij’, brieste een christelijke Libanees tegen het Franse dagblad Le Monde, nadat een hotel in zijn wijk door Israël was gebombardeerd. ‘Dit is niet onze oorlog. Zij zijn degenen die zich isoleren. Ze zijn veertig jaar lang door Hezbollah gehersenspoeld.’
Met elke bom die valt, verandert de oorlog meer in een gewetensvraag: vertrouw je je landgenoot als hij of zij berooid voor je deur staat? Is dit de oorlog van een pro-Iraanse militie, een groep met een wereldbeeld dat wellicht diametraal op het jouwe staat, of is het ook jouw oorlog, omdat de bommen hier en nu vallen? ‘Dit land is als drijfzand waarin iedereen wegzakt’, noteerde de Palestijnse feminist Jean Said Makdisi een paar oorlogen geleden in haar memoir vanuit een belegerde stad, gepubliceerd als Beirut Fragments (1990). ‘We leven in een gevangenis van geweld en vergeten idealen.’
De volgende morgen, de stad ontwaakt na een nacht vol bombardementen. Bommen op Dahieh, maar dat niet alleen: in het holst van de nacht, even na 1 uur, volgde een dubbele Israëlische droneaanval op de boulevard langs de Middellandse Zee, kilometers van Hezbollahs traditionele machtsbasis.
Abu Ahmad, een 66-jarige automonteur, heeft nauwelijks geslapen. ‘Ik zag een enorme lichtflits’, vertelt hij de volgende ochtend aan de boulevard, terwijl Libanese soldaten het gebied afzetten met linten. Door de kracht van de explosie zijn bij twee auto’s de ramen eruit geknald. Twaalf doden, meldt het Libanese ministerie van Gezondheidszorg nadien, onder wie vrouwen en kinderen, plus een fors aantal gewonden.
Wie waren zij, en waarom viel Israël een boulevard aan waar vooral ontheemden in hun auto’s slapen? Een verklaring van het Israëlische leger bleef donderdag uit. ‘Het waren ontheemde families’, klaagt de automonteur. ‘Hezbollah is hier niet. Waarom dan toch zo’n aanval? Israël probeert fitna te creëren, interne onenigheid en uiteindelijk een burgeroorlog.’
Bewust of niet, in de praktijk is dat inderdaad het effect. Israëls bommencampagne plaatst de ene Libanees lijnrecht tegenover de ander – angstig, wrokkig, vol argwaan. Niemand is vergeten hoe de Israëlische premier Benjamin Netanyahu in oktober 2024, ver voor de oorlog tegen Iran, Libanezen in een videoboodschap vroeg hun land van Hezbollah ‘te bevrijden’ – een onmiskenbare oproep tot een burgeroorlog.
Israëlische toestellen dropten vrijdag flyers boven Beiroet, met opnieuw de oproep de militie te ontwapenen. ‘Libanon is jullie keuze, niet die van iemand anders.’ Er stond een QR-code bij, leidend naar een chat, klaarblijkelijk om burgers de kans te geven inlichtingen te delen met het Israëlische leger.
Op het evacuatiekaartje dat Israël begin maart verspreidde, stond de vluchtroute aangegeven: sjiieten uit Dahieh kregen het advies oostwaarts de bergen in te rijden, over de hoofdweg naar Damascus, tot bij het stadje Aley.
Volg je die route, dan passeer je onderweg het druzische bergdorp Bchamoun. De lokale middelbare school heeft alle leerlingen naar huis gestuurd (het onderwijs gaat online verder) en de klaslokalen als onderkomens ingericht. Een tjokvolle prijzenkast domineert het kantoor van directeur Alia al-Sayigh (49), met daarboven het portret van de christelijke president Joseph Aoun, de man die verwoede pogingen doet Hezbollah klein te krijgen.
Terwijl de Volkskrant haar spreekt, komt er een vrouw binnen van de gemeentepolitie. Er zijn ontheemden in de school gesignaleerd wier namen niet geregistreerd staan, zegt ze met nervositeit in haar stem. ‘Ik denk dat ze naar binnen zijn gesmokkeld.’ De directeur knikt, zegt dat ze erachteraan gaat. ‘Wie geen ID-bewijs heeft, mag hier niet blijven. Ik wil voorkomen dat er ook maar 1 procent gevaar ontstaat.’
Tijdens de vorige Libanon-oorlog, anderhalf jaar geleden, logeerden hier zeshonderd ontheemden. Nu zijn er driehonderd toegelaten. Ze is solidair met de ontheemden, benadrukt de in een spijkerjasje gehulde directeur, en tegelijk staat hun islamitische leefwereld ver af van de hare. Als ze opmerkt dat er meer vrouwen dan mannen in de school slapen, kan ze het niet nalaten een grapje te maken. ‘Omdat de mannen meerdere vrouwen hebben misschien.’
In de school is van spanning weinig te merken. Aan keurige waslijntjes hangt kleding te drogen. De ontheemden zijn vol lof over de wijze waarop ze zijn ontvangen. ‘Als je Syriër bent of Palestijn, hoef je hier natuurlijk niet aan te kloppen’, zegt vijgenboer Hussein Faour (65), die met zijn gezin is gevlucht uit de nabijheid van de stad Tyr. ‘Maar hier houden ze van Libanezen.’
Velen vasten overdag vanwege de ramadan, maar na zonsondergang zijn er maaltijden, betaald door non-gouvernementele organisaties. Dorpelingen hebben water en matrassen gedoneerd. Op het schoolplein organiseren scouts spelletjes voor de kleintjes, terwijl een handvol jochies achter een voetbal aan holt. Als er een Israëlische straaljager ronkend overvliegt, kijken ze opgewonden naar boven. ‘Hij gaat schieten, hij gaat schieten!’
Hezbollah mag in de touwen hangen, maar bij de ontheemden is hun narratief springlevend. Boer Faour wijst op de maandenlange bombardementen van Israël in 2025, toen de militie klap na klap incasseerde en niet terugsloeg. ‘Er vielen iedere dag twee of drie doden. Ons geduld was op. Als jouw buurman je iedere dag in je gezicht slaat, sla je op een dag toch terug?’ De logische tegenwerping dat ’s lands leger de baas zou moeten zijn over oorlog en vrede, wuift hij weg. Het leger is zwak, zwakker dan Hezbollah.
Over al deze dingen zul je zijn kleindochter niet horen. Tijdens de wiskundeles viel er een bom pal naast haar school, zegt de 17-jarige Zahraa Hussein, een meisje met jampotglazen en een capuchon over haar hoofddoek. Van verwerking is de voorbije maanden niets terechtgekomen, haar paniekaanvallen zijn alleen maar erger geworden. ‘Ze hoort bij het verzet’, zegt haar opa grijnzend, terwijl hij haar tegen zich aandrukt – ‘verzet’ is hoe Hezbollah zichzelf aanduidt. ‘Zo opa, zo kleindochter.’
Aan de rand van de berg kun je vanaf het schoolplein uitkijken over Beiroet, inclusief de buurten die gebombardeerd worden. Een vrouw zegt dat ze in de diepte haar wijk kan zien. Ze zwijgt, tuurt in de verte en dan weer naar haar telefoon. We zijn een balad awzhe, zeggen Libanezen graag, een land zo krom als een cashewnoot. Niemand weet of het ooit nog recht wordt.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant