Home

Lokale partijen kunnen bij verkiezingen profiteren van mislukking kabinet-Schoof

De afgelopen decennia zijn lokale partijen bij Nederlandse gemeenteraadsverkiezingen bezig aan een enorme opmars. Terwijl het vertrouwen in de Haagse politiek een dieptepunt bereikt, zoeken veel mensen tijdens de gemeenteraadsverkiezingen hun heil in lokale alternatieven.

Sinds 2010 zijn lokale partijen standaard de grootsten bij de lokale verkiezingen. In dat jaar stemde iets minder dan een kwart van de Nederlanders op een lokale partij. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 was dat al meer dan 31 procent, blijkt uit cijfers van de Kiesraad.

Onderzoek van Ipsos I&O wijst uit dat het percentage stemmen op lokale partijen bij de aankomende verkiezingen kan doorgroeien naar 34,5 procent, ruim een derde dus. Het succes van lokale partijen kan door een aantal factoren verklaard worden.

"In de eerste plaats hebben mensen die op lokale partijen stemmen vaak weinig vertrouwen in landelijke partijen", zegt hoofddocent Nederlandse politiek Simon Otjes (Universiteit Leiden), die onderzoek doet naar lokale politiek. Lokale partijen worden niet geassocieerd met de Haagse politiek en zijn dus ideaal voor stemmers om een proteststem uit te brengen, ziet ook bijzonder hoogleraar Democratie en Transitie Marcel Boogers (Universiteit Utrecht).

Landelijke partijen doen meestal niet mee aan verkiezingen in alle gemeenten, vervolgen Otjes en Boogers. "Als mensen hun landelijke partij niet op het stembiljet zien staan, wijken ze makkelijker uit naar een lokaal alternatief", zegt Otjes. Met name op de rechterflank doen weinig landelijke partijen mee, blijkt uit het onderzoek van Ipsos I&O. De PVV doet bijvoorbeeld in slechts 40 gemeenten mee, de BBB in 29 gemeenten en de JA21 in 7 gemeenten.

Lokale partijen zijn populair omdat ze zijn opgericht voor lokale issues, zoals de aanleg van een weg of het behoud van een zwembad, zegt Boogers. Ze zijn niet gebonden aan een ideologie maar aan wat er in hun gemeente speelt. "Landelijke partijen spreken zich ook wel uit over deze issues, maar kunnen zich daar veel lastiger op profileren. Lokale onderwerpen zijn moeilijker te associëren met landelijke partijen."

Uit onderzoek blijkt bovendien dat lokale partijen in hun verkiezingsprogramma's veel vaker verwijzen naar specifieke locaties in de gemeente dan landelijke partijen, voegt Otjes toe. "Lokale partijen beloven vaker op lokale behoeftes in te spelen dan grote partijen, en doen dat zonder ideologische bril."

Tot slot zijn lokale partijen vaak goed geworteld in de lokale gemeenschap. Ze zijn volgens Boogers beter in het "naar voren schuiven van lokaal bekende mensen, die bekend zijn in dorpen en wijken". Als voorbeeld noemt hij Richard de Mos, die in Den Haag erg populair is en duidelijk investeert in de dorpsgemeenschap.

Landelijke partijen op gemeentelijk niveau hebben dan wel weer het voordeel dat ze vaak betere ondersteuning vanuit de landelijke partij krijgen, zegt Otjes. "Ze krijgen cursussen, hebben vaak betere netwerken en leren van andere fracties uit andere gemeenten", zegt hij. Tegenwoordig zijn er ook veel lokale partijen die al lang meedraaien, waardoor hun organisaties en politici een stuk professioneler te werk gaan dan vroeger, zegt Boogers.

Tussentijdse verkiezingen worden doorgaans gezien als test voor de landelijke regeringscoalitie. Omdat het kabinet-Jetten pas net is aangetreden, is het nog te vroeg voor een tussentijdse beoordeling, maar Otjes en Boogers denken wel dat de voorgaande kabinetten lokale partijen een boost zullen geven.

Boogers: "Als mensen kritiek hebben op landelijke partijen, wijken ze sneller uit naar lokale alternatieven. De landelijke politiek heeft daar de laatste jaren veel reden toe gegeven." Kabinet-Schoof werd gekenmerkt tussen gedoe binnen de coalitie, en de laatste kabinetten van Mark Rutte waren historisch impopulair, onder meer vanwege de associatie met het toeslagenschandaal.

Lokale partijen profiteren van dat wantrouwen in de politiek, een fenomeen dat al veel langer speelt maar pas de laatste twintig jaar zichtbaar wordt, zeggen Otjes en Boogers. In de jaren tachtig was er ook onvrede over de landelijke politiek, maar toen uitten mensen dat niet door op een andere partij te stemmen. Volgens Otjes maakten lokale partijen toen ook een moeilijke periode door.

"2002 was het cruciale omslagjaar", vervolgt hij. "Dat heeft alles te maken met het feit dat politiek wantrouwen een duidelijke vertaling kreeg in de vorm van de LPF en de opmars van Pim Fortuyn. Relatief veel mensen stemden toen niet op een landelijke partij."

Sinds Fortuyn zijn er ook andere partijen opgekomen om zich af te zetten tegen de gevestigde orde in Den Haag. Denk bijvoorbeeld aan Geert Wilders en zijn PVV, de SP onder Emile Roemer en recenter de BBB en FVD. Wat Otjes opvalt, is dat die partijen het bij gemeenteraadsverkiezingen vaak lijken af te leggen tegen lokale partijen.

In Den Haag doet Hart voor Den Haag het met twaalf zetels bijvoorbeeld een stuk beter dan de PVV, FVD en SP, die ieder één zetel in de raad hebben. Datzelfde geldt voor Rotterdam, waar Leefbaar Rotterdam tien, FVD en de SP één en de PVV zelfs nul zetels heeft. Die partijen hebben vaak minder bekende kandidaten en verliezen het van partijen die goed geworteld zijn in de gemeente.

Wat de uitslag van de gemeenteverkiezingen woensdag ook wordt, één ding lijkt zeker: lokale partijen zullen in veel Nederlandse gemeenten goed vertegenwoordigd blijven.

Source: Nu.nl algemeen

Previous

Next