Home

‘Als ik losser van de CPN had geleefd, had ik meer tijd voor het echte leven gehad’

Toon Capel is 100 jaar. Hij is kandidaat voor GroenLinks-PvdA bij de gemeenteraadsverkiezingen in Purmerend en roert nog steeds zijn mond, zoals hij dat zijn hele leven heeft gedaan.

Toon Capel heeft een eigen appartement in een mooi complex met elf woongroepen in Purmerend. Er wordt van alles gedeeld, zoals een wasmachine, gereedschap en de tuin. En voor de alleroudsten is er altijd wel iemand die boodschappen kan doen. Het is de ideale woonvorm voor de sociaal betrokken en politiek actieve ambachtsman.

Wat drijft u om nog kandidaat te staan voor GroenLinks-PvdA bij de gemeenteraadsverkiezingen van woensdag?

‘Om zo mijn steun uit te spreken voor de fusie tussen GroenLinks en de PvdA. Ik sta als lijstduwer op een onverkiesbare plaats. Het is wel apart, iemand van 100 jaar op de kandidatenlijst.’

Wat doet u als u met voorkeurstemmen wordt gekozen?

‘Dan zal ik zeggen: ik ben alleen beschikbaar voor advies over kwesties waar ik verstand van heb, zoals huisvesting voor mensen op latere leeftijd. Ik zeg bewust niet ‘ouderen’, omdat het gaat om mensen – ik spreek vanuit gelijkwaardigheid. In onze maatschappij is het zo: je bent van waarde als je werkt en geld verdient, zodra dat is afgelopen, word je als een last gezien.’

Bent u nog politiek actief?

‘Ja, ik praat nog mee in de partij, ook bezoek ik inspraakavonden over kwesties die mij aan het hart gaan, zoals de bouw van meer seniorenwoningen. Daar ben ik mij na mijn pensioen voor gaan inzetten. Bij de opstelling van het verkiezingsprogramma van GroenLinks-PvdA in Purmerend heb ik gepleit voor een andere verkiezingsleuze, ‘Samen Sterk’ is niet inhoudelijk. Het is ‘Eerlijk, sociaal en duurzaam’ geworden.’

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘Mijn moeder komt uit Oost-Pruisen, dat hoort nu bij Polen. Na de Eerste Wereldoorlog ging het daar economisch zo slecht dat ze naar het westen trok. Ze kwam in Purmerend terecht, waar ze mijn vader ontmoette.

‘Mijn vader was een overtuigd sociaaldemocraat en werkte op een melkfabriek. Tijdens de economische crisis in de jaren dertig raakte hij werkloos en moest aan de slag in de werkverschaffing; met kiepkarren grond versjouwen om terrein bouwrijp te maken. Hij kreeg een loontje van 14 à 16 gulden per week, te weinig om van rond te komen.

‘Het armoedebeleid in die tijd was zo: kinderen van werklozen, zoals mijn zus en ik, konden bij een gemeentelijke instelling drie keer per week een warme maaltijd halen: twee keer stamppot met drie plakken paardenworst en op vrijdag rijst met krenten en een klontje roomboter. In de zomer mochten we naar een vakantiekolonie in Bergen aan Zee. Daar was het een vrolijke boel.

‘Na de lagere school ging ik naar de ambachtsschool in Zaandam, voor een opleiding tot elektricien. In juni 1940, een maand na de inval van de Duitsers, was ik klaar, maar werk was er niet.'

Hebben die jaren van armoede u politiek bewust gemaakt?

‘Bij ons thuis werd veel over politiek gesproken. Mijn vader was actief lid van de SDAP, die opkwam voor de arbeiders. Later stapte hij over naar de radicalere RSAP. Al jong las ik de krant. Als Het Volk, een socialistische krant, werd bezorgd, nam mijn vader het eerste katern en gaf mij het tweede, daarna ruilden we. Ik herinner me nog de column Oproerige Krabbels van A.B. Kleerekoper. De wereldpolitiek en ontwikkeling van het fascisme in Duitsland volgden we op de voet. Voor ons was het geen verrassing toen de moffen 10 mei 1940 Nederland binnenvielen. In 1943 vroeg een kennis of wij de illegale, communistische verzetskrant De Waarheid wilden helpen verspreiden. Ik nam ook exemplaren mee naar vliegtuigbouwer Fokker, waar ik tewerkgesteld was door de Duitsers. In de leiding werkten NSB’ers. Gelukkig ben ik nooit de klos geweest.’

Had u een toekomstplan na de oorlog?

‘Het leven nam zijn gewone gang. Voor een kruidenier bezorgde ik met paard en wagen bestellingen. Dat hield op toen ik bij drukkerij Muusses kon komen werken, als boekbinder. Muusses was voorzitter van de lokale CPN, de Communistische Partij Nederland, waar ik op mijn 19de lid van was geworden.

‘Al vrij snel, in 1946, kreeg ik een oproep voor militaire dienst, ik moest naar Indonesië. Op de Alexanderkazerne in Den Haag werd ik opgeleid tot radiomonteur. Er waren nog vier ANJV’ers, leden van de jongerenafdeling van de CPN. Onze partij had zich al voor de oorlog uitgesproken tegen de kolonisatie van Indonesië, want kolonisatie staat voor onderdrukking voor eigen gewin. De CPN was er dus tegen om troepen te sturen om de vrijheidsstrijd van Indonesiërs de kop in te drukken. Het bestuur kon een onderduikadres in Frankrijk voor mij regelen, maar daar had ik dan twaalf jaar moeten blijven – om niet vervolgd te kunnen worden voor ontduiking van de dienstplicht. Dat vond ik te lang.

‘Op de kazerne verspreidde ik met andere ANVJ’ers pamfletten tegen kolonialisme. Dat was zeer tegen de zin van de legerleiding, die ons uit elkaar haalde. Ik kreeg een treinkaartje naar de kazerne in Maastricht. Daar moest ik het bezuren dat ik mij uitsprak. Van alles wat er misging in het peloton, kreeg ik de schuld. Dat gaf een eenzaam gevoel. Maar toen onze commandant een stemming hield wie van ons peloton zijn aanspreekpunt moest worden, gingen 32 van de 35 stemmen naar mij. Dat ik mijn mond durfde open te doen, gaf kennelijk vertrouwen.’

Hoe was het voor u om tegen uw principes en wil in Indonesië te dienen?

‘Ik heb mij gericht op het welzijn van mijn maten en hield als hospik geregeld medisch spreekuur voor de lokale bevolking, daar kwamen veel mensen op af. Dit met toestemming van de bataljonsarts, die ook niets zag in het Indonesische avontuur. Eén keer werd mijn hulp ingeroepen in een kampong in Pemalang; een vrouw was hevig aan het bloeden tijdens de bevalling. Ik wist niets van bevallen, maar slaagde er wel in de bloedingen te stoppen.

‘Met het CPN-bestuur was afgesproken dat we als ANVJ’ers contactpersonen van de CPN in Nederland per brief informatie zouden sturen over de strijd in Indonesië. Die werd verwerkt in artikelen in De Waarheid, Het Parool, De Groene Amsterdammer en Vrij Nederland. Wij beschreven toen al wat pas een paar jaar geleden is erkend; dat het Nederlandse leger zich ernstig misdroeg.

‘Na mijn pensioen reisde ik langs de plekken op Java waar ik was geweest. In Pemalang werd ik op straat aangesproken door een veertiger. Al pratende bleek hij de zoon te zijn van de vrouw wier bloedingen ik bij zijn geboorte had gestopt.’

Hoe pakte u na terugkeer in Nederland de draad weer op?

‘Ik werd weer actief in het bestuur van de CPN in Purmerend, volgde een opleiding tot typograaf en machinezetter en kon aan de slag bij de communistische krant De Waarheid. Hoe vaak hebben we de pagina’s niet moeten over zetten, zoals bij de inval van Israël in Egypte en de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije. Voor de overgang van hoogdruk naar vlakdruk, dus van machinaal naar fotografisch zetten op een beeldscherm, moesten we een nieuwe pers kopen. Vier jaar lang heb ik mij in de avonduren moeten omscholen.’

Zowel de CPN als De Waarheid werd begin jaren negentig opgeheven, hoe was dat voor u?

‘Niet leuk. Gelijk hebben is iets anders dan gelijk krijgen. De CPN kreeg geen gelijk, zo nuchter is het. Als iets niet meer werkt, moet je iets anders verzinnen, dus was ik voor samenwerking met andere kleine linkse partijen in de nieuwe partij GroenLinks.’’

Spreekt het communisme u nog steeds aan?

‘De waarde van de filosofie van Marx staat voor mij nog steeds overeind. Het grootkapitaal verrijkt zichzelf ten koste van de arbeiders. Dat is alleen maar erger geworden; werknemers doen het gros van het werk, maar de bazen en aandeelhouders strijken het overgrote deel van de winst op. Die moet eerlijker worden verdeeld.’

Heeft u een grote liefde gekend?

‘Ja, Tiny. Ze was de dochter van de secretaris van de CPN in Maastricht, waar ik koffie ging drinken toen ik daar in 1946 gelegerd was. Na veertien jaar huwelijk zijn we gescheiden. Dat was geen lolletje. We hadden het allebei te druk en groeiden uit elkaar. Ik heb vier jaar ingewoond bij een echtpaar voordat ik een woning vond. Ik miste onze zoon en dochter, ik zag ze één keer per week en als Tiny op vakantie ging, dan was ik met ze in haar huis, daar genoot ik van.’

Als u terugkijkt op uw leven, is er dan iets wat u achteraf anders had willen doen?

‘Ik heb weleens gedacht: had ik niet beter voor een normale baas kunnen werken? Alles wat ik deed was verbonden met de CPN; dag en nacht was ik met die partij, politieke ontwikkelingen en het nieuws bezig. Ik heb mijn werk met grote inzet en toewijding gedaan. Die dertig jaar bij De Waarheid stond ik zes dagen in de week om 7.15 uur bij de eindredactie voor overleg. Vooral de jaren die ik ernaast moest studeren voor de overgang naar een offsetpers heeft een grote wissel op mij getrokken.

‘De CPN drukte een grote stempel op mijn leven. Ik weet nog dat ik een keer twee weken op vakantie ging naar Marokko. Daar werd vanuit de partij iets van gezegd, maar ik was gewoon moe en wilde twee weken op het strand liggen. Als ik losser van de CPN had geleefd, had ik meer tijd gehad voor ontspanning, voor concerten, familie en vrienden, voor het echte leven.’

geboren: 11 februari 1926 in Purmerend

woont: zelfstandig, in Purmerend

beroep: typograaf en zetter

familie: 2 kinderen, 2 kleinkinderen

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next