is journalist en columnist voor de Volkskrant.
Het was een aanbod dat ik onmogelijk kon weigeren. In Dwars, de buurtkrant voor Amsterdam-Oost, kon ik een plekje krijgen voor een persoonlijke herinnering aan Johan Cruijff en het stadion De Meer in een grote productie ter ere van zijn tiende sterfdag, op 24 maart aanstaande. Zo kwam het dat ik in gedachten weer even als vijftienjarige met de tram, lijn 9, of met bus 15 naar de Watergraafsmeer reed. Een rit naar een wonder in wording.
In dat bescheiden stadionnetje aan de Middenweg zag ik hoe de jonge Cruijff zich razendsnel ontpopte tot een voetballer die met zijn benen kon wat niemand anders kon, die met zijn ogen zag wat niemand anders zag en die met zijn hoofd een overzicht had dat niemand anders had. Over zijn voetbalkwaliteiten is al veel gezegd en geschreven, ook door mijzelf. Genoeg daarover, dit keer wil ik het hebben over zijn plaats in het grotere geheel der dingen. Want Cruijff is meer dan voetbal alleen.
Over onze columns
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Hij ontsteeg de wereld van de gewone voetbalstervelingen. Zijn naam werd een begrip en zelfs een bijvoeglijk naamwoord: cruijffiaans. Begonnen als onstuitbare wervelwind op het veld eindigde hij als een even ongrijpbare wijsgeer, wiens woorden ook na zijn dood door zijn aanbidders met cryptologische precisie worden nageplozen op diepere wijs- en waarheden.
Onlangs nog toetste een Cruijff-kenner tegenover mij Trumps gedrag en oorlog tegen Iran knap aan de wetten van ‘JC’. En op televisie noemde oud-generaal Mart de Kruif hem in één adem met Carl von Clausewitz, de Pruisische militair strateeg. Het mooie is: velen kijken niet op van zulke vergelijkingen.
Cruijff was heel veel tegelijk: zo virtuoos als hij was met de bal en met het woord, zo onnavolgbaar was ook zijn manier van denken. Hij had een heel eigen logica, die kennelijk zo aanstekelijk was dat sommige van zijn uitspraken welhaast shakespeariaanse klassiekers zijn geworden. Pas gaf zoon Jordi een nieuw voorbeeld van zijn vaders typische denktrant. Deze kwam terug van de dokter en zei: ‘ze hebben een tumor gevonden, dat is goed nieuws, want nu kunnen ze die bestrijden.’ Honderd karaat cruijffiaans.
Voor mij is Cruijff altijd een grootheid geweest, in al zijn verschijningen. In Dwars schrijf ik: ‘Het genie waarop een klein land als het onze soms aanspraak kan maken, had zich ditmaal niet genesteld in de persoon van een schilder, maar in het tengere lijf van een jochie uit Betondorp.’ Hoho Arie, draven we niet door? hoor ik u denken. Nee. Ik beweerde het al in 1997. ‘Door hem lieten we zien dat we met Rembrandt en Van Gogh niet al ons kruit hadden verschoten’, schreef ik toen in Het Parool. Ik heb dertig jaar over mijn stelling kunnen nadenken, ben sadder and wiser geworden, toch blijf ik erbij.
Voor hen die geloven in hoge cultuur moet het vloeken in de kerk zijn. Maar Cruijff is een exponent van de populaire cultuur, de massacultuur die juist in de twintigste eeuw vorm kreeg en doorbrak. Het een is niet minder of meer dan het ander. Het enige wat telt is excellentie. En daarin voorzag Cruijff ruimschoots.
Hoewel hij ook een ruziemaker kon zijn die, om verandering te bewerkstelligen, de beuk erin gooide en daarom niet bij iedereen geliefd was, werd hij een bron van nationale trots. Maar in het onschuldige. In de gepassioneerde discussies die in deze tijden van populisme, massa-immigratie en polarisatie woeden over de Nederlandse identiteit en zelfs van Willem van Oranje een twistappel maken, speelt Cruijff geen rol.
Voor zover ik zie, komt hij niet voor in promotiefilmpjes van rechts-populistische partijen. Als topvoetballer was hij een wereldster. Die zijn altijd van iedereen. Zeker in het moderne, heel multiculturele voetbal. Als hij al een politiek symbool is, dan hooguit van het Catalaans nationalisme.
Op de plek van stadion De Meer ligt tegenwoordig een woonwijk. Er is een muurschildering van Cruijff in de voor hem kenmerkende pose: wijzend, dirigerend. Oud-collega Jaap Stam, die me vroeg voor Dwars, ziet vanuit zijn huis dat er wekelijks mensen bij de plek poseren. En als hij met zijn zoon Stijn langs de muurschildering fietste, op weg naar een belangrijke Europese wedstrijd van Ajax in de Arena, bonsde de zoon met zijn vuist tegen de borst en zei: ‘We doen het voor jou, Johan.’ Bijgeloof, of meer dan dat, geloof? Zo heeft elke heilige plek zijn tempelbewaarders.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns