Home

Moet staal maar in Spanje en Zweden worden gemaakt?

is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.

‘Als je twee economen in een kamer zet, krijg je twee meningen. Tenzij een van de twee Lord Keynes is, dan krijg je er drie’, aldus Winston Churchill.

Als honderd vooraanstaande economen met één mond spreken en roepen dat twee miljard staatssteun voor Tata Steel weggegooid geld is, moet het even onomstotelijk vaststaan als dat de aarde rond is.

In een brief aan minister Stientje van Veldhoven van Klimaat en Groene Groei en de Tweede Kamer ontraden ze steun aan Tata op grond van economische doelmatigheid en effectiviteit. Het is kortom geen goede businesscase – of verdienmodel, zoals dat tegenwoordig heet. Nederland kan die middelen slimmer inzetten.

Nu zijn staalbedrijven nergens ter wereld een goed verdienmodel. Ook in China en India bungelen ze aan het lijntje van de overheid en zijn ze afhankelijk van subsidies. Donald Trump heeft het voormalige U.S. Steel zo goed als genationaliseerd. En voor staalbedrijven die de ambitie hebben groen staal te produceren door middel van waterstof, is er vooralsnog helemaal geen verdienmodel.

Bedrijfseconomisch is wat nu Tata Steel Nederland heet bijna altijd een slecht verdienmodel geweest. Toen in 1917 besloten werd tot oprichting van Hoogovens in IJmuiden was er ook geen businesscase. Een groep industriëlen onder leiding van Frits Fentener van Vlissingen vond gezien de economische blokkade van Nederland in de Eerste Wereldoorlog dat Nederland zelfvoorzienend zou moeten zijn voor voedsel en bepaalde basisindustrieën. Er was toen echter geen economenlobby die riep dat het geldverspilling was om hiervoor de duinen bij het Noordzeekanaal weg te graven.

De Nederlandse staat en de gemeente Amsterdam participeerden in het bedrijf. Omdat Nederland een kleine thuismarkt had voor staal (geen auto-industrie) was het algauw afhankelijk van de export, in een bedrijfstak waarin ieder land de eigen markt afschermde. De eigen productie van staal is geen verdienmodel maar een politiek streven.

Nu de wereld in een nietsontziend economisch machtsspel verwikkeld is geraakt, moet iedereen zelfvoorzienend zijn. De economen kijken dan niet naar Nederland maar naar Europa, en denken dat het beter kan in het noorden van Zweden of in Spanje, waar waterkracht en zonne-energie beschikbaar zijn. Maar zonder Europese regering is dat een gevaarlijk spel. Misschien staat er weer een nieuwe Franco in Spanje op – of werpt Zweden zich in handen van China. Niets is zo kwetsbaar als de Europese gedachte.

Als de Europese integratie wel wordt voltooid, zal het leiden tot een gelijk speelveld voor alle bedrijven, hetgeen betekent dat energie in Nederland niet duurder zal zijn dan in Spanje of Zweden. Windenergie waar Nederland goed in is, is nu duurder maar hoeft dat niet te blijven.

Daarnaast heeft Nederland een goede gasinfrastructuur. Want die blijft, ook nu de eigen gasvelden zijn gesloten. Voordat er voldoende rendabele waterstof beschikbaar is, zullen staalbedrijven – indien ze kolen willen uitbannen – zeker tien, zoniet vijftien jaar, op gas moeten worden gedraaid. In Nederland, maar net zo goed in Spanje en Zweden.

Zelfs als honderd economen met één mond spreken, kan sprake zijn van Babylonische spraakverwarring.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Hier de tekst

Hier de tekst

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Source: Volkskrant

Previous

Next