Japanse geisha’s De 89-jarige Teruko is de laatste geiko die is geboren en getogen in de eeuwenoude geishawijk van Kyoto. Ze ziet met lede ogen aan hoe de traditie wordt aangetast door massatoerisme en huizenhoge huren. „We zijn geen attractie, dit is ons leven.”
Steeds minder jonge vrouwen in Japan kiezen voor het zware traject om geiko (of geisha) te worden.
De zon zakt vroeg in de avond tussen de smalle steegjes van Gion, de eeuwenoude wijk in het hart van Kyoto. De 89-jarige Teruko loopt met afgemeten pas over de brede, grijze stenen die langzaam in de schaduw verdwijnen. Haar wandelstok raakt met lichte tikken de grond aan, tot ze plots stil blijft staan.
„Deze onderhoudt mijn familie al generaties”, fluistert ze. „Hier vereren wij de kinderen uit deze buurt.” Ze brengt haar handen samen en buigt kort haar hoofd naar een kleine stenen schrijn, gevangen in een stalen kooi om te zorgen dat voorbijgangers er niet aan kunnen zitten.
Haar gebed is stil. Achter Teruko staat een rij toeristen roezemoezend voor een restaurant dat Japanse zoetigheden verkoopt. Camera’s klikken. Een groep luidruchtige toeristen schuifelt achter haar langs. Teruko laat haar handen zakken, slaat een grote roze sjaal om, en loopt verder. „Vandaag is het nog rustig. Normaal kom je er nauwelijks doorheen.”
Wie door Gion wandelt ziet smalle straten, houten gevels, vrouwen in kimono die met kleine stapjes voorbijlopen. Het beeld van ansichtkaarten en reisfolders. Achter de beige muren en houten deuren gaat een gemeenschap schuil die eeuwenlang het hart vormde van een streng georganiseerde beroepscultuur: die van de geiko.
Vierhonderd jaar geleden ontstonden in Japanse steden als Kyoto speciaal aangewezen wijken: hanamachi (bloemenbuurten). Hier werkten en woonden professionele vrouwelijke artiesten die werden opgeleid in dans, muziek, zang en sociale omgangsvormen: geiko, ofwel „vrouwen van de kunst”. Buiten Kyoto raakte het woord geisha ingeburgerd, met dezelfde betekenis, maar in de oude stad bleef geiko de gebruikelijke benaming. In de hanamachi boden exclusieve theehuizen (ochaya) het podium voor hun optredens; geen vorm van sekswerk, zoals vaak wordt gedacht, maar van verfijnde kunstbeoefening.
„Mijn grootmoeder, mijn moeder, en toen ik”, somt Teruko op, terwijl ze het portiek van een hoekpand binnenstapt. „Ik ben de derde generatie.” Boven haar hoofd schommelt een rode lantaarn in de koude wind. Teruko draagt een zwarte kimono die langs haar hals tot op de millimeter is afgewerkt. De dieprode band met witte knoopjes en geborduurde bloemen sluit precies aan bij de kleur van haar lippenstift. Elk detail is zorgvuldig gekozen.
„Ik ben de laatste geiko die in deze wijk is geboren en getogen,” zegt ze somber. Ze strijkt neer op een lage barstoel en steekt een sigaret op. Aan de muren van Teruko’s bar hangen zwart-witfoto’s van een slanke vrouw in diepzwart gewaad, haar gezicht wit geschminkt, en een poster van de wereldberoemde dirigent Seiji Ozawa, getekend met ‘voor mijn Teruko’. „Dat is mijn geikonaam”, vertelt ze. „Ik ben in 1937 geboren als Hisae Yoshida en begon al op mijn zesde met lessen. Ik moest mijn moeder opvolgen.” Wie destijds geiko wilde worden, moest vroeg beginnen. „Maar dat is anders nu.”
Door de leerplicht kunnen meisjes tegenwoordig pas als tieners aan de opleiding beginnen. Leerlingen moeten tussen de vijftien en twintig jaar zijn en toestemming van hun ouders hebben, en de selectie is streng. De huismoeder (okasan) van de okiya – een soort woon- en opleidingshuis voor vrouwen die geiko willen worden – beslist na een interview of iemand voldoende gemotiveerd en gedisciplineerd is. Zelfs je zithouding kan bepalen of je wordt aangenomen of afgewezen.
Als een meisje dat heeft doorstaan worden ze een hulpje in de okiya, om het dagelijkse werk te doen: schoonmaken, boodschappen doen en meelopen. Daarna worden ze leerling, minarai, en observeren ze hoe ervaren geiko optreden en met gasten omgaan.
Teruko is de derde generatie geiko in haar familie.
Hierna kan je opklimmen tot maiko, letterlijk „dansend kind”. Dit is de fase die de meeste mensen herkennen: witte make-up, kleurrijke kimono’s, hoge kapsels. Maar achter het vrolijke uiterlijk schuilt een zware opleiding. Overdag volgen maiko les in traditionele podiumkunsten als zang en dans; ’s avonds gaan ze mee naar ozashiki om ervaring op te doen. Dit zijn besloten ontvangsten in een theehuis, waar geiko en maiko hun gasten vermaken met klassieke dans, livemuziek en gezelschapsspellen.
Van oudsher zijn de klanten vooral welgestelde Japanse mannen uit de zakenwereld of politiek. Maar de ozashiki functioneren tegenwoordig geregeld als cultureel en diplomatiek visitekaartje, waardoor het aandeel vrouwelijke en internationale klanten ook flink is toegenomen.
Na gemiddeld vijf jaar wordt een maiko een geiko, tijdens een formele overgangsceremonie die erikae heet: „het omdraaien van de kraag”. Daarbij verruilt ze haar kleurrijke maiko-uiterlijk voor een soberdere kimono en witte kraag, en gaat ze zelfstandig optreden.
Steeds minder jonge vrouwen kiezen voor het zware traject. Teruko pakt een lijst met de namen van alle actieve geiko en maiko in Kyoto. Het zijn er net genoeg om een bladzijde mee te vullen. Een aantal namen beginnen met dezelfde letters: „Die behoren tot dezelfde ‘lijn’”, legt ze uit. „Dat zijn ‘zussen’ die opgeleid zijn op dezelfde plekken.” Ze vervolgt al lezend met zachte stem: „Terutoyo, Teruhina, Teruyuki. Vroeger waren er wel zes met de naam ‘Teru-’.” Drie vingers blijven hangen op de regel. „Zij is de laatste, de rest is getrouwd of gestopt.”
In de jaren 1920 telde Japan zo’n tachtigduizend geisha. Rond 2020 waren dat er minder dan duizend. In Kyoto daalde het aantal van enkele honderden per wijk naar ongeveer 150. Japan vergrijst in hoog tempo en het aantal jonge vrouwen neemt daardoor rap af. „Vroeger kwamen meisjes hier met z’n vijftigen”, zegt Teruko. „Nu ben je blij als er tien zijn.” Dit jaar staan er elf nieuwe namen op de kandidatenlijst. „Daarbij zijn er enorm strenge regels rond omgang, maiko mogen bijvoorbeeld geen mobiele telefoon hebben”, legt Teruko uit. „Dat maakt het vak voor jongeren minder aantrekkelijk.”
De theehuiseigenaressen zijn, net als Teruko, op leeftijd en hebben vaak geen opvolger. Wanneer zij stoppen of overlijden, verdwijnt bovendien niet alleen een plek om te werken en te wonen, maar ook een cruciale schakel in de overdracht van het vak. De coronapandemie versnelde de neergang, omdat er geen klanten waren.
Ze loopt naar een verborgen kast en haalt er een klein stapeltje foto’s uit. „Het is verdrietig”, zegt ze. Het vak is volgens haar „een schat die je nooit meer kwijtraakt. Dan gaat er een hele wereld voor je open”. Ze dooft haar sigaret. „Ik ben eigenlijk gestopt”, glimlacht ze. Een paar weken geleden kreeg ze nog een pacemaker.
Teruko spreidt de foto’s uit over de toonbank. „Deze is uit de film Sayonara, met Marlon Brando. Daarin speelde ik een maiko.” Op de foto’s komen wereldleiders en beroemde kunstenaars voorbij. „Ik heb hier ergens nog een handtekening van president Gerald Ford en Henry Kissinger”, zegt ze, voordat ze een foto vindt waarop ze naast Audrey Hepburn staat. „Van alle buitenlanders die ik heb ontmoet, vond ik koningin Elizabeth het mooist.”
Teruko toont foto’s van haar met wereldleiders en beroemde kunstenaars. Op deze staat ze (tweede van links) met actrice Audrey Hepburn.
In westerse literatuur en opera groeide vanaf het einde van de negentiende eeuw het idee van de geisha als exotische en erotische vrouw, die opereerde op de grens tussen sekswerk en entertainment. Werken als Madame Butterfly en later Memoires of a Geisha versterkten die voorstelling. Jaarlijks trekken miljoenen toeristen naar Gion, in de hoop een glimp van deze mysterieuze vrouw op te vangen. „Het is een vertekend beeld”, zegt Teruko streng. „Vroeger waren er andere gebruiken. Sommige meisjes werden afgestaan om maiko te worden, terwijl anderen aan bordelen werden verkocht.” Volgens haar is dat de oorsprong van veel misverstanden.
Historici wijzen er inderdaad op dat in het vooroorlogse Japan de werelden van vermaak en sekswerk soms letterlijk naast elkaar bestonden. Geiko en prostituees werkten in dezelfde straten en woonden dicht bij elkaar, waardoor het onderscheid voor buitenstaanders moeilijk zichtbaar was. Tegelijk was er wel al een formeel onderscheid tussen hanamachi en bordelen, wat in 1956 wettelijk werd vastgelegd met de anti-prostitutiewet.
Maar het onderscheid ging in de beeldvorming verloren, niet alleen in films, ook in de toeristenindustrie. In tientallen winkels rond Gion kunnen bezoekers een kimono huren, compleet met make-up en kapsel, om verkleed als maiko door Kyoto te banjeren.
Taiwanese toeristen lopen verkleed als maiko door de wijk Gion in Kyoto.
Kyoto stelde in 2023 in delen van Gion strengere regels in om overlast van toeristen te beperken. Zo wordt het betreden van privéterrein bestraft.
„Wij zijn geen attractie”, zegt Teruko ontsteld. „Dit is ons leven.” Bewoners klagen al jaren over toeristen die maiko achtervolgen, zonder toestemming fotograferen of aanraken. „Laatst duwde iemand een brandende sigarettenpeuk in de mouw van een van onze meiden,” vertelt Teruko.
Volgens haar hangt dat gedrag samen met het hardnekkige buitenlandse beeld van geiko en maiko als ‘beschikbare’ vrouwen. Het respect is daardoor zichtbaar afgenomen, verklaart ze. „Vroeger vroegen mensen of ze een foto mochten maken”, zegt ze. „Nu houden ze gewoon hun telefoon omhoog.”
Kyoto stelde in 2023 in delen van Gion strengere regels in. Wie een geiko of maiko zonder toestemming fotografeert, volgt of aanraakt, riskeert een boete tot 500.000 yen (ongeveer 2.710 euro) of een gevangenisstraf van maximaal zes maanden. Ook het betreden van privéterrein wordt bestraft. De maatregelen hebben de ergste overlast ingeperkt, maar nog lang niet alles.
Toch is het grootste probleem van de toeristische explosie in Gion niet de drukte op straat en de bijkomende overlast, maar wat die met het traditionele economische systeem van de wijk doet.
Teruko’s kleine bar begint voller te raken. Een jonge vrouw verschijnt in de deuropening, in een blauwwitte kimono vol bloemen. „Ik ben Kokinu”, zegt de jonge maiko. Ze overhandigt een visitekaartje van washi-papier aan tijdschriftuitgever Satoshi Sakurai, die haar heeft uitgenodigd. Daarna geeft ze er een aan een jonge arts, die deze avond door Sakurai in Gion is geïntroduceerd. „Kuwano Yutaro”, antwoord hij verlegen. „Hij zoekt een goede vrouw”, zegt Sakurai grappend. Ze lachen ongemakkelijk naar elkaar.
In Gion draait veel om vertrouwen. Zo wordt een avond in een theehuis niet direct afgerekend. Geen pinapparaat en geen rekening op tafel. Wie komt, bouwt een relatie op door regelmatig terug te keren. De rekening volgt pas weken, soms maanden later. In de tussentijd moet een gast laten zien dat hij zich correct gedraagt. Alleen dan blijft hij welkom. Het theehuis vertrouwt daarbij ook op degene die de gast heeft binnengebracht. „Dat heet ichigen-san okotowari,” zegt Teruko. „Nieuwe gasten komen alleen binnen via iemand die al bekend is.”
Onderzoekers van de Universiteit van Kobe tonen aan dat dit systeem van wederzijds vertrouwen de economische ruggengraat van de hanamachi vormt. Betaling verloopt via het theehuis en blijft buiten de directe omgang tussen geiko en gast.
Maar toeristen kennen de regels niet, bouwen zelden relaties op en dragen daardoor amper bij. „Ze komen kijken”, zegt Teruko, „en daarna zijn ze weer weg.”
De maatregelen van de gemeente hebben de ergste overlast ingeperkt, maar nog lang niet alles.
Tegelijkertijd heeft de groeiende bezoekersstroom wel tot gevolg dat grondprijzen in Gion sinds het begin van de eeuw twee- tot driemaal zo hoog zijn geworden. Traditionele theehuizen worden opgekocht door vastgoedinvesteerders, vaak na het overlijden van een eigenaar zonder opvolger. Ze worden omgebouwd tot hotels, luxe kledingwinkels, restaurants en hippe koffiezaken.
Voor de kleine ondernemers die de geikowereld dragen, valt hier niet mee te concurreren. Aan de buitenkant blijft Gion daardoor intact – strenge regels beschermen de gevels en het historische straatbeeld – maar er is nauwelijks beleid dat de gemeenschap zelf beschermt.
Onderzoekers spreken inmiddels van een structureel knelpunt: zonder jonge instroom, zonder kennisoverdracht en zonder betaalbare plekken om te werken en op te leiden, valt de geikowereld stil, ondanks de groeiende publieke belangstelling.
„Ik denk dat onze bloemenwijk langzaam verdwijnt”, zegt Teruko. De tafels liggen nadat de laatste klanten zijn vertrokken bezaaid met lege ijsglazen en resten whisky. Na een buiging en een dankwoord gaat Teruko op een laag bankje zitten.
Boven haar weerspiegelen de lampen in het glas van een ingelijst schilderij: een portret van haarzelf, jong, in kimono. Een cadeau van een kunstenaar, vertelt ze. „Ik zou willen dat onze cultuur beter beschermd werd. Het is verdrietig, maar er valt nu weinig meer aan te doen.”
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen