Onderwijs Veel mbo-scholen hebben een ‘practor’ die onderzoek doet. Op ROC Albeda is dat Kayla Green. Ze vraagt studenten wat de school kan doen om hun welzijn te verbeteren. „Wat moet Albeda vanaf morgen echt anders doen?”
Kayla Green, onderzoeker en practor gelijke kansen, tijdens een les bij Albeda Weena.
Ze zouden nu eigenlijk de vakken bedrijfsadministratie en loopbaanbegeleiding hebben. Maar mbo-docent en mentor Chaima Tannouj loodst haar studenten vandaag een ander lokaal in. Jassen uit, laptops kunnen in de tas blijven. „Oké dames en heren, even iets anders dan de normale les”, zegt Tannouj. „Jullie krijgen een workshop van Kayla Green, die op onze school onderzoek doet naar het welzijn van studenten.”
NRC volgt dit studiejaar een klas van ROC Albeda in Rotterdam om beter zicht te krijgen op wat er speelt in het middelbaar beroepsonderwijs. Het zijn eerstejaars Finance & Control, mbo-niveau 4. Vandaag krijgen de studenten een bijzondere les, van de zogenoemde practor van school, vergelijkbaar met een lector op een hogeschool. Het verschil is dat het onderzoek op het mbo praktijkgericht is en verbeteringen moet opleveren die direct kunnen worden toegepast op school. Practoraten maken de laatste jaren een snelle opmars. Er zijn er nu bijna 160.
Niet alleen de practor is een nieuw gezicht voor de studenten. Tannouj heeft voor de workshop twee klassen uitgenodigd, waardoor niet alle studenten elkaar kennen. Dat ze nu samen in een lokaal zitten heeft een reden, legt de docent uit. Degenen die het tot nu toe bovengemiddeld goed hebben gedaan, vormen binnenkort een ‘versnellersklas’ en kunnen binnen twee jaar hun diploma halen. De anderen blijven het oorspronkelijke traject van drie jaar volgen en worden ook samengevoegd tot een klas. „Daarom worden jullie nu alvast gehusseld”, zegt Tannouj.
De tafels staan in groepjes tegen elkaar geschoven. Als iedereen een plek heeft gevonden, zegt de practor dat de stem van jongeren voor ROC Albeda belangrijk is. „Ik ben hier vooral om van jullie te leren.” Ze hoopt van de studenten te horen „wat goed gaat en wat niet, en waarvan jullie denken: dat moet Albeda vanaf morgen echt anders doen”.
Green vertelt dat ze van lekker eten houdt en van R&B-muziek uit de jaren negentig. Haar collega Julianna Lopez, die is meegekomen om te assisteren, houdt van dansen. Green: „Dan hebben jullie een beetje een idee wie wij zijn, dat we niet alleen maar nerdy onderzoek doen.”
Green volgde vorig jaar Mohamed Bouziane op als practor gelijke kansen bij Albeda. Daarnaast heeft ze een aanstelling als postdoctoraal onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zo kan ze wetenschappelijke kennis over jongeren toetsen aan de praktijk. Nadat ze vorig jaar – cum laude – promoveerde op haar onderzoek naar factoren die het mentaal welzijn van jongeren beïnvloeden, organiseerde ze een ‘maatschappelijke verdediging’ van haar proefschrift op Albeda. Nu maakt ze een tour langs verschillende vestigingen van de school om met studenten in gesprek te gaan. Vandaag is het Weena aan de beurt.
Kayla Green tijdens de speciale les bij Albeda Weena.
Met de studenten van Albeda gaat het gemiddeld genomen best goed, weet Green. Zij geven hun welzijn een 7,5, bleek uit de Albeda Check-in, een vragenlijst die vorig najaar op haar verzoek door tweeduizend studenten werd ingevuld. De prestatiedruk op school beoordeelden ze met een 6,5. Tegelijkertijd geeft 8 procent hun welzijn een onvoldoende. „We zien kleine genderverschillen”, zegt Green. „Meiden scoren net iets lager.”
Ze vraagt de studenten te gaan staan. Ze gaan ‘over de streep’ doen, een werkvorm die vaker wordt gebruikt om in een groep het gesprek over gevoelige onderwerpen op gang te brengen. Op een beeldscherm verschijnt de stelling ‘Eenzaamheid komt vooral voor bij ouderen en niet bij jongeren’. „Als je het daarmee eens bent, mag je naar het raam toe lopen”, zegt Green. „En als je het er niet mee eens bent, mag je naar de andere kant.” De meeste studenten lopen naar het raam. Drie vinden dat leeftijd er niet toe doet; je kunt ook jong zijn en eenzaam zijn. Merken ze wel eens dat medestudenten eenzaam zijn, vraagt de practor. Een jongen knikt. Hij ziet op school mensen in hun eentje zitten.
De volgende stelling. ‘Jongeren van nu hebben het mentaal moeilijker dan de vorige generatie’. Weer is de meerderheid het eens. Het leven is duurder geworden, zeggen de studenten. En vroeger waren er geen sociale media. Green: „Moet er voor jongeren een verbod op sociale media komen?” Daar verschillen de meningen over. Sommigen zijn voor, anderen vinden het je eigen keuze wat je online doet. Bij veel apps geldt al een leeftijdslimiet, zeggen ze, een verbod is dus niet nodig.
De studenten mogen weer gaan zitten. Green vertelt over haar onderzoek. Uit de Albeda Check-in bleek dat een op de zeven studenten zich vaak alleen voelt. „Daar gaan we het over hebben.” Het tweede thema dat ze wil voorleggen is ook al langsgekomen: sociale media. Green: „Een op de acht studenten ziet op sociale media naaktfoto’s langskomen van leeftijdgenoten die zij kennen. Maar studenten halen er ook hun nieuws vandaan en voor sommigen is dit júíst de plek waar zij zich geaccepteerd voelen.”
In groepjes van vier gaan de studenten in gesprek. Wat werkt tegen eenzaamheid, en wat vinden ze een gezonde manier om met sociale media om te gaan? Is er iets wat school kan doen om studenten te helpen? Op een groot vel papier kunnen de groepjes de uitkomsten van hun gesprek kwijt.
In een van de groepjes gaat het over naaktfoto’s. Een jongen vindt het je eigen schuld als die ongewild op sociale media belanden: dan had je ze maar niet moeten maken. Zijn stem voert de boventoon in het groepje, niemand spreekt hem tegen. Lopez probeert het gesprek breder te trekken. „Welke tips kunnen jullie verzinnen voor andere jongeren om met sociale media om te gaan?” Er volgt een brainstorm. „Het is oké om nieuwe mensen online te leren kennen”, schrijft het groepje uiteindelijk op, maar „doe geen dingen waar je spijt van krijgt”.
Een ander groepje praat over eenzaamheid. Ze vinden het een lastig probleem waar ze moeilijk oplossingen voor kunnen bedenken. De vraag is ook wat Albeda kan doen. „Meer evenementen organiseren waar jullie elkaar kunnen ontmoeten, zou dat helpen?” oppert Lopez. Het groepje vindt het een goed idee, mits de school van tevoren peilt wat studenten willen. Evenementen moeten een duidelijk doel hebben, anders vinden ze het tijdverspilling.
Na afloop bespreekt de practor de uitkomsten. Een telefoonverbod in de klas willen de studenten niet, en Albeda hoeft wat hen betreft niet op TikTok. Verder willen ze kortere lesdagen, zodat ze meer tijd hebben om met vrienden op te trekken. De practor bedankt de studenten, ze mogen naar huis.
Een paar weken later staat Green weer voor een groep, ditmaal op de hoofdlocatie in Rotterdam-Zuid. Er zitten leden van het college van bestuur, studentcoaches en de studentenraad. En een bijzondere gast: Rianne Letschert (D66), de nieuwe minister van Onderwijs. Het is haar eerste werkbezoek, ze wilde graag naar een mbo-school. „Ik wil veel leren”, zegt Letschert, „want ik kom zelf uit de universitaire wereld.” Green is gevraagd om te vertellen over haar onderzoek, een ambtenaar van het ministerie maakt aantekeningen.
Kayla Green legt de mbo-studenten een stelling voor.
Uit de Albeda Check-in, die vanaf nu elk halfjaar wordt herhaald, blijkt dat de studenten zich vooral zorgen maken over het vinden van een betaalbare woning, de oorlogen in de wereld en de veiligheid in Nederland, vertelt Green. „We hebben ook gevraagd: wat zorgt ervoor dat je je veerkrachtig voelt op het moment dat het niet goed gaat?” Als eerste noemden de studenten: praten met ouders of andere familie. Dat verbaasde haar niet. Maar wat ze daarna noemden vond ze verrassend: muziek luisteren of zelf maken. Praten met vrienden kwam pas daarna.
Voor de school is dat interessante informatie, zegt de practor. Er wordt vaak ingezet op het bespreekbaar maken van mentale problemen. Voor een deel hebben de studenten daar ook behoefte aan. Maar muziek blijkt dus ook te werken. „Daar denkt Albeda nu over na, hoe we daar meer mee kunnen doen.”
Dit is het derde deel van een serie over een studiejaar in een mbo-niveau 4 klas van de opleiding Finance & Control, op ROC Albeda in Rotterdam.Op de arbeidsmarkt is veel behoefte aan mensen met een mbo-opleiding, maar er stromen niet genoeg studenten in om te voldoen aan deze vraag.
In de politiek wordt nagedacht over manieren om het mbo aantrekkelijker te maken voor scholieren. Toenmalig minister van Onderwijs Robbert Dijkgraaf (D66) wilde een eind maken aan het denken in ‘hoge’ en ‘lage’ onderwijstypes. Hij stuurde havo- en vwo-leerlingen een brief waarin hij hen wees op het mbo als volwaardige vervolgopleiding.
Ook zijn opvolgers pleitten voor een ‘herwaardering’ van het mbo in de samenleving.Is daar in de praktijk al iets van te merken? Hoe kijken mbo-studenten zelf naar hun opleiding? Worden zij hetzelfde behandeld als hbo- en wo-studenten, bijvoorbeeld bij stages? En welke begeleiding krijgen ze als het niet goed gaat op school en ze dreigen uit te vallen?
Met de school is afgesproken dat omwille van de privacy geen namen van studenten of alleen hun voornamen worden gepubliceerd.