Home

Ze bekeek me van top tot teen. Haar indringende blik maakte plaats voor eentje van onverschilligheid

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Het was een uitstekende avond en ik had mezelf niet voor lul gezet. Dacht ik, tot ik een paar dagen later – de kater weggezakt en de mist in mijn hoofd opgetrokken – door de foto’s op de website van het feest bladerde, een gezicht zag en daarbij tot het besef kwam dat ik mezelf toch wél voor lul had gezet. Het had erger gekund, zei ik tegen de spontane maagkramp.

Vooraf vreesde ik dat mijn liesbreuk op de dansvloer nog verder zou openscheuren, mijn darm naar buiten zou komen, iemand met een stilettohak erop zou gaan staan en net op het moment dat Whitney Houston aan het refrein van I Wanna Dance With Somebody begon, de boel tot ontploffing zou komen en literair Nederland bedolven werd onder bloed en feces.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

‘Dan heb je in ieder geval bekijks’, zei mijn vrouw over dat scenario. Dat ik het waarschijnlijk niet zou overleven deed er even niet toe. Evenmin hoe ze dit aan andere mensen zou moeten vertellen. ‘Julien is geëxplodeerd op het Boekenbal. Tja.’ Maar mijn liesbreuk hield het.

Waarschijnlijk waren de zorgen rondom een potentiële catastrofe wel een van de redenen dat ik mentaal niet helemaal ingecheckt was toen ik halverwege de avond in een confrontatie met een beveiliger terechtkwam. Met een bevriende schrijver was ik zojuist terug naar de ingang gelopen, omdat ze bij het binnenkomen geen zakje met muntjes voor gratis drank had gekregen. Ze wist twee zakjes te grijpen en tevreden met onze buit liepen we terug richting bar en dansvloer. We kwamen de hoek om, liepen de foyer in en wilden de trap opgaan toen we een beveiliger op ons pad troffen. Ze was een jaar of vijf jonger dan ik, gekleed in plechtig zwart, had donkere krullen en keek me indringend aan, alsof ik ergens liep waar ik niet mocht lopen.

‘Sorry’, zei ik tegen haar, ‘maar is het goed als we hier naar boven gaan?’ Ik wees naar de trap rechts van ons. Ze bekeek me van top tot teen. Haar indringende blik maakte plaats voor eentje van verbazing en vervolgens onverschilligheid. ‘Weet ik veel, doe je ding’, zei de beveiliger. Die dus helemaal geen beveiliger bleek. En ze had zich ook helemaal niet verkleed als een beveiliger, maar was gewoon een jonge vrouw in een fraai zwart colbert met zilveren broche (en niet een zilveren insigne) die me indringend had aangekeken.

Ze was ook nog eens bevriend met de schrijver met wie ik op muntenjacht was. Daarom moest ik nog minutenlang in de foyer blijven staan terwijl beide vrouwen bespraken hoe dom ik was. Ik onderging het knikkend en met de gepaste nederigheid.

Maar ondertussen wist ik dus nog steeds niet of we nou via deze trap naar boven mochten.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next