Veel mensen vertonen kwalijk uitstelgedrag. Maar te snel reageren is ook niet goed en dat is minder bekend, schrijft Robbert Dijkgraaf.
Uitstelgedrag of procrastinatie heeft een slechte naam. Eindeloos zaken laten liggen gaat aan je knagen. Daarom roepen cursussen tijdmanagement op taken voortvarend aan te pakken. Uitstel is afstel. Aan de slag!
Maar het omgekeerde gedrag, precrastinatie genoemd, is ook een valkuil. De drang om op iedere impuls onmiddellijk te reageren en taken zo snel mogelijk af te vinken, is een sluipend en misschien wel groter kwaad dan de bekende tegenhanger.
Mijn ouders waren grootmeesters in precrastinatie. Zó bang waren ze de trein te missen, dat we een extra vroege bus naar het station namen. Daar kwamen we dan veel te vroeg aan, zodat de vorige trein er nog stond. We renden hard om deze nog te halen, maar tevergeefs. Hadden we wel een heel uur om op adem te komen.
Het begrip precrastinatie werd zo’n tien jaar geleden geïntroduceerd door de Amerikaanse psycholoog David Rosenbaum. In het zogeheten emmerexperiment werden studenten gevraagd een volle emmer naar het einde van een steeg te dragen. Er stonden meerdere emmers opgesteld. Het zou logisch zijn de emmer vlak bij de eindstreep te pakken. Toch grepen de meeste deelnemers vaak de dichtstbijzijnde, die juist het verst van het eindpunt stond en dus meer inspanning vergde. Op de vraag waarom, antwoordden ze: ik wilde de taak gewoon snel afmaken. Ironisch genoeg zorgde hun daadkracht ervoor dat het juist langer duurde. We doen trouwens allemaal mee aan het emmerexperiment wanneer we in de supermarkt al bij binnenkomst een zware zak aardappelen in ons winkelmandje laden.
Precrastinatie is het spiegelbeeld van uitstelgedrag en op het eerste gezicht het tegendeel. Maar in beide zwaktes schuilt dezelfde logica. Niet de aard van de taak dicteert het tijdstip van actie, maar de mentale druk. De uitsteller ontvlucht het pijnlijke begin, de precrastinator het knagende wachten.
Als je dus niet te snel maar ook niet te laat moet reageren, ligt de waarheid dan in het midden? Nee, de wiskunde geeft een preciezer antwoord. Het klassieke „secretaresseprobleem”, nu liever het optimale-stopprobleem genoemd, formuleert de vraag scherp: hoe kies je de beste kandidaat uit een rij sollicitanten als je bij elke kandidaat direct moet beslissen deze wel of niet aan te nemen? Wie te lang wacht, heeft de beste opties waarschijnlijk aan zich voorbij laten gaan — dat is het lot van de procrastinator. Maar de precrastinator, die bij de eerste paar sollicitanten al denkt genoeg te hebben gezien, zal bijna zeker betere kandidaten die later komen mislopen.
Het verrassende antwoord, wiskundig bewezen in de jaren zestig, luidt als volgt: laat de eerste 37 procent van de sollicitanten passeren zonder er een uit te kiezen. Gebruik deze fase puur om te kalibreren, teneinde een gevoel te krijgen voor de kwaliteit van het aanbod. Kies daarna de eerste kandidaat die beter is dan alle voorafgaanden. Deze strategie blijkt de grootste kans te bieden dat je de beste persoon kiest, en die kans bedraagt ook weer 37 procent (in wiskundige termen trouwens 1/e, met e het getal van Euler).
Zowel uitstel als ongeduld hebben hier dus een prijs die je exact kunt berekenen. Opmerkelijk genoeg blijken mensen in concrete realisaties van dit wiskundig probleem — de zoektocht naar een woning, het afstruinen van de winkelstraat — typisch eerder te stoppen dan de 37%-regel adviseert. We neigen van nature naar precrastinatie, niet naar het tegendeel.
In werkelijkheid weten we natuurlijk niet hoeveel keuzes het leven ons biedt. En iedere afweging vraagt bovendien weer extra energie. Maar mijn advies aan afgestudeerden die hun eerste baan zoeken, zou wel zijn dat het geen kwaad kan eerst een aantal mogelijkheden aan je voorbij te laten gaan om een gevoel te krijgen voor het aanbod.
Het patroon van precrastinatie is wijdverbreid. In de wetenschap wordt de eerste plausibele hypothese vaak gemakkelijk als werkhypothese omarmd, wat latere bewijsvorming kleurt en alternatieve verklaringen moeilijker maakt. In beleid wordt op crisissignalen gereageerd voordat de diagnose compleet is, waardoor symptomen worden bestreden in plaats van oorzaken. Er is weinig begrip voor politici die wat meer tijd vragen voordat ze met een doordachte reactie komen. Dan klinkt al snel „slap gedoe!”
Vooral in de dagelijkse communicatie — de snelle e-mail, de directe reactie in de vergadering — wordt tijd voor reflectie gemakkelijk ingewisseld voor het afgevinkte vakje. Wat ik van veel twintigers hoor is niet hoopgevend. Ze verwachten van elkaar dat iedere e-mail, app of Slack-bericht binnen enkele minuten wordt beantwoord. Snelheid is de norm geworden, niet de kwaliteit van de reactie. Dit is wat ik graag het soufflé-effect noem: als je iedere minuut de ovendeur, dan wel de inbox, opent, krijgt het baksel nooit de rust om te rijzen.
De ironie is dat precrastinatie gemakkelijk te verwarren is met daadkracht. Wie onmiddellijk reageert, oogt besluitvaardig. In een cultuur die snelheid vereert wordt een lege inbox als een topprestatie gezien. En alle nieuwe technologie doet er nog een schepje bovenop. Als je één minuut te laat bent in een online-vergadering, gaat men zich al zorgen maken. Maar daadkracht en snelheid zijn niet hetzelfde. De eerste is een oordeel, de tweede een reflex.
Ieder denkproces heeft twee fases, net als ademhalen. Eerst diep inademen: de blik verruimen, ideeën genereren en het grotere geheel beschouwen. Dan uitademen: inzoomen, afwegen en tenslotte besluiten. De precrastinator slaat die eerste fase over en staat alleen maar uit te hijgen. Net als ons gezin, buiten adem op een leeg perron.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin