Home

De poëzie van Han Kang: ‘Al is het overbodig om toe te lichten/ er bestaat geen enkel verband tussen Mark Rothko en mij’

Han Kang Met de nauwkeurige observaties van binnen- en buitenwereld laat de Zuid-Koreaanse dichteres iets zien waar zelfs een schilder als Rothko niet gemakkelijk bij kan. Door te omarmen wat onvermijdelijk en pijnlijk is, ademen haar gedichten iets onverzettelijks.

Waar gaat een binnenwereld over in de buitenwereld? In de gedichten van Han Kang ligt daar geen duidelijke scheiding, maar een oneindig overgangsgebied. In dat schemergebied ontstaat een geheel eigen wereld waarin niets een vaste vorm heeft.

Han Kang: Ik leg de avond in een la. (Seorab-e jeonyeog-eul neoheo dueodda) Vert. Mattho Mandersloot.

Nijgh & Van Ditmar, 112 blz.€ 20,-

In 2024 won Han Kang (Gwangju, Zuid-Korea, 1970) de Nobelprijs voor Literatuur „voor haar intense poëtische proza dat trauma’s onderzoekt en de kwetsbaarheid van het menselijk leven blootlegt”. Wie De vegetariër (2015) heeft gelezen, de roman over een vrouw die langzaam in een boom verandert, zal het niet verbazen dat de auteur van deze romans ook dichter is.

Haar taal is zowel in haar proza als in haar poëzie weloverwogen, op het pijnlijke af, geladen met betekenisvolle beelden en dwingend in haar bezwerende traagheid. Ik leg de avond in een la laat ervaren dat poëzie een middel kan zijn om op een schurende manier iets in te brengen tegen het voorbijrazen van het leven. Woord voor woord, beeld voor beeld kerft Han secuur haar wereld op papier – een wereld die van de lezer nauwlettende aandacht vergt, om geen detail te missen. Witruimte en afbrekingen, na soms een enkel woord, dragen bij aan de indruk dat elk woord telt.

De bundel als geheel is een studie van hoe de tijd om zich heen grijpt. De dood is altijd nabij en elke nieuwe dag, al hult die zich in een zonsopgang, is een teken van het naderende einde. De dichter neemt hoe het licht zich daarbij precies gedraagt zo serieus als een schilder zou doen. Het is dan ook niet toevallig dat de schilder Mark Rothko, meester van kleurschakeringen, een rol speelt in deze bundel, al luiden de eerste regels van het gedicht Mark Rothko en ik – De dood in februari: „Al is het overbodig om toe te lichten/ er bestaat geen enkel verband tussen Mark Rothko en mij.” Alleen al door die ontkenning ontstaat dat verband onmiddellijk.

Han stelt te zijn geboren op het moment dat Rothko het leven liet. „Een paar dagen voor of na/ de vroege ochtend waarop hij in het keukentje van zijn atelier/ zijn polsen doorsneed/ bedreven mijn ouders de liefde/ en niet veel later/ vormde een stipje leven zich/ in de warmte van een baarmoeder/ aan het einde van die winter, zijn lichaam nog intact/ op een begraafplaats in New York”.

Er is géén verband tussen beiden, herinnert de lezer zich, maar je kunt toch niet anders dan denken dat zijn geest ergens heen moest en misschien wel het pasgeboren lichaam van Han heeft bereikt. Of is dat misschien een ijdele vorm van hopen? Hoop – een uitweg die hier wel erg diep tussen de regels wordt geboden?

Hoop bieden

De gedichten van Han doen geen opzichtige poging hoop te bieden, waarmee ze zich verzetten tegen wat veel hedendaagse poëzie lijkt te willen: troost aanbieden op een dienblad, verzachten en zalvend een uitweg suggereren. Juist in het omarmen van wat onvermijdelijk en pijnlijk is, en daarin een onwaarschijnlijke schoonheid te vinden in taal, ademen de gedichten van Han iets onverzettelijks. Veerkracht, meer dan hoop. Levenslust, ondanks alles.

Dat ‘alles’ behelst een door politiek verwrongen wereld, die Han onder meer een plek gaf in de roman Mensenwerk (2016) over de wreed neergeslagen Gwangju-opstand in 1980. Dat directe beelden van opstand, geweld en onderdrukking in Ik leg de avond in een la niet voorkomen, wil niet zeggen dat ze niet sluimerend op de achtergrond aanwezig zijn. Ook in deze bundel sijpelt pijn en een besef van geweld en onderdrukking door, waarbij vooral bij natuurbeschrijvingen momenten van verzet subtiel een kans krijgen, zoals in het gedicht Juni:

En toch leek de hoop een besmettelijk virus.Langs het achterpad waar het vlas had gebloeidwas alleen nog gras dat niet meer overeind kon staan, gras datdoor de regen tegen de grond was gedrukt.De brandende pijn beperkte zich niet tot mijn hart,mijn voetzolen,mijn maag die het gewend was hele nachten te lijden.Wat zorgde ervoor dat ik ging lopen? Dat ikmijn schoenen aantrok?Wat duwde me in de rug?

Het platgetrapte gras kan niet meer overeind staan, maar de ik-figuur trekt, ondanks de pijn in haar hart en voetzolen, haar schoenen aan en wordt door een onzichtbare kracht aangespoord zich te blijven voortbewegen en zich te keren tegen wat platdrukt, uitbuit en neerslaat. De stem die haar aan het slot van het gedicht blijkt aan te sporen is „geen stem die je met de oren waarneemt,/ geen lied dat je kunt kiezen/ niet te horen”: de holle stem van trauma en verlies.

Met de nauwkeurige observaties van binnen- en buitenwereld laat de dichteres bovendien iets zien van waar zelfs een schilder als Rothko niet makkelijk bij kan. In Lied bij dageraad wordt aan de hand van wat zich afspeelt „tussen het lentelicht en de uitdijende duisternis” de discrepantie weergegeven tussen een situatie en de ervaring ervan.

In de kier tussen het lentelichten de uitdijende duisternisflakkerteen halfdode zielen ik sluit mijn lippen

Omdat je zou verwachten dat bij dageraad het licht uitdijt, lijkt zich een tegengestelde wereld te openen, die misschien de binnenwereld is, waarin een donkerte toeneemt bij het aanbreken van de dag. De ik-figuur sluit haar mond, als om de dood buiten het lichaam te houden – iets wat in de bundel een terugkerend motief is.

Lente is lenteAdem is ademZiel is zielEn ik sluit mijn lippen

De ik-figuur zoekt houvast in wat ze weet of meent te weten, maar door de herhaling van de woorden lijkt hun betekenis juist op te lossen: weten we wel wat ze betekenen?

Tot waar strekt ze zich uit?Tot waar dringt ze door?Ik wacht afZodra de kier zich sluit spreid ik mijn lippenZodra mijn tong ontdooitspreid ik mijn lippenNog een keerNu nog een keer

Die lippen, dragers van de gesproken taal, zijn in deze bundel soms een wapen tegen de wereld, soms tegen de binnenwereld. En soms is er geen taal meer. Dan voegt Han een grijze pagina toe die voorafgaat aan een zwarte pagina. Zo ontstaat een beeldende schakering die uitdrukking geeft aan het verglijden van de tijd en gradaties van wat verdriet, rouw, of wanhoop kan zijn.

De voortstuwende tijd wordt in deze bundel neergezet als een niets en niemand ontziend regime. De dood is als schaduw altijd nabij. Maar het is ook de tijd die maakt dat wij verschillen kunnen opmerken tussen het ene en het andere moment. Dat we misschien wel juist door de meest onooglijke details ons ervan kunnen vergewissen dat we bestaan.

In het slotgedicht ziet de ik-figuur een zwarte boom waarvan ze dacht dat hij dood was weer tot leven komen.

Het verdwijnende lichttrok doorzichtige strepen

(Levend als ik ben)strekte ik mijn hand naar de stam

Tussen haakjes lijkt ook de ik-figuur op te veren.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next