Home

Ted van Lieshout is vooral bezig om te bewijzen dat hij bestaat, zo blijkt uit zijn prikkelende autobiografie

Ted van Lieshout In een autobiografisch boek beschrijft Van Lieshout met veel humor zijn zoektocht naar zijn juiste artistieke vorm. Daarbij geeft hij antwoord geeft op de vraag wat kunst eigenlijk is.

Door Ted van Lieshout bewerkte agendablaadjes.

Met Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken? heeft Ted van Lieshout ontegenzeggelijk zijn belangrijkste boek gemaakt. Op de achterflap spreekt de uitgever van een „autobiografie-in-beelden” die een uitgebreid overzicht van zijn werk biedt en inzicht in de keuzes die hij als schrijver/ dichter, illustrator en vormgever maakte. Maar het monumentale boek is veel meer dan Van Lieshouts eigen „papieren tentoonstelling”. Het is ook en vooral een oprecht verhaal in woord en beeld van een totaalkunstenaar die zich in zijn zoektocht naar zijn juiste artistieke vorm en een antwoord op de vraag wat kunst eigenlijk is, ontwikkelde van „een schuchter mannetje tot een zelfbewuste, zelfverzekerde man die uiteindelijk durfde waar hij vrees voor had”: buiten zijn grenzen treden.

Ted van Lieshout: Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken? De tentoonstelling. Leopold, 379 blz. € 39,99

De grap is natuurlijk dat Van Lieshout dit ook doet in Wat heb jij gedaan om mij gelukkig te maken? Vanaf de openingsbladzijde speelt hij een geraffineerd spel met vorm en inhoud waarbij hij de grenzen van het autobiografisch genre oprekt. Dat spel begint met een brief die Van Lieshout van Illustratiehuis Amsterdam ontvangt. Daarin wordt hij verzocht beeldend werk te selecteren vanwege zijn veertigjarige jubileum als schrijver dat samenvalt met zijn zeventigste verjaardag. Van Lieshout (1955) is weinig enthousiast. Liever exposeert hij in Boymans dan in „het Buurthuis”. Bovendien vindt hij de opdracht onmogelijk: „hoe kan ik nou uit een halve eeuw noeste arbeid kiezen als ik maar twintig werken mag laten zien?” Toch gaat hij akkoord. De uitnodiging is een goed excuus zijn archief op te ruimen, ondertussen kan de lezer al dat werk zien. Wat te kiezen en wat te verliezen resulteert vervolgens in een doorlopende, levendige dialoog tussen de zeventigjarige man die hij nu is en een door hem tot leven gewekte zeventienjarige versie van hemzelf.

Feit en fictie

Die dialoogvorm is niet nieuw voor Van Lieshout. Maar in een boek dat een autobiografie suggereert, doet zo’n begin je wel direct op het puntje van je stoel zitten: want waar ligt de grens tussen echt gebeurd en echt verzonnen? Bestaat dat illustratiehuis wel? En hoe zit het met de twee brieven aan Jelle waartussen de dialoog is ingebed en die enkele zeer persoonlijke passages en anekdotes bevatten? Is dit Jelle Van Riet, literair journalist bij De Standaard? En zijn deze brieven echt? Daar komt geen antwoord op. Maar dat is niet erg. Integendeel. Van Lieshout, die de Rietveld Academie doorliep en zijn loopbaan begon als een onzeker illustrator weet als geen ander dat een waarachtig zelfportret meer is dan het zo realistisch mogelijk natekenen van jezelf. Wie de ziel wil vangen zal voorbij de details moeten kijken. Of zoals Van Lieshout tegen zijn zeventienjarige zelf zegt: „Een klein beetje afwijken is mooier.” Precies dat is wat Van Lieshout onderscheidt als kunstzinnig bouwer van zijn eigen boeken en wat dit werk spannend maakt om te lezen en bekijken.  

Zelfportret uit 1983, gemaakt met de zelfontspanner.

Prikkelend bijvoorbeeld zijn de vaak dubbelzinnige, vinnige meningsverschillen over de vraag welke archiefstukken vanuit artistiek perspectief de moeite waard zijn. Zo is de zeventienjarige Ted op voorhand al trots op de precieze met een Rotring-pen gemaakte zilvertekeningen die hij als student zal maken, terwijl Van Lieshout ze juist afwijst. „Je ziet aan bijna al mijn werk uit die tijd dat ik niet durfde om écht een tekening te maken”, legt hij uit. „Daar heb ik nu moeite mee, dat ik niet durfde. Dat ik een schijtlijster was.” Zijn zeventienjarige zelf reageert verongelijkt: „Als het je eigenlijk niets kan schelen wat ik ervan vind, waarom denk je me dan niet weg?” Van Lieshout: „Ik wil je wel wegdenken, maar je hebt je genesteld in mijn geweten en daar kan ik niet mee in gevecht.”

Humor en zelfspot

Gelukkig zit er veel humor in het boek. De wederzijdse plagerijen getuigen van zelfspot en zorgen voor fijne gniffelmomenten. Zo sneert de jonge Ted naar de oude als die hem uitlegt dat het (in het werk) niet gaat om het resultaat maar om de weg erheen: „dat klinkt als een zelfhulpboek”. Daarnaast strooit Van Lieshout met luchtige anekdotes, zoals die waarin zijn moeder en zus besluiten om in een homobar in Eindhoven uit te zoeken of Ted daar ook komt, en zich voordoen als een lesbisch stel. Daar staan hartverscheurende scènes tegenover: het wegdrinken en -roken van zijn eenzaamheid tijdens zijn studententijd, zijn strijd om in vrijheid te kunnen groeien als kunstenaar, en de rouw waarin hij belandt wanneer zijn broer Harry overlijdt. Het moment dat Van Lieshout beschrijft als hij in 1979 via zijn toenmalige geliefde Jac het doodsbericht krijgt (hij had geen telefoon), raakt diep: „Ik had het gevoel alsof ik tegelijkertijd van binnen verbrandde en bevroor. Ik denk dat op dat moment de broer in mij stierf.”

Schetsen van dansposes.

Ondertussen passeert Van Lieshouts complete artistieke leven de revue: van zijn beginjaren als illustrator en liedjes- en scriptschrijver voor Sesamstraat en Het Klokhuis tot tekenaar en dichter voor de befaamde ‘volwassen kinderkrant’ van Vrij Nederland, ‘De Blauw Geruite Kiel’. En van zijn eerste dichtbundels en persoonlijke boeken Gebr. (over Harry’s dood) en Zeer kleine liefde (over zijn misbruik op zijn twaalfde) tot zijn bundels met blokgedichten en beeldsonnetten (Driedelige Paard, Rond vierkant vierkant rond) en werken over kunst. Daarbij wordt enthousiast van gedachten gewisseld over perspectief en allerhande teken- en druktechnieken vanuit de vraag wat kunst is. Dat resulteert in treffende inzichten. „Illustreren is meer dan met een plaatje laten zien waar een praatje over gaat”, zegt hij bijvoorbeeld. En: „Ik vind eigenlijk dat mijn beste illustraties een soort gedichten zijn. Niet van zuinige woorden, maar van zuinige lijnen.” Dat beste werk wordt overigens ruimschoots getoond. Van Lieshout doet dat knap in samenhang met alle gebeurtenissen in zijn leven, waardoor een betekenisvolle wisselwerking tussen tekst en beeld ontstaat.

Het meest ontroerende echter heeft Van Lieshout voor het einde bewaard. Dan confronteert de jonge Ted hem met het feit dat hij zijn hele leven alleen maar gewerkt heeft. Op diens verwijtende vraag „wat heb je gedaan om ervoor te zorgen dat ik gelukkig word?”, komt geen reactie. In de daaropvolgende brief aan Jelle blijkt hoezeer hij worstelt met de vraag. Openhartig schrijft hij over zijn verlangen naar verbindende liefde, zijn behoefte aan bevestiging („alles wat ik deed en doe staat in het teken van bewijzen dat ik besta”) en zijn twijfel over gemaakte levenskeuzes. Het antwoord dat hij al schrijvend uiteindelijk vindt, spreekt boekdelen: „Het geluk dat ik voor jou heb veiliggesteld, is dat mijn vak me instrumenten in handen heeft gegeven om alles wat ik in mijn leven heb meegemaakt tot kunst te verwerken.” Oftewel, Van Lieshouts persoonlijke en artistieke leven vallen samen, en zijn levensgeluk ontleent hij aan het maken van kunst. Gelukkig stopt dat voorlopig nog niet: „Nu heb je de kans om het anders te doen”, eindigt hij alleszeggend. „Begin, Ted. Begin opnieuw, als je wilt, maar begin.”

En hoe die tentoonstelling eruit komt te zien? Dat mag de lezer zelf ontdekken. Spijt zal die niet krijgen: zelden zo’n caleidoscopisch zelfportret van de mens als kunstenaar gezien.

Tekening van een rokende man.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next