Kate Zambreno In een mix van literatuurgeschiedenis, memoir en manifest geeft deze Amerikaanse schrijfster grote kunstenaars die hun even getalenteerde vrouwen klein hielden ervan langs.
Zelda Sayre en F. Scott Fitzgerald in Alabama, in 1919, aan de vooravond van hun huwelijk.
Volgens Friedrich Nietzsche bestaan er twee soorten kunst: Apollinische en Dionysische. In zijn eerste boek, Die Geburt der Tragödie (1872), legt hij uit dat het Apollinische wordt gekenmerkt door gematigdheid en zelfcontrole, door grenzen, regels, beperkingen. Het Dionysische symboliseert het tegenovergestelde: het overtreden van regels, het extatisch en wellustig vieren van grenzeloosheid. Het Dionysische staat daarmee voor sensualiteit en emotie, het Apollinische voor ratio, orde, discipline.
Kate Zambreno: Heldinnen. (Heroines) Vert. Nicolette Hoekmeijer. Koppernik, 342 blz. € 24,50
In Heldinnen, een mix van literatuurgeschiedenis, memoir en manifest, geeft Kate Zambreno een nieuwe draai aan Nietzsche’s theorie. Zambreno’s poëtica bestaat uit twee manieren van schrijven: de „boulimische” en de „anorectische”. Anorectisch schrijven is sober, beheerst, ingetogen. De Boulimische methode is rommelig, ongecontroleerd, een wild uitkotsen van woorden over wit papier. In een boek dat gaat over de manier waarop vrouwen zowel lichamelijk als geestelijk gepathologiseerd zijn door het patriarchaat, door de mannen – dokters, psychiaters, echtgenoten – om hen heen, is dit een passende en betekenisvolle variatie op Nietzsche’s principe.
Zambreno’s stijl is boulimisch. Heldinnen zag het licht in 2013 en is nu voor het eerst (erg goed) in het Nederlands vertaald. Het begon, in 2009, als een blog, Frances Farmer is my Sister, „een eigenwijs, vormeloos geheel” en deze vormeloosheid kenmerkt ook het boek. Dat is met opzet: Zambreno’s rommelige aanpak is een politiek statement. Zelfbeheerst, netjes schrijven is „hegemonic and boring”, zoals ze elders zegt (Zambreno identificeert zich tegenwoordig als non-binair maar in Heldinnen houdt ze de voornaamwoorden zij en haar aan). Vrouwen wordt al van jongs af aan geleerd dat ze netjes en beheerst moeten zijn. Zambreno verwerpt dit en verwerpt daarmee ook de regels van wat doorgaans geldt als ‘goed’ schrijven; een begin, een midden en een eind, een duidelijke structuur en een keurig afgeronde conclusie – het liefst zo een met een mooie strik eromheen.
In Heldinnen geen strikken. Dit boek gaat alle kanten op, het is boos, emotioneel, complex, onstuimig, associatief. Maar de stijl is zo elastisch dat het geheel niet uit elkaar valt. Het boek blijft ineen, het leest traag maar heerlijk en ook als je de vele zijpaden niet altijd helemaal volgt, ook als het af en toe wat inzakt, maken de onderliggende spanning en urgentie van wat Zambreno te zeggen heeft toch dat je door wil blijven lezen. (Het is verleidelijk om dit stuk op Zambreno’s manier te schrijven – fragmentarisch, chaotisch, lekker veel witregels, uitroeptekens!! en HOOFDLETTERS – maar dat hoort niet in een kwaliteitskrant dus ik houd me keurig aan de anorectische, Apollinische stijl die u van een recensie verwacht.)
Heldinnen beslaat de jaren waarin Kate Zambreno zich tot haar frustratie gereduceerd ziet tot ‘vrouw-van’. Haar man is een boekwetenschapper en Zambreno volgt hem vanuit Londen, waar hij aan zijn proefschrift werkt, naar steeds weer betere banen aan universiteitsbibliotheken in Chicago, Ohio en North Carolina. „‘Ze volgt hem naar waar zijn werk hem roept,’ schrijft Simone de B. over haar archetypische echtgenote die in haar ogen moedwillig de eigen soevereiniteit afwijst.” Nooit had de feministische Zambreno kunnen vermoeden dat ze zou verworden tot De Beauvoirs archetypisch echtgenote.
De dichter T.S. Eliot en zijn vrouw Valerie, in Londen in 1957.
Het is als ze geland zijn in Akron, Ohio, een shithole van de eerste orde, dat de wanhoop bij Zambreno echt goed toeslaat. Ze wonen in een afgelegen, somber huis, Kate kan geen werk vinden, kent geen mens in de hele staat, is te eenzaam, te lethargisch om te schrijven en verzinkt in een toestand van abjecte zelfhaat en depressie. (Iedereen die wel eens in Ohio is geweest begrijpt dit ogenblikkelijk.)
Van haar huisarts hoort Zambreno dat de ‘emotionele stress’ die ze ervaart alleen zal verbeteren als ze zich ‘rustig houdt’. Dit is het begin van een obsessie met wat zij de ‘gekke vrouwen’ van het modernisme noemt, de schrijfsters en, vooral, de echtgenotes en minnaressen van schrijvers, die – ten onrechte – werden gediagnosticeerd als ‘hysterisch’ en ‘schizofreen’, die niet meer mochten of konden werken (ze moesten zich rustig houden), die werden gemarginaliseerd, vergeten, opgesloten in inrichtingen. Jean Rhys, Jane Bowles, Louise Colet, Anaïs Nin, Zelda Fitzgerald en Vivienne Eliot, waarbij vooral de levens van die laatste twee de kern vormen van Heldinnen.
Wat weinig mensen weten (ik wist het ook niet) is dat Zelda Fitzgerald en Vivienne Eliot niet alleen de vrouwen waren van Beroemde Schrijvers en, soms, dienden als hun muzen (en hun verpleegsters, hun secretaresses, hun huishoudsters, hun kindermeisjes), maar dat ze zelf ook schreven. Goed schreven. Zambreno traceert de gefnuikte carrières van Zelda Fitzgerald en Vivienne Eliot en het resultaat is ontluisterend, hartverscheurend, ziedend-makend – ik geloof dat ik nog nooit zo vaak JEZUS CHRISTUS!! in de marges van een boek heb geschreven.
De officiële lezing in biografieën van T.S. Eliot en F. Scott Fitzgerald is dat deze arme, geniale mannen ontzettende pech hadden met hun ongelukkige huwelijken, met hun vreselijke vrouwen. Vivienne Eliot wordt afgeschilderd als „de zwart weduwe”, „de vampier die Tom leegzoog.” Scott Fitzgerald wordt steevast „neergezet als de echtgenoot die lang heeft geleden onder de krankzinnigheid van zijn vrouw.”
Zambreno duikt in archieven, ontleedt brieven en dagboekfragmenten, spit werken door over feminisme, psychologie, psychiatrie en toont zo dat de werkelijkheid net ietsje anders lag.
Vivienne Eliot is een gevoelige, zeer getalenteerde vrouw, schrijfster van ‘scherpzinnige stukken’ – zelfs man Tom geeft toe dat haar werk origineel is, dat ze, zoals hij schrijft, uiting geeft aan „een bijzonder moderne geest, die nog niet eerder in de literatuur tot uiting is gekomen.” Vivienne redigeert grote delen van Toms gedicht The Wasteland (1922) en voegt nieuwe passages toe. Maar wanneer Toms Bloomsbury-vrienden aanstoot nemen aan de satirische portretten die ze van hen schetst in haar verhalen verbiedt hij haar nog te publiceren.
Allebei de Eliots zijn van nature nerveus, allebei kunnen ze van tijd tot tijd het leven niet aan. Als Tom een zenuwinzinking heeft verzorgt Vivienne hem; als Vivienne een zenuwinzinking heeft laat hij haar opsluiten in een gesticht. Tijdens één zo’n opsluiting neemt hij de benen zonder een adres achter te laten; ze heeft, na vrijlating, geen idee waar hij is gebleven. Nog één keer zal ze hem zien, als ze hem opwacht bij een openbare lezing. „Ze vroeg hem wanneer hij naar huis dacht te komen. ‘Goed je te zien, ik kan nu niet praten,’ antwoordde hij.” Maar hij scheidt niet van haar want Vivienne komt uit een schatrijke familie en zolang ze getrouwd zijn mag Tom vrijelijk over haar chequeboekje beschikken, met goedkeuring van haar familie. Als ze protesteert tegen deze gang van zaken wordt ze officieel krankzinnig verklaard en opgenomen in een inrichting, „om nooit meer vrij te komen.”
Mijn god!
Maar als u dacht dat dit erg was, luister dan naar het verhaal van Zelda Scott Fitzgerald. Die kwam erachter dat haar man bijna verbatim gebruikmaakte van haar dagboeken en brieven in zijn werk. „Plagiaat in huiselijke kring”, noemt ze het. Om controle over haar eigen materiaal te behouden begint ze zelf te schrijven.
F. Scott Fitzgerald en zijn vrouw Zelda in 1921.
Allebei de Fitzgeralds kampen met geestelijke problemen. Scott lijdt aan ernstige depressies en is alcoholist, Zelda is gespannen en nerveus en wordt hiervoor opgenomen in inrichtingen. Maar als ze hierover schrijft, wordt Scott woedend. Hij wil over haar tijd in de inrichting schrijven, in Tender is the Night. Hij verbiedt haar verder te werken: „Ik ben de professionele schrijver en ik onderhoud jou. Het is allemaal mijn materiaal. Niets van dit alles is jouw materiaal.”
De artsen waar Scott haar heenbrengt, steunen hem. „Om een normaal huwelijk te hebben”, schrijven de artsen voor, „moet Zelda haar ‘overtrokken ambities’ opgeven en ‘activiteiten ontplooien die passen bij haar talenten.’” Afwassen bijvoorbeeld, of stofzuigen. Daar houdt ze niet van en dit wordt gezien als symptomatisch voor haar ziekte. Ze wordt naar een „heropvoedingsprogramma” gestuurd waar haar (met behulp van shocktherapie) wordt geleerd om „een goede moeder en echtgenote te zijn.” Maar Zelda is een taaie en geeft niet op, ze blijft doorschrijven aan haar roman, Save Me the Waltz. Als die af is laat Scott haar voorgoed in een inrichting opsluiten; er kan in een huwelijk, zo schrijft een biograaf, „slechts één verpletterend genie zijn.”
Zambreno schrijft Heldinnen om de „schaduwgeschiedenissen” van deze uitgewiste vrouwen van de vergetelheid te redden, maar ze bereikt nog iets in haar boek. Ze reist weliswaar haar man achterna, woont waar zijn werk haar brengt, maar in hun relatie is zij „De Schrijver, het allesverslindende ego. Veel staat in het teken van de boeken die ik schrijf.” De grote modernistische schrijvers gebruikten hun vrouwen in hun werk; Zambreno gebruikt haar man in háár werk (ze moet wel, want niemand zou geloven dat ze uit vrije wil in Akron zat). Zo draait ze als het ware de positie van haar ‘heldinnen’ om.
Wraak.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews