Home

Met ‘Laatste man’ schreef Marc Reugebrink een onweerstaanbaar boomerboek

Nederlandse literatuur In Laatste man kijkt een wat oudere man terug op zijn leven. Maar Marc Reugebrink biedt in zijn roman veel meer dan alleen die terugblik: hij verleidt je met zijn intense schrijven, dat de afstand tot het verleden onweerstaanbaar overbrugt.

Op de Grote Markt in Nijmegen kijken mensen in juni 1988 naar de finale van het WK, het Nederlands elftal tegen de Sovjet-Unie.

Als er nog één boek perfect past in het Boekenweekthema ‘Mijn generatie’: Laatste man van Marc Reugebrink (1960). Waarin de schrijver iemand van zijn generatie neerzet, van de naoorlogse boomers dus. Of nou ja: valt Martin Oonk, geboren in 1960, niet net onder de volgende generatie? En moet je het dan wel zo lezen, in dat keurslijf? De roman speelt zich weliswaar af tegen het decor van de wereldgeschiedenis, maar probeert ook juist aan die tijdgeest te ontsnappen, zich afvragend of dat kan.

Marc Reugebrink: Laatste man. Querido, 268 blz. € 22,99

Je kunt Marc Reugebrinks Laatste man een ontzettend boomerboek vinden, met recht, want het kader van het verhaal ís een man op boomerleeftijd die boomerachtig terugkijkt op zijn leven, die daar een verhaal van maakt in herinnerde episodes die voeren langs verschillende plaatsen in de tijd en in de wereld, gestoffeerd met tijdgebonden details, van gedenkwaardige popmuziek tot nog gedenkwaardiger voetbalwedstrijden. Maar het zou onterecht zijn om lang te blijven hangen bij dat uitgangspunt, want het is iets heel anders waarmee Laatste man je al vroeg in de roman weet te veroveren.

En dat is: de intensiteit van Marc Reugebrinks schrijven. Dat gaat niet om het wat, maar om het hoe. Het is hoe Reugebrink je in het eerste hoofdstuk met Martin meevoert naar een ziekenzaal van het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam, 1969, vol jongetjes die iets onduidelijks mankeert, maar eentje van hen het allermeest: Kuno heeft zijn darmen niet onder controle. Het is hoe Reugebrink in een zin van vele regels weergeeft dat de herinnering dááraan, aan iets kleins dat groot werd, zich in Martins geheugen kerft. Want dat griffen, dat kerven, die beklijvende zintuiglijke confrontatie met Kuno en zijn stoelgang, dat gevoel ervaar je als lezer óók dankzij zo’n zin, een heerlijk soepele, speelse zin trouwens, waarin staat dat „zodra wij Kuno rood zagen worden en er uit zijn door geelgroene korsten omgeven mond enkele diepe oeh-klanken opklonken, zodra hij met zijn voeten begon te trappelen en met beide handen rammelde aan de hekken rond zijn bed”, zodat de jongens in de ziekenzaal wisten dat de eruptie nabij was en ze alarm sloegen, en dat „vrijwel onmiddellijk een van de zusters met wapperend verpleegstersschort om de hoek van de deur binnenstormde met in haar geheven hand een bedpan zonder deksel en op Kuno afrende als was ze een tennisster die een uiterste poging deed om een onhaalbare bal toch nog te retourneren” – ja, dan maak je dat mee. Díé intensiteit – van een zin waar je, hopelijk, als je je eraan overgeeft, helemaal ingezogen wordt. (Tot je weer losgelaten wordt, door de ontlading van de korte zin die erop volgt; er staat, verlossend: „Wat vaak lukte.”)

Het oproepen van het verleden

Dat vat al wat er goed is aan Laatste man. Die intensiteit is, voel je, met reden zo hoog: omdat Kuno voor Martin een angstbeeld is, als de uitzonderlijkste, het ergst eraan toe, het eenzaamst en het meest gevangen, maar toch: één van de groep onduidelijk zieken waartoe Martin zelf ook hoort. Hangt hetzelfde lot boven zijn hoofd? Een ander effect van die intensiteit: dat je voelt dat terugkijken op een leven gaat over het oproepen van het verleden, over verbindingen die er nog zijn tussen toen en nu. De wereld is daarbij slechts decor. Dat kan invloedrijk zijn, maar dan alleen omdat het iets betekende, toen, en voor degene die er nu nog is.

Dat soort gedachten komen vooral ná het lezen op, Reugebrink zet je onnadrukkelijk op dat spoor, door kleine, fijne literaire greepjes, bijvoorbeeld door Martin afwisselend als ‘hij’ en als ‘ik’ te laten optreden. De verteller is hem en is hem niet – die dubbelzinnigheid wijst je op de continuïteit met vroeger en de afstand ertoe. Evenzo laat Reugebrink de oude verteller soms meer zwelgen dan de puber Martin destijds deed: die was in 1976 tijdens een unieke Amerika-reis zo nukkig zijn eerste vriendinnetje aan het missen dat hij de Grand Canyon niet „majestueus” vond, maar „een banale scheur in de grond”. En de jonge hork Martin had geen oog voor zijn zich wegcijferende zus, wat de oudere verteller zich aantrekt („Hij negeerde haar. Ik dacht niet aan haar”).

Generatiedenken

Zo gaat het ook over schuld, over fouten maken, en omgekeerd over dingen die je in hun tijd moet zien, zonder schuldvraag. Martin groeit op tot historicus die wijd en zijd verkondigt dat „je moet wéten dat je ingesnoerd zit in een verhaal”, om „te begrijpen waaraan je wilt ontsnappen”, al heeft een latere geliefde wel gelijk als ze zegt dat hij „van dat verleden een keurslijf [maakt] dat je verhindert om in het alledaagse leven te bewegen” (meteen een sterk argument tegen generatiedenken). Tegelijk valt het trauma van het kinderziekenhuis niet weg te denken: sommige keurslijven blijven knellen, van wonden komen littekens.

Zo gelaagd en daarmee veelzijdig is Laatste man, dat even gemakkelijk aanzet tot gemijmer als je onweerstaanbaar meevoert in het hier-en-nu of daar-en-toen – waar het simpele en diepzinnige steeds vlak naast elkaar liggen, of het nu gaat over kinderen krijgen of voetbal, en daarbij over zowel het meeslepende van een belangrijke wedstrijd als over alle geschiedenis die interlands tussen Nederland en Duitsland meetorsen. En toch zucht, buigt of kraakt deze roman niet onder al die belading. Dankzij Reugebrinks schrijven, dat zoveel oproept, en toch lijkt te huppelen.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Boekrecensies fictie

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next