Home

Het gevecht tegen slib en water als een negentiende-eeuwse mythe van Sisyphus

Corine Nijenhuis Met deze meeslepende geschiedenis van de aanleg van twee kanalen begeeft Nijenhuis zich knap op kleurrijk en vruchtbaar gebied tussen fictie en non-fictie. Toch blijf je als lezer buiten het verhaal staan.

Koopvaardijschepen zitten vast in het ijs van het Noordhollandsch Kanaal bij Purmerend, 1830. Ets van Willem Hendrik Hoogkamer.

Eeuwenlang vormden het dichtslibben van het IJ, de gevaarlijke zandbanken in de vroegere Zuiderzee en de voor schepen noodlottige ondiepte van Pampus een bedreiging voor de Amsterdamse haven. Voor grotere zeeschepen werd de stad steeds onbereikbaarder, met name de koopvaardijvloot werd getroffen. Daarin moest verandering komen.

Het boek De strijd om het IJ van Corine Nijenhuis, met als ondertitel Het meeslepende verhaal van een ambitieuze koning en zijn rivaliserende ingenieurs, vertelt de inderdaad meeslepende geschiedenis achter twee kanalen die de stad bereikbaar moesten maken. Allereerst het tachtig kilometer lange Noordhollandsch Kanaal, gegraven in 1824, dat vanaf Amsterdam-Noord via Alkmaar naar Den Helder loopt. Geestelijk vader is Jan Blanken (1755-1838), inspecteur-generaal van Rijk’s Waterstaat. Dan is er het Goudriaankanaal, het visioen van waterstaatkundige Adrianus François Goudriaan (1768-1829). De beide ingenieurs zijn elkaars collega’s en tegelijk aartsrivalen. Hun koning is Willem I, de kanalenkoning. Het Goudriaankanaal is nooit voltooid. Het gedroomde tracé liep van IJdoorn, vlak onder het huidige Durgerdam, dwars door Waterland en het eiland Marken naar de Zuiderzee. Delen van het kanaal liggen er nog, als een spoor of ‘een litteken’ in het landschap, zoals Nijenhuis schrijft.

Corine Nijenhuis: De strijd om het IJ. Alfabet, 271 blz. € 23,99

Twee projecten, twee ingenieurs, twee visies op de redding van Amsterdam. Alles waargebeurd, zoals Nijenhuis in de Verantwoording schrijft. Maar zij wil van de abstracte, historische figuren levende personen maken met ‘motivaties en emoties’. Ze beweegt zich op een „kleurrijk en vruchtbaar gebied” tussen feit en interpretatie, tussen fictie en non-fictie. Nijenhuis, die eerder het prachtige scheepsboek schreef Een vrouw van staal (2015), betoont zich in De strijd om het IJ een kenner van de negentiende-eeuwse geschiedenis. Het is af en toe duizelingwekkend knap hoe zij de aartsrivalen Blanken en Goudriaan plus hun beider ambitieuze kanalenkoning weet te schilderen met woorden, in een rijk historiserend taalgebruik, vol atmosfeer, stads- en natuurbeschrijvingen, menselijke eigenaardigheden (vooral van Blanken) als „een zuinig mondje” trekken of „een fluim spugen”.

Maritiem taaleigen

Je leest het boek over het gevecht tegen slib en water in het zompige Noord-Holland als een negentiende-eeuwse mythe van Sisyphus. Goudriaan voert zijn ideeën om de opslibbing tegen te gaan extreem door, zo wilde hij tussen IJdoorn en Diemen het hele IJ door de IJdam afsluiten. Ook Nijenhuis’ kennis van de scheepvaart is groot. In dit boek valt de combinatie van de historische context én het maritieme taaleigen echter nadelig uit. Door het ontbreken van een verklarend register krijgt de lezer niet meteen vat op zinnen waarin de woordkeuze voor ingewijden is, zoals ‘braadspillen’, ‘kaapstander’, ‘bakenloodjes’, ‘palmpaas’, ‘waaiersluisdeur’ of ‘vijzelmolen’. Af en toe schiet het taalgebruik door in overdaad. Een zin als deze over het herstellen van een dijkdoorbraak bij Durgerdam vergt studie: het plan „behelsde het beringen van het gat waar de beer had gezeten.” Een ‘beer’ is in deze context een stenen dijkversteviging en ‘beringen’ staat in geen enkel woordenboek. Niet dat het echt hindert, maar als lezer voel je je onkundig, en blijf je buiten het verhaal staan.

En er is een sprekend detail, dat onderbelicht blijft: bij het bestuderen van de kaart met Blankens kanaal erop ingetekend laat koning Willem I zijn blik op de duinenrij bij Velsen vallen. Dáár wil hij een kanaal. Dat zou het Noordzeekanaal worden, pas in 1876 geopend. De voorzienigheid van de koning is een dramatisch motief, dat in het verhaal verder geen plek krijgt. Dat is jammer. Het laat juist zien dat plannen van Blanken en Goudriaan precies de verkeerde waren.

 Spannend wordt het gelukkig in enkele hoofdstukken, zoals die waarin drinkende zeelieden in de Nieuwe Stadsherberg, gelegen in het IJ, de plannen van beide inspecteurs bespreken. Dat is sterk, evenals de competitie tussen modderschepen weergegeven als een strijd tussen man- en paardenkracht en de nieuwste uitvinding, stoomkracht. De beschrijving van het wonderbaarlijke fenomeen de scheepskameel, een stel drijvers dat een diepstekend schip optilt, is opmerkelijk: ,,Opnieuw schurkt de kamelenbuik tegen de zeebodem, rillen de flanken, kermt het fregat, net als de commandant die hulpeloos op het dek staat en alles overzien kan.” Nijenhuis maakt het extra theatraal door het houten gevaarte werkelijk als een dier uit te beelden.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Boeken

Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews

Lees meer

Lees meer

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next