De taxichauffeur in Jeruzalem vroeg 380 shekel, ruim 100 euro, om naar de grens met Jordanië te rijden. Een redelijke prijs voor een taxirit van ruim een uur naar de Koning Hoessein/ Allenby brug, de grensovergang met Jordanië. Onderweg wees hij naar de bedoeïenen die in hutten van golfplaat en hout in de woestijn wonen.
We passeerden twee militaire posten. Soldaten keken de auto in, we konden door. Vlak voor de grensovergang moest de taxi weer stoppen. Een man liep met een spiegel aan een stok om de auto heen en bekeek de onderkant.
Vertrekken of blijven? Dat was voor mij twee weken lang de vraag, op verslaggeving in Israël. Blijven en regelmatig de schuilkelder in of toch proberen het land uit te komen? Voor gestrande reizigers bleek het zoeken naar antwoorden een dagtaak: is het luchtruim nog dicht? Komt er een evacuatievlucht? Hoe kom je daar dan op?
Ik liet het er even bij zitten en chatte alleen met de chatbot van de Israëlische luchtvaartmaatschappij El Al waar ik een retourticket had geboekt. De ene keer heette de assistent Maya, dan weer Faith en dan weer Eli, maar op geen enkele vraag kwam een serieus antwoord en telefonisch was El Al onbereikbaar.
Na twee weken was het welletjes. Het kon nog weken duren, die oorlog. Probeer maar weg te komen, zei de NRC-chef. Dat kon, volgens Buitenlandse Zaken, via Egypte en Jordanië. En dus stond ik nu bij die grenspost. Een Jordaanse grensbeambte nam mijn tas mee voor onderzoek, een ander het paspoort. Er was één andere reiziger, een kale Roemeense man die de weg al vaker had afgelegd en wees waar ik Jordaanse dinar kon pinnen.
Dat bleek handig. Er waren verschillende loketten waar dinars nodig waren. Voor een visum. En voor andere papieren. Waar die voor dienden, was me onduidelijk. Ik voelde me geen wereldreiziger. Daarna liep ik achter een Jordaanse beambte naar buiten, om het gebouw heen. Daar zaten zes mannen op plastic stoeltjes in het zand. Mijn tas stond ernaast en mocht mee.
De Roemeense man stelde voor samen een taxi te nemen naar Amman. Hij was een skimmer, vertelde hij onderweg. Althans, lang geweest. Tot hij met twee collega’s werd gepakt in 2015 op de Filipijnen. Hij had daar zijn straf uitgezeten, hij had een vriend bezocht in Israël en was op weg naar huis. Het skimmen met een voorzetstuk op een betaalautomaat kon trouwens al jaren niet meer, zei hij. Na technische aanpassingen van de betaalpassen.
Op de luchthaven van Amman streken de ex-skimmer en ik neer in de Starbucks. Een van de weinige plekken waar je koffie kon krijgen én kon zitten. We moesten samen de avond en de nacht door zien te komen, de vlucht naar Boekarest was pas vroeg in de ochtend. De Starbucks bleef de hele nacht open. Om beurten haalden we koffie en cake.
Tegen de ochtend wist hij het zeker. „Jij bent een geheim agente van de Mossad.”
Hoezo?
„Jij weet alles van mij en ik niets van jou.”
„Je hebt me niets gevraagd.”
Samen gingen we inchecken voor de vlucht naar Boekarest. Daar stapte ik over naar Schiphol. En opeens was alles weer normaal. Een bagagekar met koffers was achtergebleven in Boekarest. Komt goed, humde een opgewekte man achter een balie. Die tas wordt binnen 48 uur in Rotterdam afgeleverd.
De trein naar huis had vertraging.
De tas kwam al de volgende dag.
Sheila Kamerman doet wekelijks ergens vanuit Nederland verslag