Immigratie Sommigen in Nederland willen een ruimhartige instroom van migranten én een onverminderd genereuze verzorgingsstaat, maar dat is volgens Ehsan Jami hopeloos naïef.
Milton Friedman – Amerikaans econoom, Nobelprijswinnaar en een van de invloedrijkste denkers van de twintigste eeuw op het gebied van markteconomie en overheidsbeleid – formuleerde ooit een ongemakkelijke maar heldere stelling: een land kan open grenzen hebben, of een uitgebreide verzorgingsstaat, maar niet beide in onbeperkte vorm tegelijk. Dat is geen moreel oordeel over migranten, maar een analyse van institutionele logica.
Ehsan Jami promoveert aan de faculteit bestuurskunde van de Universiteit Leiden. Hij was gemeenteraadslid voor Leefbaar Rotterdam.
Ook Nederland ontkomt niet aan die spanning. Onze verzorgingsstaat is gebouwd op solidariteit die juridisch is vastgelegd en financieel is afgedwongen. We hebben een stelsel waarin iedere inwoner recht heeft op zorg, onderwijs, inkomensondersteuning en sociale bescherming. Dat systeem is kostbaar. Het functioneert omdat burgers bereid zijn hoge belastingen te betalen en omdat zij vertrouwen hebben dat het stelsel wederkerig is. Wie ontvangt, draagt ook bij. Wie tijdelijk kwetsbaar is, wordt opgevangen binnen een gemeenschap die zichzelf als samenhangend beschouwt. Dat vertrouwen is geen vanzelfsprekendheid. Het is een moreel fundament.
Friedmans punt is eenvoudig. Wanneer toetreding tot een samenleving relatief onbeperkt is, terwijl toegang tot collectieve voorzieningen vrijwel automatisch volgt uit verblijf, ontstaat een spanning. Niet omdat migranten per definitie een last zijn, maar omdat elk systeem grenzen kent aan zijn absorptievermogen. Economisch gaat het om budgettaire druk en prikkels. Cultureel gaat het om cohesie en gedeelde normen.
Nederland is geen negentiende-eeuwse nachtwakersstaat waarin de overheid zich nauwelijks bemoeit met de sociaal-economische kant van de samenleving. Wij zijn een hoogontwikkelde herverdelingsstaat. Dat model veronderstelt een mate van normatieve overeenstemming: arbeidsparticipatie als norm, gelijkheid van man en vrouw als basis, scheiding van religie en staat als institutioneel kader, acceptatie van democratische besluitvorming als spelregel. Wanneer instroom sneller gaat dan integratie, ontstaat niet alleen druk op woningmarkt, zorg en onderwijs, maar ook op de morele samenhang die solidariteit mogelijk maakt.
Daar ligt de filosofische kern van het debat. Solidariteit is geen abstract gebod, maar een relationeel fenomeen. Mensen zijn bereid offers te brengen voor wie zij als deel van hun gemeenschap zien. Hoe diffuser die gemeenschap wordt, hoe fragieler de bereidheid tot herverdeling. Een verzorgingsstaat kan multicultureel zijn, maar niet onbeperkt zonder erosie van draagvlak. Zodra burgers het gevoel krijgen dat rechten losgekoppeld zijn van wederkerigheid, verandert solidariteit in wantrouwen.
De discussie in Nederland mist vaak de benodigde helderheid. Binnen verschillende delen van het politieke en intellectuele debat leeft de overtuiging dat Nederland migratiekanalen open kan houden, om humanitaire, kosmopolitische of economische redenen, terwijl tegelijkertijd een omvangrijke en genereuze verzorgingsstaat behouden kan blijven. Dat is wellicht begrijpelijk vanuit moreel idealisme, maar bestuurlijk hopeloos naïef. Elk systeem heeft randvoorwaarden. Een stelsel dat rechten universeel garandeert, kan niet onbeperkt uitbreiden zonder dat de financiering, instituties en culturele integratie onder druk komen te staan.
De keuze is daarom principieel. Willen wij primair een verzorgingsstaat blijven, dan vergt dat strikt gecontroleerde migratie, scherpe integratie-eisen en prioriteit voor draagkracht. Niet uit vijandigheid, maar uit systeembehoud. Willen wij daarentegen onbeperkte migratie toestaan, dan moeten we eerlijk zijn over de consequenties: een soberder stelsel, minder herverdeling, meer individuele verantwoordelijkheid en minder collectieve garanties.
Beide modellen zijn verdedigbaar. Wat niet verdedigbaar is, is doen alsof ze zonder spanning te combineren zijn.
Nederland staat op een kruispunt dat minder technocratisch is dan het lijkt. Het gaat niet alleen over aantallen of begrotingen. Het gaat over de aard van onze politieke gemeenschap. Een verzorgingsstaat is een belofte van wederkerigheid binnen begrensde solidariteit. Open grenzen zijn een belofte van universele toegang. Wie alle twee wil, ondermijnt uiteindelijk beide.
Een samenleving die weigert te kiezen, kiest impliciet voor geleidelijke uitholling van haar instituties. De vraag is niet of wij solidair willen zijn. De vraag is binnen welke grenzen wij die solidariteit duurzaam kunnen organiseren. Dat is geen ideologische kwestie. Het is een kwestie van structurele consistentie.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen