Bij het Boekenweekthema ‘Mijn generatie’ denk je al snel aan literaire vadermoord; generaties bevechten elkaar hier nou eenmaal. Hoe zit dat in de Arabische literatuur? Gevoelig onderwerp, merkt Hassan Bahara.
is media- en cultuurredacteur van de Volkskrant.
De Marokkaanse staatsomroep in de jaren negentig en nul: een dwaze propagandamachine die aan één stuk door beelden toonde van een semi-overvloedige oogst ergens in het land, een onduidelijk gebouwencomplex dat uit de grond werd gestampt, en altijd weer de monarch, de goedertierenheid zelve, die zag dat het goed was in zijn land en maar weer eens een lintje doorknipte.
Gelukkig was er nog Mohamed Choukri, auteur en autodidact die pas op latere leeftijd leerde lezen en schrijven, en die met zijn autobiografische debuutroman Hongerjaren (1973) het Marokko toonde zoals het, in grote delen van het land, werkelijk was.
Straatarm. Vergeven van drugs en alcohol om de dagelijkse ellende mee weg te drukken. En bevolkt door talloze zwerfkinderen in constante overlevingsmodus, die zichzelf prostitueren als het moet.
Hongerjaren was een ongekende schandaalroman, zeker voor een land waar, uit angst voor hsoema (schande), alles de schijn van keurige zedelijkheid moet hebben. Om de religieuze gevoeligheden te sparen werd het boek door de autoriteiten jarenlang uit de Marokkaanse boekwinkels geweerd. Pas in 2000 werd de banvloek opgeheven.
Ik heb het altijd fascinerend gevonden hoe Choukri (1935-2003) later terugblikte op de ophef rondom zijn roman. Volgens de auteur werd hem niet eens zozeer zijn onverbloemde schets van de stuitende armoede in Marokko kwalijk genomen, evenmin de passages over prostitutie en drugs. Maar waar hij de Marokkaanse gevoeligheden, en die van lezers in andere Arabisch-islamitische landen, het meest mee had gechoqueerd, was zijn portret van de vaderfiguur.
Al vroeg in het boek zet Choukri zijn vader neer als een door armoede vernederde tiran, een gewelddadige psychopaat. De vader kan het gekrijs van Choukri’s broertje Abdelqader, een zieke en ondervoede baby van een paar maanden oud, niet meer aanhoren en doet het kind iets verschrikkelijks aan.
‘Hij draait woedend aan het kleine hoofdje. Er stroomt bloed uit de mond. Ik ren naar buiten en hoor hem de kreten van mijn moeder smoren met trappen in haar gezicht.’
Choukri weet het nu zeker: het religieuze gebod ‘eert uw vader en moeder’ betekent niets voor hem, hij haat deze man, en hij zal er niet voor terugdeinzen om hem te portretteren als de verachtelijke figuur die hij is.
Dit was, zo vertelde Choukri later, één transgressie teveel voor het Arabisch-islamitische publiek. Hoer en snoer erop los, schrijf er een roman over als je zo nodig moet, maar van de vader, de generatie die voor jou komt, en waarvoor je een heilige eerbied dient te hebben, blijf je met je literaire tengels af.
‘Ik spreek niet over politiek of religie. Wat de conservatieven irriteert, is dat ik mijn vader bekritiseer. De vader is heilig in de Arabisch-islamitische samenleving.’
Hoewel Choukri ook verguisd werd vanwege de ‘onzedelijkheid’ van zijn roman, heb ik deze analyse van hem altijd onthouden. Een generatieconflict expliciet maken, concludeerde ik, laat staan een literaire vadermoord begaan, is in mijn wereld vrijwel onbegaanbaar terrein.
De opmerking van Choukri schoot mij te binnen tijdens een brainstormsessie op de redactie waar ik werk.
De vraag was: wat doen we met het thema van de Boekenweek, ‘Mijn generatie’? Automatisch riep het begrip ‘generatie’, zeker in een Nederlandse literaire context, associaties op met strijd, met de behoefte van jonge hemelbestormers om hun literaire voorouders van de troon te stoten, om af te rekenen met de culturele of religieuze mores van de generatie voor hen.
De jongeren breken de kerken van hun ouders af, shoqueren het stokoude establishment met een vrije seksuele moraal, ze verkondigen luid en duidelijk wat er niet deugt aan de wereld die hun is nagelaten, of wijzen de wereld die hen voorging juist af door weg te zakken in cynisme of nihilisme.
Ik heb die boeken gelezen, van De avonden en Gimmick tot Karakter. Marente de Moors De bandagist uit 2025, over de kloof tussen boomers en gen Z, staat op de leeslijst.
Maar hoe zat het eigenlijk met de literaire verbeelding van zulke generatieconflicten in mijn wereld, het Nederlandse migrantenmilieu waarin ik ben gevormd, en dat Marokko als nadrukkelijke culturele achtergrond heeft, gevolgd door de rest van Noord-Afrika en Arabische landen in het Midden-Oosten?
Choukri’s observatie dat de Arabisch-islamitische wereld niet gediend is van schrijvers die kritisch over hun ouderen schrijven, specifiek de vader, voelde intuïtief als solide. Dit is niet een wereld waarin het jongeren gegund is een eigen pad uit te hakken, om onbevreesd hun protest over de oudere, boven hen gestelden te laten klinken.
Eind 2025 zag ik die observatie bevestigd in de snelheid waarmee in Marokko een grootschalig jeugdprotest in de kiem werd gesmoord. De mediawijze gen Z was de straat opgegaan om de ongelijke verdeling van welvaart en de erbarmelijke staat van de sociale voorzieningen in het land aan te klagen. Met politieknuppels en morele chantage, verspreid via de nationale media, werd de jongeren de mond gesnoerd. Wilden zij, deze door de westerse moderniteit ‘geïndoctrineerde’ jongeren, werkelijk hun land naar de rand van de afgrond brengen?
Tegelijkertijd vraag ik mij bij het schrijven van dit stuk af: is mijn kijk op de starre politieke verhoudingen in Marokko, in combinatie met de paar citaten die ik van Mohamed Choukri heb onthouden, genoeg om absolute uitspraken te doen over de ruimte die er wel of niet is in de Arabisch-islamitische wereld voor het uitvechten van generatieconflicten?
Ik zie in gedachten al die bekende meme verschijnen van iemand die op een telefoon het nummer intikt van Edward Said, de grote Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper, in 2003 overleden, die er al zo vaak op heeft gewezen dat de westerse kijk op de Arabische wereld vaak reductionistisch is en aan elkaar hangt van kwalijke, oriëntalistische gemeenplaatsen.
Iemand is nu vast bezig om Said te vertellen – via een telefoon die verbinding kan maken met het hiernamaals – dat ik bezig ben om de literatuur uit zijn wereld te wegen aan de hand van een persoonlijke voorkeur voor ‘oneerbiedige’ literatuur, en een Nederlandse kijk op generatieconflicten.
Ik ga daarom eerst te rade bij mensen die iets meer weten van de literatuur uit deze wereld. Mensen die mij meteen vertellen dat er, om te beginnen, niet zoiets bestaat als ‘de Arabische literatuur’, dat elk land in Noord-Afrika en het Midden-Oosten zijn eigen literaire cultuur heeft, met vaak specifieke, landgebonden thema’s.
Mijn rondvraag brengt mij langs Ghayat Almadhoun, een Palestijns-Syrische dichter wiens absurdistische prozagedichten ook in het Nederlands zijn vertaald. Ik drink koffie met Lucia Admiraal, correspondent voor NRC in het Midden-Oosten en historicus aan de Rijksuniversiteit Groningen met als specialisatie de moderne culturele en intellectuele geschiedenis van het Midden-Oosten.
Tot slot spreek ik Djûke Poppinga, prominent vertaler van Arabischtalige romans (meer dan zestig titels) in het Nederlands en tot voor kort docent Arabische taal en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.
Op de vraag of generatieconflicten überhaupt een thema zijn in Arabischtalige romans, krijg ik de ene titel na de andere aangereikt. Vooral de Caïro-trilogie van de Egyptische Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz, over een conservatieve patriarch en zijn naar moderniteit snakkende nazaten, komt vaak terug.
Mahfouz past in een rijtje oudere schrijvers die in hun werk beschrijven hoe het generatieconflict wordt uitgespeeld binnen de context van westers kolonialisme – jongeren, aangeraakt door de ideeën en gebruiken die worden geïntroduceerd door westerse kolonisten, komen tegenover hun behoudende, anti-westerse ouders of omgeving te staan.
Naast Mahfouz zijn dit Taha Hussein, ook een Egyptische schrijver, en Tayeb Salih, een Arabisch-Soedanese schrijver.
Poppinga vertelt mij dat het generatieconflict in de Arabische literatuur wel een ontwikkeling heeft doorgemaakt: tegenwoordig speelt het conflict zich meer af tegen de actuele binnenlandse politieke verhoudingen en de behoefte aan modernisering van de jeugd.
Een goed voorbeeld is de in 2023 op 59-jarige leeftijd overleden Syrische Khaled Khalifa, een van de grootste namen in de hedendaagse Arabische literatuur. Khalifa, die het leven zuur werd gemaakt door het regime-Assad, schreef prijswinnende romans over individuen die klem raken tussen staatsrepressie en de culturele en religieuze dogma’s van hun tijd. Poppinga vertaalde enkele romans van Khalifa naar het Nederlands.
Poppinga noemt werken zoals Er zijn geen messen in de keuken van deze stad en De poorten van het paradijs, romans waarin Khalifa tegen de achtergrond van de recente Syrische burgeroorlog de politieke, culturele en religieuze strijd tussen generaties integreert.
Andere hedendaagse schrijvers die voorbijkomen zijn Hassan Blasim, een ‘soort moderne Mohamed Choukri’, die in zijn werk god noch gebod schuwt, met veel drugs en drank, en daarom lastig ligt in de Arabisch-islamitische wereld. Of anders de Egyptische Ahmed Alaidy, ook een schrijver die in zijn werk, voornamelijk satire, weinig eerbied toont voor de culturele, politieke en religieuze mores van oudere generaties.
Het zijn boeiende, informerende gesprekken die ik voer met Almadhoun, Admiraal en Poppinga. Ik houd er aardig wat namen aan over van schrijvers wier werk ik in huis wil hebben.
Maar, zo op een rijtje gezet, en in gedachten houdend dat het hier om een enorm taalgebied gaat, voelt het uiteindelijk ook een beetje als een karige oogst.
Is dit het?
Of voelt het als karig omdat ik te veel met een Nederlandse lens en mijn Nederlandse verwachtingen naar de literatuur uit dit werelddeel kijk?
Dichter bij huis dan. Voor zo’n klein literair taalgebied kent Nederland opmerkelijk genoeg redelijk wat schrijvers, zeker met een islamitische achtergrond, die niet schromen om een generatieconflict uit te vechten in hun romans, in sommige gevallen met een nietsontziend venijn dat aan Choukri doet denken, en soms met een flinke dosis ‘oneerbiedige’ humor.
Een verklaring voor deze relatief rijke oogst is iets lastiger te geven. Is het omdat het Nederland is, land van een vrijgevochten moraal, met een voorliefde voor literaire nestbevuilers? Ik kan er alleen maar naar gissen.
Het eerste, en wat oudere voorbeeld dat mij te binnen schiet is De dagen van Sjaitan van schrijver Said el Haji. Het boek kwam uit in 2000 en werd ontvangen als een literair werk dat voortborduurt op oer-Hollandse romans waarin gebroken werd met de streng-christelijke opvattingen van eerdere generaties.
De dagen van Sjaitan draait om het verhaal van Hamid, een gevoelig jongetje dat onder een tirannieke en streng-islamitische vader te lijden heeft. Afwisselend verschuift het perspectief naar ene Sjaitan (Satan), een brutale, provocatieve figuur, die er groot genoegen in schept om de religieuze gevoelens van de islamitische gemeenschap van Berkel en Rodenrijs, Hamids woonplaats, te schofferen.
‘De eerste islamitische ontzuilingsroman’, werd de roman in NRC genoemd, een literair werk dat – andere religie, andere sociaal-maatschappelijke context – te vergelijken is met het werk van Maarten ’t Hart, de schrijver die afrekende met het gereformeerde geloof van zijn ouders.
Ik herinner me vooral het aanzwellende rumoer rondom De dagen van Sjaitan in mijn kleine Marokkaans-Nederlands hoekje, specifiek onder degenen die iets meer zicht hadden op wat er in de grote buitenwereld gebeurde. Heb je het gehoord? Een boek van een Marokkaanse jongeman waarin de islam wordt bespot. Waarin de schrijver zijn vader te kakken zet. Hoe durft-ie, de schaamteloze vlerk.
Dat was nog allemaal voor de komst van sociale media, toen doodsbedreigingen en verwensingen vooral op vage messageboards werden geuit en niet direct in de inbox van schrijvers van ‘afvallige’ literatuur terechtkwamen.
Desondanks betaalde El Haji een hoge prijs voor zijn ‘oneerbiedigheid’, vertelde hij in 2020 in een interview met de Volkskrant. El Haji, inmiddels leraar Nederlands aan nieuwkomers, vertelde in het interview dat hij na zijn debuut gaf, waarin hij doelbewust taboes wilde doorbreken, langzaam ‘vereenzaamd’ raakte.
‘Ook voer ik een gewelddadige vader op die zijn gewelddaden verantwoordt aan de hand van verzen uit de Koran. Dat werd mij niet in dank afgenomen door mede-Marokkanen en moslims. Zij vonden mij een verrader en een nestbevuiler. Ik werd er steeds harder, onthechter en eenzamer van, omdat ik absoluut niet wilde inbinden.’
Het vak van leraar ligt hem beter, aldus El Haji, het heeft hem ‘evenwichtiger, blijer en gezonder’ gemaakt. Het is hem gegund, maar ergens is het ook enorm spijtig dat El Haji – zijn laatste roman verscheen een eeuwigheid geleden – door religieuze en culturele weerstand voor de literatuur verloren lijkt.
Tegelijkertijd: het is ook niet niks om als schrijver uit een islamitisch migrantenmilieu het generatieconflict aan te gaan, om te tornen aan de culturele en religieuze conventies die je van je ouders hebt meegekregen.
Zie wat de jongere collega’s van El Haji overkomt als ze zich wagen aan taboedoorbrekende literatuur. Schrijnende, recentere voorbeelden zijn de Marokkaans-Nederlandse schrijver Mano Bouzamour en – hoewel geen achtergrond in Noord-Afrika of het Midden-Oosten, wel met een islamitische achtergrond – de Turks-Nederlandse auteur Lale Gül.
Bouzamour, die in 2013 debuteerde met de bestseller De belofte van Pisa, schreef een boek vol seksuele uitspattingen en grappen en grollen over de streng-islamitische eerstegeneratiemigranten.
In een beruchte passage overdenkt het hoofdpersonage Sam een uitspraak – ‘Het paradijs ligt onder de voeten van je moeder’ – die aan de profeet Mohammed wordt toegeschreven. ‘Maar wat als je moeder zweetvoeten heeft?’, vraagt Sam zich af.
Bouzamour, die ik in 2013 sprak voor een artikel, somde op welke consequenties zijn debuut voor hem hadden gehad: willekeurige vakkenvullers die hem verrot scholden, buurtgenoten die hem iets wilden aandoen, zijn ouders die hem op straat hadden gezet.
Ernstiger, en uitvoeriger gedocumenteerd, zijn de dreigementen waarmee Lale Gül te maken kreeg na haar debuut in 2021, de autobiografische roman Ik ga leven. Hierin beschrijft Gül haar jeugd in een conservatief-islamitisch gezin, met een tirannieke moeder die in het boek flink op haar plek wordt gezet. ‘Kakkerlak’, ‘giftig takkewijf’, ‘zieke psychopaat’, en ‘vuige ezel’ zijn slechts een paar van de omschrijvingen van de moederfiguur.
Meer nog dan de eerdergenoemde boeken probeert Ik ga leven een breuk te forceren met een oudere generatie; de roman hanteert een verschroeide-aardetactiek om ruimte te maken voor nieuwe ideeën, voor een nieuwe opvatting van hoe te leven, vrij van religieuze en culturele dogma’s.
De inbox van Gül is sindsdien een verzamelplaats geworden voor figuren die – gekrenkt in hun religieuze trots en woest over zo weinig respect voor ouderen – de schrijver bestoken met doodsbedreigingen. Afgelopen februari werd bekend dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), belast met de beveiliging van publieke figuren die worden bedreigd, Güls beveiliging zal verlengen.
Alles overziend snap je waarom een schrijver uit een islamitisch migrantenmilieu het wel uit zijn of haar hoofd laat om het conflict met ouderen en dat waar zij cultureel en religieus voor staan, aan te gaan. Doodsbedreigingen, maatschappelijke excommunicatie: wat je te wachten staat is niet mals.
Maar er speelt ook iets anders. Dat wordt mij iets duidelijker als ik de interviews lees met Lotfi el Hamidi, redacteur bij weekblad De Groene Amsterdammer, die onlangs de essaybundel Stakkers en wolven publiceerde. Daarin reflecteert El Hamidi op zijn leven als Rotterdamse migrantenzoon die volwassen werd in het islamofobe politieke klimaat na 9/11, en die sinds 7 oktober 2023 – de terreuraanval van Hamas en de daaropvolgende genocidale oorlog van Israël in Gaza – een nieuwe en even heftige ronde aan islamofobie ervaart.
In een interview met NRC staat El Hamidi stil bij de retoriek die Pim Fortuyn in de jaren nul over migranten bezigde. Fortuyn sprak over ‘importbruiden’ en een ‘agrarische cultuur’. El Hamidi ervoer dit vooral als een frontale aanval op de generatie van zijn ouders, mensen met weinig scholing en politiek en cultureel kapitaal, en voelde de behoefte om voor ze op te komen.
‘Wij hadden het gevoel dat Fortuyn het over onze ouders had. Niet dat we op hen wilden lijken, met hun gebrekkige Nederlands en Al Jazeera permanent op de achtergrond. We wilden vooruit, modern zijn, Amerikaanse muziek en films consumeren. Maar onze ouders konden zich niet verweren en dat vonden we oneerlijk.’
Iedereen met enige politieke en maatschappelijke gevoeligheid en een hart in zijn borstkas moet dit sentiment kunnen navoelen. In een land waar al heel wat jaartjes een volautomatische politieke campagne gevoerd wordt tegen alles wat islamitisch is, waar islamitische moeders in de Tweede Kamer gereduceerd zijn tot een ‘kopvod’, is een generatieconflict, al dan niet literair verbeeld, wel het laatste waar migrantenkinderen uit islamitische milieus hun ouders aan willen blootstellen. Wie moet ze anders verdedigen?
En toch. Ik herinner mij de Marokkaanse staatsomroep uit de jaren negentig en nul, het leugenachtige beeld dat het probeerde te creëren van Marokko als een land dat in de lift zat, waar de groenten en kakelverse woningen uit de grond schoten. Terwijl de werkelijkheid er een van diepe armoede was.
Een land bovendien van verstikkende religieuze en culturele normen, van absolute en kritiekloze eerbied voor de ouderen.
Het land, om nog even verder te gaan, van goedkope prositutie in achterafstraatjes, van vertrapte blikjes bier langs de weg, leeggedronken in de nachtelijke uurtjes wanneer iedereen slaapt, het land van psychische pijn die in stilte werd geleden, van ouderen die zelf ook niet naar de normen leefden die ze anderen opdrongen. Het land, kortom, waarin van je werd gevraagd om blind te zijn voor wat zich voor je ogen afspeelde.
Gelukkig was er Mohamed Choukri, ongehinderd door hypocrisie en eerbied voor de boven hem gestelden, om op te schrijven wat voor iedereen te zien was.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant