Regisseur en kunstenaar Steve McQueen is een maker van formaat, met films als 12 Years a Slave en De bezette stad op zijn cv. Maar ook als gids blijkt hij, tegen zijn eigen verwachting in, bijzonder vaardig.
is verslaggever bij Volkskrant Magazine en columnist.
‘Wat gaan we eigenlijk doen?’, vraagt Steve McQueen als hij binnenkomt bij Café-Restaurant de Plantage in Amsterdam, om na de uitleg onmiddellijk toe te voegen dat hij vindt dat we het met het format van Weekendgids niet al te nauw moeten nemen. ‘Inspiratiebronnen... tja, ik ben niet geïnspireerd door een film, of zo, maar door het leven, snap je?’ Geen punt, zegt de verslaggever dan natuurlijk koeltjes, dan noem je wat dingen uit je leven.
Praten met Steve McQueen is op een prettige manier onvoorspelbaar. Hij neemt elke vraag even ernstig in zich op, en daardoor heb je geen moment het gevoel dat je met iemand zit te praten die een pr-praatje heeft bij zijn nieuwe project, dat jij alleen nog maar even in de krant hoeft te zetten. Maak je een vergelijking die volgens McQueen niet klopt? Dan stelt hij die met veel aandacht bij. Stelt de fotograaf een pose voor waar hij geen zin in heeft? Dan zegt hij beslist: ‘Nee, niet met die jas. Zijn we klaar?’
Tuurlijk, er is een aanleiding voor dit gesprek, een haakje zoals ze in medialand zeggen: McQueen heeft in het Tilburgse De Pont Museum een solotentoonstelling (vanaf 21 maart 2026), waar hij zijn nieuwe kunstwerk Atlas zal presenteren. Dat is alleen nog niet af. ‘En als je het in de ruimte gaat uitproberen, verandert er altijd nog van alles. Je kunt een werk vooraf helemaal vast proberen te leggen, maar het komt toch pas tot stand als het fysiek wordt. Voor dat zover is, kan ik er eigenlijk ook nog niet over praten.’
Verder is McQueen natuurlijk vooral onze gids omdat hij een maker is, en wat voor een: na enkele filmische kunstwerken in de jaren negentig ging McQueen de speelfilms in, met onder andere Hunger (2008), Shame (2011) en drievoudig Oscarwinnaar 12 Years a Slave (2013). Later volgden overvalfilm Widows (2018), documentaire De bezette stad (2023, met zijn vrouw, journalist, auteur en filmmaker Bianca Stigter) en Blitz (2024). Al die tijd bleef hij trouwens ook nog kunstenaar − zijn werk is aangekocht door het Londense museum Tate Britain en was te zien op onder meer de kunstmanifestaties Documenta en de Biënnale van Venetië.
En ach, met een omweg wil McQueen het toch best even hebben over Atlas: ‘Het gaat over ons perspectief, en de vraag wie wij zijn in de ruimte. Wie ben ik in Amsterdam, wie ben ik in Nederland, in Europa? In dit werk vergroot ik het frame steeds, om een soort ontnuchterende ervaring te krijgen, een ruimte te scheppen waarin mensen daarover kunnen nadenken.’
McQueen werkt hiervoor samen met Nasa en het European Space Agency, die hem voorzien van data uit de Gaia-ruimtemissie, die liefst drie biljoen observaties deed van twee miljard sterren en objecten in de Melkweg en daar voorbij. Nasa wil met die data vragen beantwoorden over ‘de oorsprong, structuur en evolutionaire geschiedenis van ons melkwegstelsel’.
McQueen zette zich aan de taak die te visualiseren. ‘Ik wilde tot leven brengen wat zij hebben meegebracht. Het gaat om onvoorstelbare getallen en afstanden in onze stratosfeer.’ Maar ja: drie biljoen observaties, dus. ‘Dat gaat eigenlijk onze voorstelling van ruimte te boven, dus ik moest dat versimpelen. Ik bekijk het nu als een schilderij. Ik denk aan de Waterlelies van Monet: hij gaf een impressie van wat er op dat water gebeurde, die je op je kunt laten inwerken. Ik ben nu geïnteresseerd in dingen die we misschien conceptueel wel kunnen begrijpen, maar nog niet echt kunnen omvatten. Je reist eigenlijk ook door de tijd, als je data van zo ver haalt. Dat ga ik proberen over te brengen in dit kunstwerk.’
Grappig, zo’n perspectiefwissel, springen door de tijd. Is dat een beetje vergelijkbaar met wat McQueen deed in zijn documentaire De bezette stad (te zien via NPO Start), waarin door een voice-over verhalen uit bezet Amsterdam worden verteld bij actuele beelden van die plekken? ‘Nee, zo zie ik dat niet. Het is typisch voor journalisten natuurlijk, dat parallellen trekken. Soms moet je gewoon kunst maken met wat je onder je bed vindt. Toen ik net in Amsterdam woonde, had ik steeds het gevoel omringd te worden door geesten. Alsof twee parallelle narratieven door elkaar liepen. Toen schreef mijn vrouw Bianca dat boek, De bezette stad, en dacht ik na over een manier om het levende en dode in hetzelfde frame te brengen. Door de tekst in het verleden te plaatsen en de beelden in het nu, kon ik het verleden naar het nu halen.’
‘Ik werk met wat beschikbaar is voor mij in deze tijd’, zegt McQueen. ‘Je moet er niet aan denken dat iemand nu waterlelies gaat schilderen. Je moet altijd iets verzinnen dat nog niet bestaat, en ook dat is maar een begin, ik kan mensen natuurlijk niet vertellen wat ze er straks bij moeten denken of ervaren. Als je je onzeker voelt, verveeld, of verloren, kan ik daar niets aan doen. Ga eens na, toen de kubisten voor het eerst hun werk lieten zien. Kijkers dachten: what the hell is this? Mensen moeten zelf iets kunnen ontdekken. Iedereen brengt zijn eigen perspectief mee naar het kunstwerk.’
En ook dat perspectief is niet gefixeerd, zegt McQueen. ‘Terwijl je ouder wordt, verandert ook je relatie met een kunstwerk. Die vloeibaarheid, dat vind ik prachtig.’
Ja, McQueen wil het liefst dat zijn werk níét vatbaar is voor die parallellen die journalisten er al dan niet met de haren bij slepen. Maar goed, het zal tegen zijn zin zijn: onvoorspelbaarheid blijkt dan toch de rode draad die door dit gesprek loopt. Want als we eenmaal buiten over de grachten lopen en op dreef raken over zijn inspiratiebronnen, McQueen met zijn Swapfiets aan de hand, moeten we toch constateren dat hij zich − tegen zijn eigen verwachting in − als de ideale gids gedraagt.
‘Ik kreeg de cassette van dit album in 1988 van een vriend. Ik stopte het in de cassettespeler en wauw, het pákte mij, ik zoog het helemaal in me op. Terwijl ik toen vooral verward werd door jazz. Tot op de dag van vandaag luister ik ernaar. O my god, de saxofonisten, Cannonball Adderley (saxofonist Julian ‘Cannonball’ Adderley, red.), John Coltrane en pianist Bill Evans. Ik heb Miles Davis hierna een aantal keer live gezien, dat was telkens ongelooflijk. Wat ik zo waardeer, is dat hij zich nooit herhaalde. Ik kan niet tellen hoe vaak ik iets heb gemaakt en mensen mij vroegen: kun je nog eens zoiets maken? Nee. Ik ga niet dát doen, ik ga nu dít doen. Je moet altijd op verkenning. Ik wil me altijd in zo’n instabiele staat bevinden, van niet weten. It’s imperative that you don’t know and essential that you find out. Er moet het risico zijn dat het project faalt.’
‘In deze legendarische jazzclub heb ik fantastische muziek gehoord, ik heb Prince er zien optreden. De club bestaat sinds 1959 en het is zó’n mooie ruimte, lekker donker met van die tafeltjes met kleine lampjes erop. Toen ik in 2019 in het Tate Museum een retrospectief had, hielden we de afterparty hier. The Ezra Collective speelde, een geweldig jazzkwartet. Dat was trouwens vlak voor de covidcrisis uitbrak, ik weet zeker dat veel mensen elkaar toen covid hebben gegeven op mijn feest, het was stampvol en iedereen stond bovenop elkaar te dansen.’
‘James Baldwin is nu natuurlijk overal, maar in de late jaren tachtig, toen ik hem net begon te lezen, kon je nérgens een boek van Baldwin vinden. Ik begon met Giovanni’s Room (1956, vertaald als Giovanni’s Kamer, red.). The Fire Next Time (1963, Niet door water, maar door vuur, red.) heb ik gekocht bij een feministische boekwinkel, Silver Moon op Charing Cross Road. Alleen daar hadden ze die boeken. Het is mijn favoriet omdat het nog zo actueel is.
Het verwijst naar een citaat uit de Bijbel: de volgende keer komt er geen overstroming, maar vuur. Baldwin vertelt in dit boek over zijn jeugd, de rol van ras in Amerika, zijn ontmoetingen met Malcolm X. Die tijd heeft parallellen met wat zich nu in Amerika ontvouwt: de opkomst van radicaal-rechts, die zich eigenlijk over het hele westelijk halfrond voltrekt. Ik zie het en vraag me af of mensen eigenlijk leren van het verleden. Een goed moment om dit boek nog eens te lezen.’
‘Jean Vigo was een anarchist, hij maakte maar één speelfilm en drie korte films, die overigens ook geweldig zijn. Zéro de conduite, uit 1933 (in zijn geheel op YouTube te zien, red.) gaat over een stel jongens dat op een kostschool onder een streng regime leeft en een opstand organiseert. Zo mooi. Alles is zo heerlijk vreemd aan deze film. Ze vinden zichzelf door te rebelleren tegen dat systeem. Deze film is de reden dat ik films wilde maken. Nee... dat is het niet: hij toonde mij de mogelijkheden van film.’
‘Ik vind het ook inspirerend. Kijk naar het gekkenhuis waar we nu in leven. Als je niet zegt dat wat niet deugt, niet deugt, dan normaliseer je het en heb je een probleem. Als je dan dapper bent, als dat je lukt, vind je dingen die je je niet had kunnen voorstellen, snap je? We zeggen allemaal dat we goed zijn, een aardig persoon. Maar er komt een punt waarop je dat moet aantonen. Dat kan ook klein zijn, maar je móét in actie komen.’
‘Ja, ik was dus iets te laat vanochtend, dat kwam doordat iedereen me belde voor een reactie op het overlijden van acteur Robert Duvall (acteur uit onder meer The Godfather en Apocalypse Now, overleed 15 februari 2026, red.). Hij speelde in mijn film Widows in 2018, dat was een van zijn laatste films. Voor Cynthia Erivo (inmiddels wereldberoemd van de Wicked-verfilmingen, red.) was het juist haar eerste film, en het grappige was: ze waren beiden even nerveus. Hij is een veteraan! Een legende. Toch begreep ik het, want het was voor hem elke keer weer nieuw. Hij was 88, maar hij deed dat niet op zijn gemak. Hoe ga ik deze rol brengen? Je moet je altijd weer aanpassen aan een nieuwe situatie.’
‘Ja, ik ben er gewoon dol op. Mensen houden niet genoeg van spruitjes. Gewoon met wat nootmuskaat zijn ze al heerlijk. Maar ik was laatst op een plek waar ze ze frituurden: zalig. Eet je spruitjes, mensen.’
‘Ik koop al 31 jaar kleren van Yamamoto. De snit is altijd geweldig. Ik hou zo van de vloeibaarheid van die kleren. Ik heb Yohji ook leren kennen. Hoe? Even denken. O ja, ik heb een keer een modeshow voor hem gelopen, in de jaren negentig. Toen raakten we aan de praat en waren we zelfs nog van plan om samen een opera te maken, maar dat is er niet van gekomen. Ik ben nog altijd dol op zijn kleren. Ik ben trouwens ook dol op de Belgische ontwerper Jan Jan Van Essche, in zijn ontwerpen zie je de invloed van Japanse kleding ook terug.’
‘Ik ga al sinds mijn 19de naar deze schoenenwinkel, dus 37 jaar. Koning Charles gaat hier ook heen, ze zijn hofleverancier. Het is in Londen op Jermyn Street, een legendarische plek voor dandywear in de 19de eeuw. Er komen veel oude mannen, maar ook wel jonge. Zwarte working class-mensen, die hebben vaak iets met schoenen hoor. Ik heb overal schoenen liggen, vooral herenschoenen, in mijn huis in Londen en hier in Amsterdam. Ik weet niet hoeveel paar. Ik ben bang om ze te tellen. Ik ben zelfs in de Trickers-fabriek geweest, het maakproces is zo mooi. Ze gebruiken Goodyear welting: dat betekent dat tussen de binnenzool en de onderzool een laagje wordt genaaid, en dat zorgt ervoor dat je ze altijd weer kunt laten maken en verzolen. In een onzekere wereld heb ik stabiliteit nodig onder mijn voeten.’
‘Toen ik een jaar of 19 was, was ik model voor het magazine ID. De Londense subcultuur en clubcultuur was in de late jaren tachtig in opkomst. Ik was gewoon op de Camden-markt toen iemand vroeg: wil je model worden? De stylist op de shoot was Simon Foxton, we werden meteen vrienden. Hij was stylist toen nog niemand stylist was, dat bestond nog niet eens. Edward Enninful was bij die shoot ook model, hij werd later fashion editor van ID en Vogue − en ook een goede vriend. Nick Knight was de fotograaf.
Simon is zo geweldig omdat hij zo creatief is. Vanuit mijn achtergrond werd het helemaal niet aangemoedigd om voor kunst te gaan. Hij opende die deuren voor mij. We hadden het altijd over onze ideeën, en hij was altijd degene die tegen me zei: why not? Soms is alles wat je nodig hebt iemand die zegt: why not? En nog steeds is hij dat, we spreken elkaar zo’n beetje elke dag.’
‘Marian Goodman is een legendarische galerist, ze is eind januari overleden op 97-jarige leeftijd. Ze heeft mijn leven onwijs beïnvloed. Ik was 26 toen ik haar ontmoette. Ze gaf me gewoon een kans, mensen dachten dat ze gek was. Ik sprak haar ook helemaal niet over kunst, we liepen gewoon rond in Central Park en spraken over van alles. Ik had nog niets gemaakt hè, ik was een beetje arrogant. Ik had haar een of twee dingen laten zien. Ik weet niet wat ze in me zag. Wat ik wel van haar weet, doordat we al die jaren zo’n goede band hadden, is dat ze een instinct had voor dit soort dingen. Kijk ook naar haar reputatie. Zij introduceerde kunstenaars als Gerhard Richter, Sigmar Polke en Anselm Kiefer bij het Amerikaanse publiek toen ze nog geen publiek hadden: allemaal geweldige kunstenaars die daar ook geweldige carrières hadden.’
‘Als ik me even een beetje blue voel, dan kijk ik Ricky Gervais bij de Golden Globes. Hij heeft het vijf keer gepresenteerd, er zijn allerlei edits op YouTube waar zijn stukken allemaal achter elkaar zijn geplakt. Het is zo heerlijk hoe hij de pretentie en de hypocrisie van Hollywood uitkleedt. Soms vinden mensen dit te grof, maar ik vind het fun. Hij is een beetje onbehouwen, hij gaat in tegen het idee dat grappen beleefd moeten zijn. Ik herkijk trouwens ook weer de shows van Richard Pryor (Amerikaanse standupcomedian en acteur, 1940-2005, red.), mijn god, wat was dat goed. En ook voor hem geldt: alles of niets. Het is een voorbeeld voor moderne comedy, hoor.’
McQueen belt drie dagen na het interview nog op. ‘Kun je nog iets toevoegen? Er is deze week iets heel ergs gebeurd: mijn favoriete zaak is afgebrand, het Clean Center op de Ferdinand Bolstraat in Amsterdam. Ik kwam er al twintig jaar. Ken je dat, van die plekken waar je komt, en altijd glimlachend vandaan komt, omdat de mensen er écht aardig zijn? Er kwamen allerlei mensen daar, het is echt onderdeel van de gemeenschap en van multicultureel Amsterdam. Mijn vrouw vertelde me dat de clip van het nummer Wasmasjien van Trafassi daar is opgenomen. Het is een familiebedrijf, geen multinational, en dat merk je aan alles, dat soort plekken zijn zo belangrijk in de stad. Je moet dat niet voor lief nemen. Het lijkt maar een plek waar je je kleren brengt, maar toen ik het las dacht ik: dit doet pijn. Ik hoop zo dat ze terugkomen.’
9 oktober 1969 Geboren in Londen.
1990-1993 Goldsmiths College in Londen.
1993 Korte film Bear.
1997 Korte film Deadpan .
1999 Wint de Turner Prize voor Britse visuele kunst.
2008 Speelfilm Hunger, wint Caméra d’Or in Cannes.
2011 Speelfilm Shame.
2011 Benoemd tot Commander of the Order of the British Empire.
2012 Speelfilm 12 Years a Slave. De film wint drie Oscars, een Golden Globe en een Bafta-award.
2017 Grenfell, kunstwerk over de afgebrande woontoren in West-Londen.
2018 Speelfilm Widows.
2020 Geridderd door koningin Elizabeth.
2020-2023 Documentaire De bezette stad met zijn vrouw Bianca Stigter.
2020 Televisieserie Small Axe.
2024 Speelfilm Blitz .
2025 Bass, installatie op Schaulager Basel.
2026 Solotentoonstelling Atlas in De Pont Museum met het nieuwe werk Atlas (in opdracht van De Pont Museum) en drie andere werken: Sunshine State (2022), Untitled (2025) en Bounty (2024).
Steve McQueen is getrouwd met journalist en auteur Bianca Stigter, met wie hij twee kinderen heeft, en woont afwisselend in Londen en Amsterdam.
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant