Van jongs af aan voelt Martine dat ze in haar gezin ongewenst is. Als volwassene lukt het niet om goed contact met haar ouders te onderhouden. En dan wordt haar vader ernstig ziek. In deze serie spreekt Barbara van Beukering mensen die spijt hebben van een beslissing.
Barbara van Beukering is journalist. Voor Volkskrant magazine interviewt zij wekelijks mensen over spijt.
Martine (61, algemeen directeur): ‘Ik was een ongelukje, zoals dat toen heette. Nadat mijn ouders een jongen en een meisje hadden gekregen, zwom ik een jaar later door het spiraaltje heen. Ik heb van jongs af aan gevoeld dat ik ongewenst was. Als mijn moeder haar buik liet zien, zei ze altijd: ‘Na je broer had ik een strakke buik, na je zus had ik een strakke buik, maar na jou begon het te blubberen.’ Toen ik 12 was, mocht ik met een vriendinnetje en haar ouders mee op vakantie. Daarmee verspeelde ik het recht op vakantie met ons eigen gezin. Terwijl mijn ouders met mijn broer en zus weggingen, werd ik bij een oom en tante in Zeist geparkeerd. Uit Frankrijk namen ze een eierdopje voor me mee met mijn naam erop.
‘We zijn opgegroeid in een vrijstaande villa aan het water in een dorp met allemaal boerenfamilies. Als ik thuiskwam met vriendinnetjes die zeiden: ‘Zij heb het hiero neergelegen’, keurde mijn moeder de vriendschap onmiddellijk af. Wij hadden een dubbele achternaam, de rest van de mensen was al gauw te min. We waren niet rijk, maar wel erg statusgericht. Mijn moeder gaf graag etentjes, ze kon de sterren van de hemel koken, maar na zo’n diner had ze commentaar op alles en iedereen.
‘Mijn vader was een jappenkampslachtoffer. Hij kreeg op 16-jarige leeftijd polio in het kamp: verlamde buikspieren, dubbele scoliose in zijn rug, helemaal scheefgegroeid. Hij werkte als fotograaf en was altijd buiten de deur. Sprak af met postzegelvriendjes, duikvriendjes en gaf ’s avonds vaak lezingen over fotografie.
‘Na de mavo stuurden ze me naar de havo in een stad 100 kilometer van ons dorp vandaan. Ik was niet gewenst, ze wilden gewoon zo snel mogelijk van me af. Ik kwam daar in een internaat met kinderen met opvoedproblemen die allemaal hasj rookten. Daar betaalden mijn ouders duizend gulden per maand voor, wat ze niet hadden, dus dat leenden ze van mijn oma. Toen ik begin 20 was, werkte ik drie jaar in St. Moritz in Zwitserland. Mijn ouders waren in die tijd een maand op vakantie in Zwitserland maar ze zijn me niet één keer komen opzoeken. Onze band werd steeds moeizamer. Bij het minste of geringste verbraken ze het contact en zagen we elkaar lange tijd niet. Tot mijn moeder weer eens belde met de woorden ‘zand erover’.
‘Op het moment dat ik in 2009 besloot te trouwen, hadden mijn ouders alweer een tijdje het contact met mij verbroken. Nu er zoiets belangrijks in mijn leven zou plaatsvinden, vond ik dat mijn ouders daarbij moesten zijn. Ik liet een berichtje op het antwoordapparaat achter waarna mijn moeder, zeer nieuwsgierig van aard, meteen terugbelde. We spraken af dat ik mijn aanstaande, een slimme, op Richard Gere lijkende man, snel aan hen zou komen voorstellen. Mijn moeder had alles uit de kast gehaald: champagne, verse aardbeien, zalm, het kon niet op. Zand erover. Alleen toen dacht ik: misschien moeten we toch eens energie steken in een duurzamere band. Ik stelde voor om in mediation te gaan, mijn ouders stemden ermee in.
‘Via de huisarts vond ik een psycholoog met wie mijn ouders en ik eerst onafhankelijk van elkaar afspraken. Toen we voor het eerst met z’n drieën bij de therapeut zaten, draaide mijn moeder als een blad aan de boom om. Ze wees naar mijn vader die inmiddels in een rolstoel zat en jammerde: ‘Kijk nou, mijn arme man, die moet helemaal naar deze stad komen om in de toekomst een kopje koffie met onze dochter te kunnen drinken. Wij kunnen niet met onze dochter omgaan, het vreet energie. We gaan daar helemaal aan onderdoor.’ Terwijl ik juist een brug probeerde te slaan voor de toekomst, sloeg ze de deur voor de zoveelste keer dicht in mijn gezicht.
‘De volgende dag belde ik mijn vriendin, die kapper is in een heel chic vijfsterrenhotel. Voordat ik iets kon zeggen, zei ze: ‘Je moeder is vanochtend in de kapsalon geweest. Ze moest heel erg huilen omdat jij het contact hebt verbroken.’ Mijn ouders zijn niet op mijn huwelijk geweest.
‘Drie jaar later belde een neef uit Zuid-Afrika, een fantastische kerel, hij was getuige geweest op mijn bruiloft. Hij vertelde dat hij een spreekverbod had van mijn moeder en dat ik het absoluut niet mocht weten, maar dat mijn vader op sterven lag. Hij vond het van de zotte dat je een kind bewust niet vertelt dat haar vader zijn laatste dagen ingaat. Ik heb onmiddellijk mijn broer, met wie ik nog spaarzaam contact had, gebeld. Hij vond het heel moeilijk dat ik belde, want hij wilde er niet ‘tussen’ staan. Hij was ook verontwaardigd dat die neef de eis van mama niet had gerespecteerd.
‘Een paar dagen later belde mijn broer dat mijn vader was overleden. Na het telefoontje mailde hij mij de rouwkaart. De namen van mijn moeder, mijn broer, mijn zus en hun kinderen stonden keurig onder elkaar. Mijn naam stond er niet bij. Ik was ook niet welkom bij de crematie. Een oom, de stiefbroer van mijn vader, had compassie met mij en liet weten dat hij een foto van mijn vader had terwijl hij thuis in zijn slaapkamer lag opgebaard. Of ik die foto wilde zien, dat zou me misschien troost kunnen bieden. Toen ik de mail opende, zag ik onmiddellijk een foto van mijn vader verschijnen met gevouwen handen en een roos op zijn borst. Op het nachtkastje naast zijn bed stonden twee foto’s in een lijstje. Die foto’s waren van mij, die had ik in Zuid-Afrika gemaakt. Mijn hart kromp ineen en vulde zich met een groot besef van spijt.
‘In de fotolijstjes naast zijn bed zie ik een boodschap dat hij wel degelijk van mij heeft gehouden. Had ik maar de tegenwoordigheid van geest gehad om, toen hij in het ziekenhuis lag, de verpleging te bellen om te zeggen dat ik zijn dochter was. Of ze alsjeblieft aan papa konden vragen of hij me nog wilde zien. Als hij het niet wilde, zou ik heus zijn weggebleven. Maar wellicht had hij het juist heel fijn gevonden. Ik heb zoveel spijt van die gemiste kans. Misschien had ik toch erkenning gekregen, had hij mij het gevoel gegeven dat ik wel meetelde. Of misschien had hij zelfs ‘sorry’ gezegd. En als hij niet meer had kunnen praten, had hij misschien mijn hand vastgepakt en erin geknepen. Of een blik gegeven. Iets.
‘Ik kwam er tijdens een toevallig bezoek aan de notaris achter dat ik onterfd ben. Maar je hebt in Nederland altijd recht op een legitieme portie. In ons geval is dat een achtste, de helft van het kindsdeel, want we zijn met z’n vieren; mijn moeder, broer, zus en ik. Ik ben er twee jaar mee bezig geweest om aanspraak te maken op het deel waar ik recht op heb, wat 10 duizend euro bleek te zijn. Maar mijn moeder leeft nog steeds en zij heeft het vruchtgebruik van de erfenis. Na haar overlijden zal blijken of er nog iets van over is.
‘Het spijtgevoel zal altijd blijven. Het is nu zestien jaar geleden, maar altijd als ik het erover heb, komen er tranen. Als ik iets in mijn leven kon terugdraaien, is het dat moment in het ziekenhuis. Als mijn vader had gezegd dat hij mij niet wilde zien, was dat ook goed geweest. Volledig afgewezen zijn geeft meer rust dan de twijfel of hij misschien toch van mij hield.’
Op verzoek van de geïnterviewde is de naam Martine gefingeerd. Kampt u ook met gevoelens van spijt en wilt u daarover in deze rubriek praten, stuur dan een mailtje naar b.vanbeukering@gmail.com.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant