Home

Eigenlijk had ik drip moeten zeggen, maar dan had mijn tafelgenoot me waarschijnlijk voor de tram geduwd

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Het terras was een perfecte clusterfuck aan prikkels. Het lag precies aan de kruising van twee drukke wegen, er liep een stoep, twee zebrapaden, een fietspad, een trambaan en overal stonden haaientanden. En iedereen had schijt aan die haaientanden. Een bestelbusje sloeg af naar rechts en gaf uiteraard geen voorrang aan de fietser die rechtdoor ging, wat leidde tot hevig geschreeuw.

Er werd getoeterd. Er werd gebeld. Getelefoneerd, geappt. Ding-ding-ding-ding-ding, deed een tram. Zomaar, er was helemaal geen sprake van een potentieel gevaarlijke situatie, maar blijkbaar wilde de bestuurder ook gewoon even herrie maken.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Te midden van deze chaos doemde in de verte een figuur op. Lang en statig, onaangedaan door al het verwarrende leven om zich heen. Hij droeg kniehoge blauwe sokken van Adidas, met daaronder bruine kisten waarvan de veters los zaten. Een dunne, zwarte coltrui zat strak om zijn tengere bovenlijf. Over zijn schouders hing een wollen vest en zijn grijze, lange haar zat in een strakke paardenstaart naar achteren gebonden. Ook droeg hij een geruite kilt.

Toen hij langsliep, complimenteerde ik hem op zijn ‘fit’. Want waarom ‘outfit’ zeggen, of gewoon: ‘Dag meneer, wat ziet u er leuk uit’, als je jezelf toffer voor kunt doen dan je eigenlijk bent? Eigenlijk had ik drip moeten zeggen, maar dan had mijn tafelgenoot me waarschijnlijk voor de tram geduwd.

De man hield stil. ‘Nou, dankjewel’, antwoordde hij met een brede lach. Zijn gebit had betere tijden gekend, maar hij kon het hebben. ‘Ik word zo depressief van al die zwarte North Face-jassen’, zei hij. Hij vertelde dat hij zijn best deed zich mooi aan te kleden, om zich te onderscheiden van anderen. Mensen hebben van nature de neiging, zei hij, om bij de rest te willen horen. Je afzetten van de rest, daar is lef voor nodig.

‘Je hebt zo’n foto van een groep mensen die allemaal zo hun arm omhooghouden’, vertelde hij. ‘Ik zal het hier nu niet nadoen. Maar er is dan één iemand die zijn arm omlaaghoudt. Tja.’

‘Tja’, antwoordde ik.

‘Maar jij hebt ook je best gedaan’, zei hij en hij wees naar mijn broek en de leren zwarte laarzen aan mijn voeten. Ik vond dat een lastig te verteren compliment, want vergeleken met hem zag ik eruit als een paspop van de C&A uit 2009.

We namen afscheid. Hij had zich nog niet omgedraaid, of een vrouw vroeg hem in het Engels of ze een foto van hem mocht nemen. Dus niet met hem op de foto: een foto van hem. Hij ging schoorvoetend akkoord. ‘Maar’, zei hij terwijl ze haar telefoon omhooghield, ‘ik ga niet in de lens kijken’. In het laatkapitalisme noemen we dat een verzetsdaad.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next