Het wetenschappelijke geld uit het slavernijfonds vloeit grotendeels naar Nederlandse instituten. Dat is precies wat dekolonisering níét is.
Op 29 april kondigde de Universiteit van Amsterdam aan een meerjarige subsidie toegekend te hebben gekregen vanuit de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) voor onderzoek naar de doorwerkingen van het Nederlandse slavernij- en koloniale verleden. Het analyseframe van het project: epistemische onrechtvaardigheid. Het kostte ons enige moeite het bericht zonder grijns uit te lezen.
Sinds toenmalig premier Mark Rutte op 19 december 2022 excuses aanbood en een fonds van 200 miljoen euro aankondigde, wordt zichtbaar waar dat geld landt. Het wetenschappelijke spoor omvat circa 3 miljoen euro bij de Nationale Wetenschapsagenda. Daarnaast is er een internationaal programma via het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), met partners uit Suriname, Zuid-Afrika en Indonesië, goed voor 924 duizend euro.
De verhouding spreekt voor zich. Dat het KITLV het kenniscentrum vormt, is historisch veelzeggend: opgericht in 1851 voor de studie van koloniën, draagt het die erfenis nog.
Over de auteurs
Ruud Duvekot is fellow aan Unesco Research en lector valideren en werkplek-leren bij NCOI Opleidingen. Olten van Genderen is ontwikkelingsandragoog en oud-diplomaat van Suriname in België.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Dekolonisering is in het publieke debat afgezwakt tot een morele oproep tot ‘andere stemmen en perspectieven’. Daarmee verdwijnt de kern. In de traditie van denkers als Frantz Fanon, Andre Gunder Frank en Ronaldo Munck is dekolonisering echter een structurele these: het kolonialisme liet niet alleen politieke en economische sporen na, maar ook ‘epistemische’. Het bepaalt wat als kennis geldt, wie mag spreken en welke normen universeel lijken. De politieke bezetting eindigt maar de epistemische blijft. Dat onderscheid bepaalt alles.
Excuses, een fonds en een herdenkingsjaar raken de eerste vorm van de koloniale erfenis. Ze raken de tweede vorm pas wanneer ook structuren meeveranderen die bepalen wíe over deze geschiedenis kennis mag formuleren, vanuit welk instituut, met welke begroting. Fanon zou onmiddellijk de figuur herkennen die hij beschreef in Peau noire, masques blancs (1952): het witte masker dat zelfs in goedwillend gebaar gedragen blijft. Gunder Frank zou erop wijzen dat de ‘onderontwikkeling’ van de gekoloniseerde wereld geen achterstand is die door extra investering wordt rechtgetrokken. Zij is de structurele voorwaarde waarop de koloniserende wereld als kennisproducent functioneert.
Wanneer de instituten van Leiden, Amsterdam en Utrecht het onderzoek huisvesten en de eindrapporten publiceren, blijven Paramaribo en Willemstad in dezelfde periferie-positie als waarin het kolonialisme ze heeft achtergelaten. Niet ondanks, maar via de onderzoeksinfrastructuur. Wij erkennen, wij excuseren, wij financieren, wij coördineren, wij onderzoeken. De eerste persoon meervoud is precies de positie die ‘het witte masker’ draagt. Niet als kwade trouw, maar als ingebakken structuur. De westerse morele superioriteit hervindt zich zo via het zelf-afgegeven gebaar van morele zelfcorrectie.
Hoe het anders kan? Niet door meer geld of betere intenties. Het hoofdprogramma zou belegd moeten zijn bij instituties in Suriname, op Curaçao, Aruba en Sint Maarten en bij diaspora-instellingen (Anton de Kom Universiteit, University of Curaçao, NiNsee) met substantiële, meerjarige basisfinanciering. Nederlandse instellingen kunnen dan deelnemen op invitatie.
De primaire opbrengst zou dan geen onderzoeksoutput moeten zijn, maar duurzame epistemische infrastructuur in de regio waar de geleefde geschiedenis ligt: leerstoelen, archieven, postdocs. En wie zelfs de bronnen niet teruggeeft, blijft het kennisarrangement bepalen. Het Nationaal Archief in Den Haag bewaart de centrale documenten van de Atlantische slavernij onder Nederlands bewind.
Een tweede spoor zou Nederlands gericht moeten zijn: zoals het Nederlandse universitaire systeem, inclusief de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en KITLV, koloniale aannames anderhalve eeuw lang heeft gelegitimeerd. Dat is werk dat Nederland zelf moet doen, op eigen kosten.
In het huidige programma ontbreekt het vrijwel geheel. De keuze om geen herstelbetalingen te doen maar wél een fonds in te stellen dat voor een belangrijk deel naar Nederlands onderzoek vloeit, is in moreel-economische zin niet neutraal. Onderzoek wordt zo, gewild of niet, het surrogaat voor een gesprek dat eigenlijk over restitutie gaat.
Dekolonisering vraagt niet of een instituut bereid is ‘andere stemmen’ toe te laten in zijn programma. Zij vraagt of het de eigen positie als coördinerend en definiërend instituut zou willen opgeven. Een werkelijk dekoloniserend gebaar bestaat erin de meetlat zelf uit handen te geven. Voor Nederland zou dat een gepaste volgende stap zijn: een fonds dat door Suriname en het Caribisch deel van het Koninkrijk wordt beheerd, en waaraan Nederland respectvol een bijdrage levert.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant