Rouw Het verlies van een familielid, hoe hartverscheurend ook, levert niet automatisch een goed boek op. Toch overtuigt het al te volle Wij vinden dat fijn van Stéphanie Hoogenberk geregeld met scherpe observaties.
Stéphanie Hoogenberk: Wij vinden dat fijn. Prometheus, 320 blz. €23,99
„Vijf dagen na de diagnose van mijn moeder was het hartje gestopt.” Met deze onheilstijding wordt de lezer Wij vinden dat fijn van journalist Stéphanie Hoogenberk ingetrokken. Een zieke moeder, een miskraam: de schrijver wordt van alle kanten geconfronteerd met verlies. „Het voelt alsof het einde der tijden is aangebroken”, schrijft ze in een van de vroege dagboekpassages. En dat is goed te begrijpen.
Hoogenberk, bekend van haar succesvolle podcast De shitshow met Janneke van der Horst, debuteerde in 2024 met het oergeestige We hebben het over je gehad, een bundel verhalen over vriendschappen die met subliem taalgevoel en het nodige venijn tot het laatste appje worden uitgepluisd. Het boek dat zich zo kritisch uitliet over vriendschap werd enorm populair. Droogkomisch, trefzeker en zeer aanstekelijk – zo kun je haar stijl beschrijven.
In Wij vinden dat fijn gidst Hoogenberk in dagboekvorm de lezer langs het ziekbed van haar moeder; een koortsachtige periode waarin consulten met artsen, autoritten naar Sittard, de woonplaats van haar moeder, en slapeloze nachten het normale leven opbreken. Het boek krijgt pas werkelijk schwung als er nieuw leven in het vooruitzicht blijkt: na haar miskraam blijkt Hoogenberk opnieuw zwanger.
Nieuwe boeken over rouw zijn op dit moment bepaald niet schaars. Je komt er als lezer, net als de dood zelf, eigenlijk niet onderuit. De uitdaging is dan voor een auteur om toch vernieuwend en onderscheidend te zijn. Schrijvers die het thema naar zich toetrekken en vervolgens boven de persoonlijke ervaring uittillen zijn bijvoorbeeld Mirjam van Hengel in Ganzentijd (2025) en Sarah Tarlow in De archeologie van het verlies (2023.) Het verlies van een familielid biedt, hoe hartverscheurend ook, op zichzelf nog geen garantie voor een goed boek.
Hoogenberk – wier moeder Mireille overlijdt voor zij haar kind heeft gekregen – weet met dit rouwverhaal wel degelijk iets te raken. Wij vinden dat fijn bevat namelijk hartverwarmende passages, die je als lezer naar je eigen moeder doen verlangen, zelf als ze gewoon naast je zit. Bijvoorbeeld wanneer Hoogenberk begint met portretschilderen om ‘Meri’ vast te leggen, of als ze samen in een hotel in Vlaanderen de slechte bediening fileren. De zwangerschap van Hoogenberk verbindt moeder en dochter; babynamen die haar moeder niet mooi vindt, worden afgestreept, de buik gekust.
Hoogenberk wedijvert met Ton, haar moeders vriend, over de mantelzorg, kissebist in het ouderlijk huis over de afwas, pareert kregelige artsen en barst tijdens een pedicuresessie in tranen uit. Tekenend is het moment dat een vroegzwangere (en dus kotsmisselijke) Hoogenberk haar evengoed zieke moeder vraagt om thee met suiker te maken, waarop haar moeder, die de zorg zeker harder nodig heeft, droogjes antwoordt: „Wat kom je hier dan doen?” Door zulke passages begrijp je als lezer: ook de disfunctionele, onhandige momenten zijn voor deze relatie waardevol.
Niet alles aan dit boek is overtuigend. Hoogenberk springt iets te kwistig om met haar verteldrang. Dat uit zich onder meer in een waslijst aan namen van tantes, vriendinnen, buren en Italiaanse huurders. Bovendien hoeft niet elk grapje uitgelegd te worden en niet elke anekdote verdient een plek. Dat is onnodig voor een boek met zo’n veelbelovend vertrekpunt, waarbij het leven en de dood zo dicht tegen elkaar aan schurken, Toch weet Hoogenberk ook telkens weer rake zinnen te formuleren. Bijvoorbeeld als ze terugblikt op de band met haar moeder, ‘haar beste reisgezelschap’, waarmee ze eeuwig in de slappe lach kon blijven hangen. „Ik hoop dat zo’n band erfelijk is”, schrijft ze, mikkend op haar dochtertje.
De lezer die zint op een allesomvattend rouwportret zal niet verzadigd zijn na het lezen van Wij vinden dat fijn. Daarvoor weet Hoogenberk zich niet genoeg aan haar eigen belevingswereld te onttrekken. Een solist dus, maar wel eentje die meesterlijk de menselijke verhoudingen durft op te tekenen. Dat vergt branie.