Non-fictie Wat gebeurt er met je als je helemaal niet meer kunt slapen en niets helpt? Samantha Harvey trekt met Het vormeloze ongemak de lezer mee in haar eigen, overvolle associatieve denkwereld.
Samantha Harvey: Het vormeloze ongemak. Een jaar zonder slaap. (The Shapeless Unease) Vert. Kitty Pouwels. De Bezige Bij, 160 blz. €22,99
Houdt een hond zijn innerlijk leven voor ons geheim? Waarom heet het Brexit, terwijl het niet Groot-Brittannië is dat de EU verlaat maar het Verenigd Koninkrijk, the UK? Waarom heet het dan niet Ukexit? Waarom ben ik aan dat verhaal begonnen over die man die een geldautomaat kraakt en zijn trouwring verliest?
Het zijn ‘dringende nachtelijke vragen’ die door het hoofd spoken van de Britse schrijfster Samantha Harvey. In Het vormeloze ongemak. Een jaar zonder slaap, dat al in 2020 verscheen en nu uit is in een mooie vertaling van Kitty Pouwels, maakt ze de lezer deelgenoot van de wirwar aan gedachten die in de donkere uren door haar hoofd spoken. Gekmakend is haar situatie, want Harvey doet werkelijk geen oog dicht. En dus probeert ze, starend naar het plafond, als ‘een soort archeoloog in zichzelf te graven’: „Ik kam mijn jeugd uit om te zien of daar de bron van mijn slapeloosheid ligt, ik zoek naar de exacte gedachte, het ding of de gebeurtenis die me van een slaper tot een niet-slaper heeft gemaakt. Ik probeer de sleutel te vinden waarmee ik mezelf kan bevrijden.”
Het niet-slapen put Harvey volledig uit, ‘hectares van nacht’ volgen elkaar op. Wanneer het na die eindeloze uren eindelijk weer licht wordt, voelt ze zich ‘fysiek aangevallen’: ze krijgt haar ogen nauwelijks open, haar gewrichten doen pijn, haar schedel doet zeer. „Dan begint mijn dag alsof alles normaal is en ik niet in elkaar ben gebeukt, en iedereen behandelt me ook alsof ik niet in elkaar ben gebeukt, en zo overleef ik het, maar ook niet meer dan dat.”
De geestelijke en lichamelijke uitputting is zo groot dat ze morbide gedachten krijgt. „Aanvankelijk vrees je de dood, maar dan gebeurt er iets nog ergers: je vreest het leven. Je wilt dat leven niet langer, niet op die voorwaarde. Als ik niet slaap en niet slaap en niet slaap, dan wil ik mijn leven niet meer, maar heb ik ook niet de energie (moed, knowhow?) om mezelf te doden. Dus moet ik mijn leven verdragen terwijl het ondraaglijk is: een impasse.”
Over slaap en slapeloosheid zijn uiteraard vele boeken verschenen. Zo wierp Arianna Huffington, medeoprichter en hoofdredacteur van The Huffington Post, zich jaren geleden al op als slaapgoeroe. In haar TED Talk uit 2011 en in haar bestseller The Sleep Revolution (2016) vertelde ze over de historische achtergronden van de slaap en benadrukte ze het belang van een gezonde nachtrust. Journalist en schrijver Bregje Hofstede, die lang worstelde met slapeloosheid, dook voor haar boek Slaap vatten (2021) eveneens in de slaapwetenschap. Beiden kwamen met remedies. Huffington gaf bekende slaaphygiëne-tips – geen computerscherm in de avond, Qigong-oefeningen, kopjes lavendelthee – Hofstede beschreef hoe ze zelf de slaap weer kon vatten nadat ze een woning betrok in een ontvolkte streek in Midden-Frankrijk, weg uit de drukte van het snelle stadsleven.
Boeken met een hoopvolle boodschap dus, maar in Het vormeloze ongemak is dit geenszins het geval. Harvey, die in 2024 met haar lyrische ruimtevaartroman In Orbit de Booker Prize won, komt uiteindelijk in dit boek wel tot een soort inzicht over haar slapeloosheid maar trekt de lezer toch vooral mee in haar eigen, overvolle associatieve denkwereld. Een duistere wereld, welteverstaan, want tijdens die nachtelijke, archeologische opgravingen komen allerlei dingen langs: de recente dood van een favoriete neef, de wereldproblematiek („de wereld is een haaienpoel (…) we spelden klaproosjes op en beginnen toch weer een oorlog”), de dakloze man in Australië die haar, vijftien jaar eerder, tot bloedens toe met een object op het hoofd sloeg. Een eindeloze zoektocht, maar niets verklaart uiteindelijk dit niet-slapen.
Ondertussen biedt de huisarts geen soelaas. In een schrijnende passage beschrijft Harvey hoe ze, na een hels jaar, opnieuw bij de dokter langsgaat met het bescheiden verzoek of ze, op advies van een voedingsdeskundige, nog een keer wat bloedtesten mag laten doen. In een reactie draait de huisarts zich zwijgend naar haar computer om ten slotte, zonder enig oogcontact, op te merken: „Het is hier geen winkel.” Ze moet het, kortom, maar zelf uitzoeken. En toch, niks helpt, terwijl ze alles probeert: slaappillen, mindfulnesscursus, voedingssupplementen, ook slaaphygiëne-adviezen blijken nutteloos. Het leidt met een vriendin tot het volgende absurdistische gesprek:
„Positief blijven, daar gaat het om.”
„Oh ja?”
„Fijne troostende dingetjes, kleine vriendelijke gebaren voor jezelf.”
„Telt uit het raam van de bovenste verdieping springen ook als een klein vriendelijk gebaar voor mezelf?”
Uiteindelijk is er maar één ding dat haar op de been houdt: schrijven. Alleen dan lijkt ze haar ‘ik’ te kunnen ontvluchten en werkt ze „vanuit een onderbewuste vormloosheid, open en vluchtig”. Vandaar dat ze, in fragmenten, ook een kort verhaal heeft opgenomen dat ze tijdens al die nachtelijke uren heeft verzonnen: over de man die een geldautomaat kraakt en zijn trouwring verliest. Dat voelt, in dit originele, genre-overschrijdende boek, helaas een beetje als een kunstgreep. Gelukkig weet ze het goed te maken met een aantal ontroerende passages over poëzie, waaronder een gedicht van Philip Larkin over de vergetelheid van de dood:
We hadden dat al eerder, maar toen was het tijdelijk
En het versmolt non-stop met een unieke poging
Om de miljoenbladige bloem van het hierzijn
In bloei te krijgen
Het is die formulering – ‘the million-petalled flower of being here’ die als ‘een steroïde recht in haar aderen’ schiet. Dit besef van de overvloed, veelzijdigheid en rijkdom van het bestaan biedt troost. Het is dezelfde veelzijdigheid die Harvey met dit boek, op een geheel eigen manier, tot uitdrukking weet te brengen. Herinneringen, poëzie, filosofie en reflecties over de dood smeedt ze aan elkaar, zo vol is dit werk dat je zou kunnen concluderen: de oorzaak van haar niet-slapen is haar eigen geest. Dat rijke schrijvershoofd dat volzit met zelfanalyses, diepe angsten, spijt, verwijten, oude ruzies en dat, zoals ze zelf opmerkt, juist in de nacht tot uitbarsting komt „als een vuurwerk dat almaar blijft ontploffen en vervliegen, ontploffen en vervliegen. Ongeredigeerd, onleesbaar en onmogelijk te verwerken.”
Wat maakt dat ze uiteindelijk na dat ellendige jaar toch weer kan slapen? Ze draagt zelf ‘de remedie’ aan: „Niets is vast. Alles gaat voorbij, ook dit. Op een dag, als je er klaar mee bent, zal het zijn grip verliezen en loslaten, en dan val je elke nacht in slaap zonder te weten waarom dat je ooit onmogelijk leek.” Het lijkt een antwoord van niks, en tegelijkertijd zegt ze er alles mee. Alsof de mens, in de donkere uren van die andere wereld, er soms niet aan kan ontkomen om in zijn of haar innerlijke afgrond te staren: geconfronteerd met het eigen vormeloze ongemak.