Teruglezen Literatuurwetenschapper August den Boef (76) herlas De dingen van Georges Perec. ,,Dit boek gaat over mensen die hun identiteit ontlenen aan wat ze consumeren. Dat voelt verrassend actueel aan.”
August den Boef
„Meestal herlees ik boeken om professionele redenen. Als er een nieuw boek verschijnt van een auteur die ik dertig jaar geleden voor het eerst heb gelezen, of als een werk weer in de belangstelling staat, wil ik weten hoe het ook alweer zat. Zo ging het ook met De dingen van Georges Perec: de vertaling van Edu Borger uit 1990 is vorig jaar herdrukt.
Ik herinnerde me er eigenlijk niet zo veel meer van. Alleen dat het boek gaat over twee jonge mensen in Parijs, Jérôme en Sylvie, die in een klein appartement wonen en vooral dromen van geld en mooie spullen. Ze doen een beetje halfslachtig mee aan politieke discussies, vertrekken uiteindelijk naar Tunesië om daar een heel nieuw leven te beginnen, maar raken teleurgesteld.
Bij het herlezen vielen ineens allerlei details op die ik compleet was vergeten. Bijvoorbeeld dat hun appartement vlak naast de grote moskee van Parijs ligt. En dat ze, als ze later in Tunesië zijn, bedenken dat de moskee bij hun Parijse appartement eigenlijk veel mooier was dan die in Sfax. Ook hun fascinatie voor alles wat Engels was viel me nu op: Engelse films, Engelse meubels. Dat soort dingen.
Dat lijkt eigenlijk heel erg op wat je nu de in grote steden ziet. Wat tegenwoordig vaak de ‘havermelkelite’ wordt genoemd: hoogopgeleide stedelingen die dezelfde koffiebars bezoeken, dezelfde kledingmerken dragen en zich sterk laten leiden door wat op dat moment als stijlvol geldt. De hoofdpersonen zijn mensen die hun identiteit ontlenen aan wat ze consumeren. In dat opzicht voelt het boek verrassend actueel aan.
Als student literatuurwetenschap las ik Perec voor het eerst. In het begin van de jaren zeventig was er veel belangstelling voor Franse experimentele literatuur. Perec hoorde bij de OuLiPo-groep, schrijvers die met allerlei formele experimenten werkten. Ik had toen al wat van hem gelezen: een thriller zonder de letter ‘e’, een ander boek met juist alleen een ‘e’ als klinker. Dat soort experimenten vond ik fascinerend. Daarom wilde ik ook zijn debuut, De dingen, lezen.
Wat me nu vooral opvalt, is hoe toegankelijk De dingen eigenlijk is. De roman zit een beetje tussen Perecs experimentele werk en zijn meer traditionele verhalen in. De dingen lijkt koel en bijna afstandelijk geschreven, maar tussen de regels door zie je hoe ongelukkig die twee personages zijn. Ze willen alles kunnen kopen wat ze mooi vinden, maar daar hebben ze het geld niet voor.
De roman bevat nauwelijks psychologische uitleg. Perec beschrijft zijn personages vooral via de dingen die ze bezitten en de dingen die ze willen hebben. Je kijkt eigenlijk naar hen zoals je in een laboratorium naar een verschijnsel kunt kijken onder een microscooop.
Als lezer bevind ik me ergens tussen twee rollen: ik lees voor mijn plezier, maar ook als beroepslezer. Die twee lopen vaak door elkaar. Ook in vrije tijd lees je nooit meer helemaal onbewust: je denkt altijd na over stijl, over dialogen, over historische details. Maar ik beschouw dat niet als beroepsdeformatie. Integendeel: als een boek goed geschreven is, geeft die onderzoekende blik me alleen maar meer plezier, omdat de details je dan veel meer opvallen.”
In de rubriek ‘Teruglezen’ vertellen boekenliefhebbers over een werk dat in het verleden veel indruk op hen heeft gemaakt.