Home

‘Al die ongelukkige dingen maken je uiteindelijk toch tot wie je bent’

Libris Literatuur Prijs Het gezoem van bijna alles van Coco Schrijber is een van de zes genomineerden voor de Libris Literatuur Prijs, die maandag wordt uitgereikt. In een roman als een achtbaanrit weet ze de lezer steeds opnieuw te verrassen en ontregelen. ,,Je kúnt je leven omgooien, maar de meeste mensen doen dat niet.”

Coco Schrijber.

Je kunt de mensheid op vele manieren indelen. Je hebt bijvoorbeeld mensen die zakjes, pakjes en doosjes op de correcte manier openen, aan de bovenkant, en je hebt mensen die daar geen geduld voor hebben en de boel gewoon openrukken.

Tot welke categorie hoort Coco Schrijber zelf? „Die laatste. Altijd ondersteboven. Wat maakt het uit? Dat je de gebruiksaanwijzing niet meer kunt lezen. Ja, maar ja. Ik heb andere dingen te doen.”

Of verdeel de mensheid onder in mensen die hun verwondering inslikken, en mensen die aanstekelijk oooh roepen. „Ik slik mijn verwondering niet volledig in, maar ik bewaar het en wellicht schrijf ik het later nog eens op. Ik deel het niet meteen, want stel dat die ander het niet begrijpt en er dan stom op reageert – en dat gebeurt vaak hoor, ik vind mensen vaak niet erg intelligent – dan is het nergens goed voor geweest.”

Coco Schrijber: Het gezoem van bijna alles. Querido, 319 blz. € 23,99

Het zijn maar een paar van de vele menscategorieën die langskomen in Het gezoem van bijna alles. Het is de derde roman van Coco Schrijber, en een van de zes genomineerden voor de Libris Literatuur Prijs, waarvan maandag de winnaar bekendgemaakt wordt. „Zelden heeft iemand zo lichtvoetig over de zwaarte van het leven geschreven”, aldus het juryrapport. De roman gaat over Cato Goudschenker, die op een eiland op een berg zit en de dagen aan zich voorbij laat trekken, moedeloos, verslagen. Wie ze is? Cato wordt enkel nog gedefinieerd door haar verleden, door alles wat er niet meer is, of nooit is geweest.

„Het is natuurlijk de bedoeling dat de lezer bij die menstypes gaat denken: wie ben ik? Veel mensen beschikken niet automatisch over dat vermogen tot introspectie en zelfreflectie, maar het is mijn opdracht als schrijver om je wakker te schudden, dat je denkt: dit kan ik zijn. En dat raakt meteen aan de diepere laag van het boek.”

Het gezoem van bijna alles is een achtbaanrit. Je hebt nog geen tien bladzijden gelezen en net de twee allerliefste jongetjes leren kennen, Cato’s vijfjarige tweeling Tim en Kees, de schattigste en vrolijkste knulletjes die je je kunt indenken, als het noodlot toeslaat en ze door een loodzware ijskast verpletterd worden. En dat is pas het begin.

Coco Schrijber: „Ik was eerst begonnen met schrijven over Cato die al op dat eiland zat, klagend en drinkend, maar ik dacht: over zo’n onsympathiek personage wil niemand lezen. Dus ik gaf haar het sprankelendste leven, geweldige carrièrevooruitzichten, de leukste kindjes. Ik wist: daarmee ga ik de lezer kapot krijgen. De ijskast valt al vroeg in het boek, ja, maar dat had ik nodig, daarna kon ik aan de slag. Want het gaat over wat daarna komt: dat er altijd een keuze is.” De roman gaat over hoe Cato haar levenslust hervindt.

Nu leg je je kaarten meteen op tafel, net als in je roman trouwens. Maar vertel eens, waar komt die boodschap vandaan?

„We zijn zo overtuigd dat de vorm die ons leven aanneemt, dat de persoon die je denkt te zijn, dat dat alles vastligt. Je bént filmregisseur, en dan mag je niet op een dag zeggen: ik word autocoureur, of ik ga schilderijen restaureren. Terwijl: dat kun je morgen gaan doen.”

Ja?

„Ja. Je kúnt je leven omgooien, als je er ongelukkig mee bent. Maar dat doen de meeste mensen niet, uit angst, of alleen al omdat ze niet de tijd nemen om erover na te denken. Ja, je moet geld verdienen, de kinderen van school halen, er is nog van alles te zien op je telefoon, dus wanneer heb je dan nog een gaatje om over dat soort vragen na te denken?”

Daartoe dient verveling. Niksen. Een van de favoriete bezigheden van Coco Schrijber (1961), of het nu thuis in Amsterdam is of op een berg op het eiland La Palma, waar ze ook een deel van haar tijd doorbrengt. Voor zich uit staren in een hangmat, niks hoeven, niks moeten. Schrijber is ook gelauwerd documentairemaker – ze kreeg een Gouden Kalf voor haar documentaire Bloody Mondays & Strawberry Pies (2008), die trouwens ook al ging over verveling en de verloren kunst van het nietsdoen – en sinds ruim tien jaar romanschrijver. Ze debuteerde met De luchtvegers (2015), een deels autobiografisch verhaal over de doorwerking van de oorlog, en schreef Ola en de dingen (2018), over een woest pubermeisje met een zoemend hoofd. En vorige zomer verscheen haar derde roman, haar beste, vindt ze zelf. „Dit is het, hier zit ik helemaal in.”

We doen er nog een, uit je boek: je hebt mensen die ergens inrollen en mensen die weloverwogen keuzes maken, met plannen, ambities en drang. Welke ben jij?

„Als mensen aan mij vragen hoe ik de filmmakerij ‘in ben gerold’, kan ik al ziedend worden. Hallo, het is echt heel ingewikkeld om regisseur te worden, daar rol je niet in. Je bent misschien in je baan bij je laminaatbedrijf gerold, maar ik heb nagedacht wat ik het liefst wilde en heel erg mijn best gedaan om daar te komen.”

Ah, dus het is niet zo gegaan dat je op een gegeven moment dacht: wat ben ik met mijn leven aan het doen, ik wil eigenlijk boeken schrijven?

„Nee hoor, films maken was geen vergissing, maar ik heb ook altijd schrijver willen worden. Maar toen ik jong was, schreef ik alleen maar dingen die niet goed waren, oninteressante navelstaarderij, m’n sores waar niemand op zit te wachten. Pas rond mijn vijftigste, toen ik weer een film af had en een tijdje niks hoefde en eens wat schreef, is het gebeurd: ik had mijn toon gevonden.”

Je bent dus iemand die van verveling houdt én een behoorlijk productieve schrijver en filmmaker: sluiten die elkaar niet uit?

„Nou, schrijven is mijn bestaansreden, ik word daar zo gelukkig van, het is een reden om uit bed te springen. Dan gaat alles vanzelf. Niet dat het dan meteen iets goeds wordt – ik heb onlangs in drie maanden een boek geschreven, want ik had een fantastisch idee en ik schoot even helemaal los, maar ik weet niet of het er gaat komen. Het amuseert, maar dat vind ik niet genoeg. Ik wil dat de lezer wordt opgetild of losgerukt, dat er iets wordt aan- of uitgezet. Het moet raken aan een bestaansvraag, voor minder doe ik het niet. Ik hou ook niet van koetjes en kalfjes, als ik vrienden spreek gaat het meteen de diepte in.”

Laten we dan deze eens doen: je hebt mensen die een ongeluk verwerken door erover te praten en mensen die het verlies accepteren als een welgemeend compliment.

„Ik ben denk ik de laatste. Als het over verwerken gaat, heb ik meestal eerst heel lang niet door dat er iets is – maar dat bleek wel het geval, met het gezin waar ik uit kom – en dan ga ik er wel actief mee aan de slag, ja. Maar ik kies toch voor het accepteren als een compliment. Want de ongelukkige dingen die je zijn overkomen, maken je toch ook tot wie je bent. Ze hebben mij groter en mooier en sterker gemaakt. Ik weet wat ik kan, wat ik heb doorstaan en hoe ik daarmee omga. Ik vind mezelf een compliment.”

Schrijbers persoonlijke geschiedenis kwam ook steeds, min of meer onverhoeds, in haar kunst terecht. De documentaire How To Meet a Mermaid (2016) was bedoeld als een ode aan de ongrijpbare zee, maar werd óók een portret van haar broer, die verdween na een duik in zee. In de korte documentaire Een doodgewoon gezin (1996) ging het al over het onuitgesproken oorlogstrauma dat over haar gezin hing. Haar wervelende debuutroman De luchtvegers, over een vreselijke moeder met een vreselijke (oorlogs)geschiedenis, noemt ze „voor 70 procent autobiografisch”.

Die naam Goudschenker in je nieuwe roman, deed me meteen heel Joods aan.

„Ik heb hem bedacht! Er is niemand die zo heet. Maar ja, klinkt hij Joods… De schrijvers die ik heel goed vind en die mij geïnspireerd hebben, daarvan zijn negen van de tien Joods. De Grossmans, Vasili en David. György Konrád. De Roths: Joseph, Philip, Henry. Allemaal gelezen toen ik als twintiger suïcidaal depressief was en het lezen herontdekte. Dat hielp, om in hun boeken te verwijlen in plaats van in de echte duisternis waar ik toen in zat.”

Dus het is geen toeval dat de naam Joods klinkt?

„Dat is puur toeval!”

In je debuut zat een duidelijke link met de Joodse geschiedenis, en ik meende in de boodschap van je nieuwe roman een echo te horen van veel Joden na de Holocaust, die als overlevers de bijna heilige opdracht voelden om toch weer wat van het leven te maken. Is dat toeval?

„Ehm, ik denk dat veel Joodse denkers en schrijvers meer zwaartekracht aan het leven toevoegen, meer de diepgang opzoeken. Hmm. Dat is wel een boude uitspraak. Maar… Ik voel bij hen een diepte, die meer doorleefd is. Ze zijn… Nee, wacht. Er is geen ‘ze’. Het woord ‘Jood’… Niemand weet wat Joods betekent. Nee, het is onzin.”

Het speelt geen rol?

„Ik wil er wel iets over zeggen, maar ik doe het niet. Ik heb er een beetje het gevoel bij als toen ik de documentaire First Kill maakte [over de psychologie van oorlogsvoering, red.], toen men zei: goh, zo’n film van een vrouwelijke filmmaker! Ja, why not? Ik film niet met mijn borsten. Nu denk ik: ik ben gewoon een schrijver, en ja, dan put je uit alles wat je hebt meegemaakt, maar is die naam Joods? Het maakt volgens mij niet uit.”

Je had het net over een zekere zwaarte. Ik vond dat wel passend bij wat Cato op een gegeven moment beoogt, met de levensles die ze in een brief opschrijft: ze wil een smerig sneetje maken in de nietsvermoedende lezer.

„Ha, ja! Heerlijk dat dat zinnetje je opviel. Het gaat me erom de lezer te ontregelen, even omver te gooien. Je zit lekker te lezen, maar… Het gevaar dreigt altijd van alle kanten.”

Gevaar?

„Net als je denkt: ik heb het allemaal mooi voor elkaar, en dat heeft iedereen wel eens in het leven, dan kan er iets gebeuren en in één seconde staat overal een streep door. Er kan op de deur geklopt worden: ‘Raus, mitkommen!’”

Toch.

„Ja, toch. En wie ben je dan? Daar gaat het om. Ben je dan nog die leuke, joviale, betrouwbare persoon? Of ga je een vuile verrader zijn die z’n vrienden erbij lapt? Dat is niet te bevatten, maar dat is wel de mens, en die verdient het om alert gehouden te worden, met een smerig sneetje.”

Nog één citaat uit je boek, Cato’s motto: ‘Niets is beter dan iets, want waar niets is, is ruimte voor alles.’ Denk jij er ook zo over?

„Ja. Waar niets is, is leegte en dus vrijheid. Maar de meesten kunnen dat niet aan, die houden vast aan iets, hoe armzalig dat ook is. Terwijl ik denk: spring gewoon in die vrijheid.”

Is het niet fijner om aan iets vast te houden?

„Het is comfortabeler, maar weet je, dat iets kun je ook verliezen. Kijk naar al die oorlogen, Oekraïne, Gaza, waar mensen alles kwijt zijn. Je wenst dat niemand toe, maar wat je daar ziet is hoe veerkrachtig de mens is. Ook wanneer je helemaal niets meer hebt, kun je toch weer iets nieuws beginnen.”

Literatuur

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next