Als burgers ervaren dat de rekening dichtbij neerdaalt terwijl de besluitvorming verder weg raakt, verdwijnt uiteindelijk niet alleen vertrouwen in Brussel, maar in de democratie als geheel.
Terwijl Brussel droomt van een geopolitieke hoofdrol, betaalt de Nederlandse burger de prijs in de vorm van verschraalde jeugdzorg en een uitgeholde lokale democratie. De fiscale stapeling die Europa optuigt, dreigt de nationale politiek langzaam weg te drukken.
In de wandelgangen van de Europese instellingen circuleren bedragen die elk gevoel voor schaal verliezen. Het Europees Parlement wil voor de volgende meerjarenbegroting richting de 2.200 miljard euro. Dat staat in schril contrast met de financiële werkelijkheid in de lidstaten, waar overheden worstelen met tekorten, vergrijzing en vastlopende publieke voorzieningen. Premier Rob Jetten sprak na de recente EU-top op Cyprus over ‘verhitte discussies’, maar de wezenlijke vraag blijft onbeantwoord: wie beslist in Europa uiteindelijk nog over het geld van de burger?
Over de auteur
Dennis Vink is hoogleraar finance and investment aan Nyenrode Business Universiteit.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Wat op papier een technische begrotingsonderhandeling lijkt, is in werkelijkheid een fundamentele machtsstrijd over de politieke ordening van Europa. We bouwen in hoog tempo aan een parallel financieel systeem waarin nationale en Europese overheden dezelfde ambities financieren via verschillende bestuurslagen. Lidstaten investeren miljarden in defensie en klimaat, terwijl Brussel voor exact diezelfde terreinen nieuwe fondsen en schulden ontwikkelt. Wat ontstaat is geen efficiënte slagkracht, maar bestuurlijke overlap waarin verantwoordelijkheden vervagen en democratische controle versnipperd raakt.
De oorspronkelijke gedachte achter gezamenlijke Europese schulden was begrijpelijk. Het coronaherstelfonds werd verkocht als een uitzonderlijk instrument voor acute crisis. Maar tijdelijke noodmaatregelen hebben in de politiek de neiging permanent te worden. Wat begon als een tijdelijk crisisbeleid, is verworden tot een structureel financieel infuus waarmee Brussel via een miljardenschuld blijvende politieke sturing afdwingt buiten het directe zicht van nationale kiezers.
Precies daar begint het democratische probleem. De kosten van deze Europese expansie worden niet gedragen in de Brusselse vergaderzalen, maar in de haarvaten van de Nederlandse samenleving. Gemeenten waarschuwen al jaren voor het ‘ravijnjaar 2026’. Wachtlijsten in de jeugdzorg lopen op, bibliotheken verdwijnen en voorzieningen in wijken staan onder druk. Tegelijkertijd loopt de Nederlandse afdracht aan Europa verder op. Alleen al rente en aflossing van het coronaherstelfonds kosten Nederland naar verwachting jaarlijks honderden miljoenen euro’s, tot ver in de jaren vijftig.
Publieke middelen kunnen slechts één keer worden uitgegeven. Iedere extra structurele verplichting op Europees niveau verkleint de ruimte voor nationale politieke keuzes. Dat schuurt met het democratische gevoel van burgers die lokaal achteruitgang ervaren, terwijl op Europees niveau steeds grotere ambities worden geformuleerd.
Het probleem is niet samenwerking op zichzelf: die is noodzakelijk in een wereld van geopolitieke concurrentie en economische machtsblokken. Maar samenwerking zonder heldere democratische begrenzing verandert in bestuurlijke vervreemding. In Brussel beslist uiteindelijk iedereen een beetje mee, waardoor niemand nog volledig aanspreekbaar is wanneer beleid mislukt of kosten ontsporen. Nationale regeringen wijzen naar Europa, Europese instellingen wijzen terug. Voor de burger resteert een systeem waarin verantwoordelijkheid diffuus blijft.
Formeel bezit de EU democratische legitimiteit via verkiezingen en verdragen. Maar politieke legitimiteit bestaat uit meer dan procedures alleen. Democratie werkt pas werkelijk wanneer burgers ervaren dat keuzes herkenbaar en corrigeerbaar zijn. Juist daar groeit de spanning. Er bestaat geen gezamenlijk Europees publiek debat. Er is geen Europese verkiezingsavond waarop één duidelijke politieke richting wordt gekozen of afgewezen. Daardoor ontstaat het gevoel dat ingrijpende besluiten plaatsvinden buiten bereik van de kiezer.
Dit gevoel mag niet worden weggezet als simplistisch anti-Europees sentiment. Het raakt aan een wezenlijke vraag: hoeveel politieke macht kan naar een supranationaal niveau verschuiven zonder dat democratische betrokkenheid afbrokkelt? Wie die vraag ontwijkt, onderschat het risico van groeiend wantrouwen richting zowel Den Haag als Brussel.
De Europese Unie staat voor een keuze die fundamenteler is dan een begrotingsdiscussie. Als Brussel grotere ambities wil dragen, hoort daar een directere democratische legitimatie bij. Nationale parlementen moeten vooraf scherpere zeggenschap krijgen over Europese uitgaven en schulden.
Het alternatief is eerlijker, maar ook ongemakkelijker: erkennen dat niet iedere Europese ambitie tegelijk uitvoerbaar is. Europa kan niet onbeperkt nieuwe fondsen, defensieplannen, klimaatprogramma’s en industriële subsidies stapelen zonder dat nationale verzorgingsstaten onder druk komen te staan. Politiek is uiteindelijk kiezen, ook op continentaal niveau.
De Brusselse miljardendans is daarmee een stresstest voor de democratische geloofwaardigheid van Europa zelf. Als burgers ervaren dat de rekening dichtbij neerdaalt terwijl de besluitvorming verder weg raakt, verdwijnt uiteindelijk niet alleen vertrouwen in Brussel, maar in de democratie als geheel.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant