Home

‘In mijn ogen kan ieder ander een heilige zijn’

Ook al vergaat de wereld, dan nog is het zaak een zaadje te planten – Fouzia Outmany heeft die levenswijsheid omarmd. Ze zet zich in om ‘de overheidsmacht te neutraliseren’ ten gunste van burgers die in de verdrukking zijn gekomen.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

Al heeft ze haar grootvader nooit gekend, toch heeft hij een belangrijk stempel op haar leven gedrukt. ‘Voor de verhalen die mijn moeder aan de keukentafel over hem vertelde, was ik erg ontvankelijk. Hij was een soefimeester en islamitische schriftgeleerde, die zijn huis openstelde voor iedereen, voor de hongerigen, voor de verdwaalden, voor de kenniszoekers. Bij mijn moeders verhalen deed ik mijn ogen dicht en probeerde ik me voor te stellen hoe die open deur van zijn huis werkte en vooral hoe hij de rol van raadgevende, wijze man van de streek vervulde.’

De 45-jarige Fouzia Outmany raakt zichtbaar ontroerd wanneer haar grootvader ter sprake komt. Niet dat zij in zijn voetsporen wil treden, haast ze zich te zeggen: ‘Ik kan niet op hem lijken, daarvoor was hij te uitzonderlijk, maar ik voel me wel door hem gedragen. Zijn betrokkenheid bij de wereld, zijn leven voor anderen en niet voor zichzelf, dat zijn waarden die me inspireren en van waaruit ik mijn eigen leven wil leiden.’

De verhalen over haar opa hoort ze in Marokko, waar ze de eerste dertien jaar van haar leven doorbrengt. Ze is de derde van zes kinderen in een ‘hecht gezin’, waarin een hoofdrol is weggelegd voor de islam en het soefisme, een mystieke stroming binnen de islam. ‘Voor het slapengaan zeiden we bepaalde soefi-mantra’s op die bedoeld waren voor zelfzuivering en voor je hart. Ik ben opgegroeid met alles wat Marokko aan cultuur te bieden heeft, dat heeft me tot een trotse moslim gemaakt. De Arabische taal heeft me toegang gegeven tot kennis uit verschillende bronnen, waarbij vooral de literatuur en de poëzie belangrijk voor mij waren.’

In Nederland belandt het gezin Outmany in Den Haag. Haar vader klimt op tot de rechterhand van de eigenaar van een bloemenkwekerij in het Westland. Fouzia zelf maakt ook grote vorderingen: bij aankomst spreekt ze nog geen woord Nederlands, vijf jaar later behaalt ze haar vwo-diploma: ‘Het was hard werken, maar dat ging me goed af.’ Kort na aanvang van haar studie sociologie aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit vindt ‘11 september’ plaats. Als moslima met een hoofddoek krijgt ze te maken met een ‘collectief oordeel’ van haar medestudenten, docenten en hoogleraren. ‘Ik moest me verantwoorden, ik werd aangesproken op het gedrag van de daders, van gekken in mijn ogen. Terwijl: ik ga jou toch ook niet ter verantwoording roepen voor het feit dat Hitler zes miljoen Joden heeft vermoord? In die jaren had ik voortdurend het idee dat mijn bestaansrecht hier in twijfel werd getrokken.’

Een kwart eeuw later is ze adviseur bij de Inspectie belastingen, toeslagen en douane, waar ze ‘het perspectief van burgers’ bij met name de Belastingdienst onder de aandacht brengt – de inspectie, ruim dertig man sterk, is ontstaan in reactie op de toeslagenaffaire. Met haar collega’s boekt ze resultaten, vertelt ze, maar ze hoopt op meer. ‘We slagen erin meer welwillendheid bij instanties op te wekken, maar structurele veranderingen zijn nog lastig.’

Welke rol speelde religie in uw jeugd?

‘In Marokko was het voor mij vanzelfsprekend, maar in mijn puberteit heb ik enkele jaren gehad dat ik niets van de islam wilde weten. Op een gegeven moment zei ik tegen mijn broer: ‘Ik wil het hogere ervaren, ik wil God voelen.’ Daar kan ik argumenten bij bedenken, maar het was vooral een innerlijk verlangen. Mijn broer vertelde me over een imam die werkte vanuit een in een garage gevestigde moskee en die bijzonder verwelkomend was. Die imam is een leermeester voor me geworden. ‘Niemand heeft een monopolie op God, God is van iedereen’, zei hij tegen me. En ook: ‘Verwacht niet dat je ruimte voor je godsdienst cadeau krijgt, die moet je zelf claimen.’ Dat sprak me enorm aan.

‘Vanaf die tijd ben ik me steeds meer gaan bemoeien met allerlei zaken – op school met de leerlingenraad en de schoolkrant, maar daarnaast was ik ook maatschappelijk betrokken. Ik las veel over het koloniale verleden, over ongelijkheid en machtsverhoudingen en ging naar alle demonstraties tegen sociaal onrecht en schendingen van mensenrechten. Dat doe ik nog altijd.’

Hoe reageerde uw omgeving op uw besluit op uw 17de om een hoofddoek te dragen?

‘Een reactie die me nog altijd bijstaat, kwam van een van mijn favoriete docenten op de middelbare school met wie ik veel optrok. Hij keek me even aan en noemde me toen doekje. Ik werd op dat moment door hem gereduceerd tot mijn hoofddoek. Vermoedelijk kwam dat doordat hij was geschokt, ik kan dat nu wel zien en hem vergeven, maar zijn reactie schokte mij destijds. Hij zag me plots niet meer als mens. Dat is exemplarisch gebleken voor al mijn latere ervaringen.’

Hoe bedoelt u?

‘Zeker na ‘11 september’ werd ik aan de universiteit voortdurend gezien als vertegenwoordiger van een groep. Van moslims werd ook voortdurend gevraagd afstand te nemen van die gebeurtenis – de Amerikaanse benadering ‘als je niet voor ons bent, ben je tegen ons’ werd in Nederland overgenomen, ook in de collegebanken. Als moslims voelden we ons collectief voortdurend voor het blok gezet en in een hoek gedreven.

‘Een vooraanstaande hoogleraar sprak op een conferentie zijn verontwaardiging uit over het feit dat hij ‘ineens colleges moest geven aan hoofddoekjes’. Daarmee doelde hij op mij en twee vriendinnen. Extra schrijnend was dat niemand uit de zaal hem corrigeerde. Er was absoluut geen ruimte voor een open debat, waarbij je verschillende bronnen naast elkaar legt en een poging doet te analyseren wat er eigenlijk aan de hand is.’

Welke impact had dat op uw studietijd?

‘Ik heb die als een lijdensweg ervaren. Vier jaar lang heb ik me niet als mens gezien gevoeld. Gelukkig had ik die twee vriendinnen, met zijn drieën waren we voortdurend in een vechtmodus, maar vonden we ook troost en steun bij elkaar. Voor mijn masterscriptie kon ik naar een Engelse universiteit, waardoor ik Nederland kon ontvluchten. Dat was echt nodig.

‘Bij terugkeer had ik het grote geluk dat ik terechtkwam bij Willem Schinkel (socioloog aan de Erasmus Universiteit, red.). Hij was de eerste op de universiteit, en dit zeg ik met een brok in mijn keel, die me als mens benaderde. Hij wilde weten wat mij bezighield en kon me geruststellen, dat was transformerend. Ik heb het geluk gehad dat ik in mijn leven geregeld mensen ben tegengekomen die me onbevooroordeeld tegemoet durfden te treden en mij kansen boden.’

Hoe zou u uw ideaal omschrijven?

‘Vanuit mijn geloof draait het in het leven om dienstbaar zijn aan anderen. Dat probeer ik vanuit een nederige positie, in mijn ogen kan ieder ander een heilige zijn. Die dienstbaarheid gaat op onder alle omstandigheden, wat er ook in de wereld gebeurt. Een mooie metafoor daarvoor vind ik dat je een zaadje plant, ook wanneer de wereld op het punt staat te vergaan. Dus ook als je weet dat niemand ervan gaat profiteren, toch geef je jezelf ten volle voor het goede.’

Kunt u dat op uw werk toespitsen?

‘Voor mijn werk ben ik in contact met burgers die te maken krijgen met de macht van de overheid. Die machtsverhouding is per definitie ongelijk, in de toeslagenaffaire hebben we gezien hoe verwoestend overheidsmacht kan zijn. Burgers zijn voor de wet gelijk, maar in de praktijk bestaan enorme verschillen. Er is een zelfredzame groep die zich met adviseurs omringt om trucjes met de belastingen uit te halen. En je hebt alleenstaande vrouwen met een buitenlandse achternaam die in een arme wijk wonen en die, zo heeft de toeslagenaffaire geleerd, keihard kunnen worden geraakt.

‘Waar het mij om gaat is een bescheiden bijdrage te leveren aan het neutraliseren van overheidsmacht. Ik wil problemen van burgers helpen oplossen door hun verhalen op te tekenen en aan te dragen bij de verantwoordelijken. Dat moet leiden tot meer begrip bij hen en hopelijk tot een minder wantrouwende grondhouding tegenover burgers. Onze organisatie kan geen boetes opleggen, we moeten het hebben van gesprekken, van andere perspectieven tonen. Dat zie ik als die zaadjes. Die plant ik en hopelijk kunnen die voor burgers een boom betekenen.’

Kunt u een concreet voorbeeld geven?

‘In Rotterdam kreeg een groep mensen uit de sociale werkvoorziening jarenlang door de gemeente structureel te weinig betaald – denk aan mensen die bij de plantsoenendienst werken. Toen de gemeente dat corrigeerde, liepen zij het risico dat de Belastingdienst duizenden euro’s per persoon aan toeslagen zou terugvorderen, waardoor deze groep enorm in de knel dreigde te komen. Gelukkig sprong onze inspecteur-generaal, Bart Snels, voor hen in de bres. Samen met de lokale ombudsman wist hij een regeling met de Belastingdienst te treffen.

‘Aan het slot van dit traject was ik bij een bijeenkomst met gedupeerden. Naast me zat een Surinaamse vrouw die ooit met grote dromen naar Nederland was gekomen. Ze vertelde dat ze rouwde vanwege het onrecht dat haar was aangedaan. ‘Ik ben vanuit een arm land naar een rijk land gekomen om te ontdekken dat ik in een rijk land arm zal sterven’, zei ze. Tijdens die bijeenkomst ging een schaal met cake rond. Ze vroeg of ze wat overbleef mocht meenemen, ze moest soms haar eten uit de vuilnisbak halen. En dat na een leven van hard werken. Ze was naar de bijeenkomst gekomen voor mensen na haar, vertelde ze, die moesten niet eenzelfde soort onrecht ervaren. Dat maakte grote indruk op me. Zo plantte ook zij haar zaadje.’

Heeft u de indruk dat de overheid in staat is te leren?

‘Ik ben blij met de kleine stappen die we zetten, zoals in Rotterdam. Zo zijn er meer voorbeelden van luisteren naar het burgerperspectief door overheidsinstanties. Maar ik zou willen dat die dat vanuit zichzelf doen, dat onze inspectie eigenlijk overbodig is. Hopelijk komt het ooit zover. Ik zie veel welwillendheid op allerlei niveaus, maar ben ook realistisch – de toeslagenaffaire was geen incident, er zit een wantrouwende houding van de overheid tegenover de burger achter. Die zie ik nog steeds terug in allerlei complexe regels waarmee de burger te maken krijgt.’

‘Ik zou willen dat de overheid erin slaagt meer vanuit vertrouwen te denken, maar die structurele verandering is lastig. Dat begint bij luisteren naar burgers. Wanneer ik dat voor mijn werk doe, kom ik vooral mensen tegen die aan hun verplichtingen willen voldoen, maar te maken krijgen met intimiderende fiscale taal en met zulke complexe regels dat een foutje snel is gemaakt. Daarvoor kun je in dit systeem keihard worden afgestraft, al kom je jarenlang keurig je verplichtingen na. Burgers zouden het liefst direct willen sparren met de overheid – niet via een digitaal loket, maar in een gesprek bij een balie.’

Wat geeft u hoop?

‘De welwillendheid die ik bij de overheid op microniveau tegenkom; mijn collega’s die zich keihard inzetten en uitspreken; en vooral het vermogen van burgers zichzelf te organiseren. Ik put hoop uit mensen die bereid zijn met anderen hun kennis en privileges te delen, omdat ze zeggen: dit moet niet alleen voor mij zijn, maar voor iedereen. Uiteindelijk moeten we het samen doen.’

Het Ideaal In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.

Boektip: Talking Back: Thinking Feminist, Thinking Black van bell hooks.

‘De keuze voor kleine letters in haar naam is bewust: een uiting van nederigheid en een uitnodiging om de aandacht te richten op de inhoud, niet op de persoon. Wat mij ten diepste aanspreekt, is haar levenshouding. Voor haar als zwarte denker en schrijver is verzet een daad van liefde.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next