Van Biënnale tot Songfestival is de kunstwereld in de greep van culturele boycots. In navolging van de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika, klinkt nu de roep om Israël en Rusland te weren. Wat zijn daarvan de kansen en gevaren?
is kunstverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over kunstpolitiek, subsidiebeleid en wat zich afspeelt op het snijvlak van kunst en samenleving.
Topdirigent Zubin Mehta gold lang als een held in Israël. Hij voerde vanaf de jaren zestig decennialang het Israëlisch Philharmonisch Orkest aan, soms ook onder onwerkelijke omstandigheden. Beroemd zijn de beelden van een concert tijdens de Golfoorlog van 1991, toen de orkestmusici niet de schuilkelders in gingen, maar onder zijn leiding getooid met gasmaskers het podium betraden uit voorzorg tegen Iraakse raketaanvallen met chemische wapens.
Maar vier maanden geleden ging de 90-jarige musicus om. ‘Ik heb al mijn afspraken in Israël dit jaar afgezegd’, zei hij in januari tegen India Today, een tv-zender uit zijn geboorteland. ‘Uit protest tegen de manier waarop premier Netanyahu de kwestie met de Palestijnen behandelt. Ik hoop dat hij de volgende verkiezingen verliest.’
De televisie-interviewer vroeg zich daarop af of de dirigent, die ook chef is geweest van het New York Philharmonisch Orkest, vond dat ‘kunstenaars van wereldfaam’ zich vaker over ‘controversiële onderwerpen’ moeten uitspreken. Mehta antwoordde: ‘Ja, dat moeten we. Velen doen het ook. Anderen kijken weg. Met hen ben ik het niet eens.’
Het is een teken des tijds, waarin de kunstwereld met de dag meer in de greep raakt van kleur bekennen. Hoe hoog dat oploopt, blijkt uit de roep om boycots die twee internationale evenementen dezer dagen in hun voegen doen kraken: de Biënnale van Venetië, de tweejaarlijkse beeldende kunsttentoonstelling die zaterdag opengaat, en het Eurovisiesongfestival, de jaarlijkse liedjescompetitie waarvan dinsdag in Wenen de eerste halve finale is.
Het draait daar enerzijds om het buitensluiten van Israël, vanwege de genocide in Gaza en de voortdurende onderdrukking van de Palestijnen. Op beide prestigieuze podia zijn de Israëlische inzendingen nog steeds welkom, ondanks protesten en boycots van andere deelnemers.
Aan de andere kant draait het om het buitensluiten van Rusland, vanwege de oorlog die Moskou in 2022 tegen Oekraïne is begonnen en het brute regime van Poetin. Het Songfestival weert daarom voor het vijfde jaar op rij een inzending uit Moskou, en in Venetië mag Rusland zijn paviljoen dan wel inrichten, maar na politieke druk uit Brussel en Rome blijft het voor publiek gesloten.
Niet voor het eerst vormen kunst en cultuur een arena voor wereldpolitiek. De culturele boycot is een internationaal actiewapen dat is uitgevonden en jarenlang beproefd in de strijd tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika, het racistische witte bewind dat in 1990 ten einde kwam. Niet enkel als gevolg van de boycot: de grote historische omwentelingen rond het einde van de Koude Oorlog speelden een beslissende rol.
Maar laat de Zuid-Afrikaanse aanpak zich wel zo makkelijk kopiëren? Wat is het doel van een culturele boycot, en wanneer heeft die succes? Zijn er uit de anti-apartheidsstrijd lessen te trekken over de kansen en de gevaren?
‘Oproepen tot een culturele boycot is een van de weinige vreedzame middelen waarmee onderdrukten hun lot in de wereld onder de aandacht kunnen brengen en ook hun onderdrukkers kunnen dwarszitten’, zegt de Zuid-Afrikaanse onderzoeker Jane Duncan, die eind jaren tachtig bij een kunstcentrum in Soweto werkte, een zwart township bij Johannesburg. Ze volgde daar het debat over de toepassing van de culturele boycot en publiceerde daar later over. Nu is ze als hoogleraar verbonden aan de faculteit sociale en politieke wetenschappen van de Universiteit van Glasgow.
‘Natuurlijk zijn er verschillen in de strijd van zwarte Zuid-Afrikanen, Palestijnen en Oekraïners. Maar de overeenkomsten zijn belangrijker: in alle gevallen wordt hun eigen identiteit ontkend en worden ze in hun voortbestaan bedreigd. Een culturele boycot is dan een krachtig wapen.’
Voor filosofie achter artistieke geopolitiek kun je nog altijd teruggrijpen naar de brontekst Op naar een culturele boycot van Zuid-Afrika uit 1956. De rassenscheiding was er sinds 1948 bij wet geregeld en de bekende naoorlogse Engelse bigbandleider Ted Heath had daarom geweigerd te komen optreden. Het zette de jonge activist Ahmed Kathrada aan het denken, die later tientallen jaren in de cel zou zitten, net als zijn strijdmakker uit de bevrijdingsbeweging ANC én eerste zwarte president Nelson Mandela.
‘De racisten in Zuid-Afrika ontlenen hun kracht en moed aan de nabijheid van de buitenwereld’, schreef Kathrada. ‘Om precies te zijn, ontlenen ze het aan de bijna stilzwijgende instemming en erkenning die ze met name van westerse landen krijgen door culturele en sportieve ontmoetingen, en economische en militaire samenwerking. Ik ben ervan overtuigd dat racistische Zuid-Afrikanen moeten voelen dat ze meer en meer alleen staan in de wereld met hun geloof in raciale superioriteit. Ze moeten zich afgesloten voelen van de beschaafde wereld van cultuur, sport, enzovoorts.’
Het doorsnijden van de culturele banden betekende enerzijds dat Zuid-Afrikaanse kunstenaars geen podium meer moesten krijgen over de grens, en anderzijds dat buitenlandse artiesten niet meer in Zuid-Afrika zouden optreden. Tegen sterren als Queen en Elton, die optraden in het vakantieresort Sun City, is fel campagne gevoerd. De Verenigde Naties gaven na verloop van tijd steun aan de boycot en hielden vanaf 1980 zelfs een zwarte lijst bij van overtreders.
In het leven van weinig kunstenaars zijn de vragen over boycots zo verknoopt als in de carrière van Marlene Dumas. Ze is geboren en opgegroeid in Zuid-Afrika, voor ze in 1976 uitweek naar Nederland en vanuit Amsterdam wereldwijd naam maakte met haar emotioneel indringende schilderijen. Na rijp beraad heeft de 72-jarige kunstenaar zich in oktober aangesloten bij de culturele boycot tegen Israël uit de Nederlandse en Belgische culturele sector.
‘Het is mijn kruis en mijn plicht nooit te vergeten wat in Zuid-Afrika is gebeurd’, mailt ze, omdat ze haar gedachten liever op schrift dan in een gesprek deelt. ‘Zoveel vrijheidsstrijders werden opgepakt, gemarteld en gedood in mijn naam. Omdat ik wit was. Ik stond daar niet achter, maar moest er wel mee leven. Op de progressieve universiteit van Kaapstad, waar mijn kunstopleiding onderdeel van was, spraken we over politiek. Ik vond het jammer dat we uitgesloten waren van liveoptredens van de belangrijkste popmuzikanten van die tijd, maar begreep het belang van een culturele boycot helemaal.’
Lang zag Dumas vooral de verschillen tussen Zuid-Afrika en Israël. ‘Het inzicht dat Israël zich tot een apartheidsstaat heeft ontwikkeld, kwam niet van de ene op de andere dag, terwijl geestelijk leiders als aartsbisschop Desmond Tutu de essentie meteen begreep door zijn eigen ervaringen in Zuid-Afrika. Het waren vooral de Joods-Israëlische schrijvers die zich al lang zorgen maken over de onverzoenlijke en gewelddadige koers van Israël, die me overtuigden. Ik wil benadrukken dat ik een culturele boycot steun die op vertegenwoordigers van de Israëlische staat is gericht, niet op Joden.’
Het debat over de zin van culturele boycots valt altijd uiteen in twee grote vragen. De eerste is: heeft politiek wel plaats in de wereld van kunst en cultuur? Musea, theaters, filmhuizen en concertzalen zijn plekken waar mensen van alle landen en afkomsten elkaar toch juist veilig kunnen ontmoeten en hun ideeën, gedachten, emoties en verlangens uitwisselen. Moet je daar wel iemand van uitsluiten?
Het tweede dilemma dient zich aan als je op het eerste ja zegt. Namelijk: wie vallen er onder de boycot? Zijn dat alle kunstenaars en culturele instellingen? Alleen wie nadrukkelijk aan de staat is verbonden? Of ook zij die zich niet duidelijk uitspreken tegen het regime?
De kwestie-Zubin Mehta illustreert de dilemma’s in een notendop. ‘Culturele boycots van Israël zijn, vrijwel zonder uitzondering, schadelijk’, schreef de Israëlisch-Australische violist Noam Yaffe, die onder Mehta heeft gespeeld, in een blog bij The Times of Israel.
Zijn redenering illustreert de argumenten van tegenstanders van een boycot. De afzegging van de maestro is volgens Yaffe ‘contraproductief’, omdat die het publiek van het symfonieorkest ‘straft’, terwijl zij tot de laatste liberalen van Israël zouden behoren. ‘Intussen geeft hij extreemrechtse commentatoren nieuwe munitie om te benadrukken dat de wereld tegen Israël is, zoals ze dat zo graag doen. Hoe groter het culturele isolement, hoe meer afwerend mensen zich tegen de buitenwereld opstellen.’
Bij de culturele boycot tegen Israël hebben zich sinds oktober ruim 750 Nederlandse en Belgische culturele instellingen en bijna 2.300 kunstenaars, uitgevers, decorbouwers, curatoren en anderen uit de sector aangesloten. De boycottekst is geïnspireerd op het werk van Palestijnse activisten uit de geweldloze BDS-beweging (BDS: Boycot, Desinvestering en Sancties), die al sinds 2004 ijvert voor een economische, culturele en academische boycot van Israël, zegt Sruti Bala, universitair hoofddocent theaterwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en vorig jaar een van de drie initiatiefnemers.
‘De lijst van ondertekenaars groeit sinds een paar maanden nog maar langzaam’, zegt ze. ‘Ik ben daarbij wel teleurgesteld over de grote culturele instellingen. Vooral omdat het met het boycotten van Rusland in 2022 snel ging.’
Zo verbrak het Rotterdams Philharmonisch Orkest de banden met dirigent Valeri Gergjev, en veranderde de Hermitage in Amsterdam in Hart Museum, omdat de samenwerking met het moederinstituut in Sint-Petersburg stopte. Het was onderdeel van een grote beweging waarin ook de Europese Unie politieke en economische sancties tegen Moskou afkondigde. ‘De bereidwilligheid om Rusland aan te pakken was zo groot dat er zelfs gediscussieerd werd of je nog wel Rachmaninov kon spelen of Tolstoj kon lezen. Het leek te gaan om een volledige boycot van alles wat Russisch was.’
De culturele boycot van Israël richt zich nadrukkelijk op kunstinstellingen die aan de overheid zijn verbonden en kunstenaars die subsidie van de staat krijgen en hun werk een rol laten spelen in de culturele diplomatie om het ‘merk Israël’ op te poetsen. Wie een samenwerking wil aangaan, moet dus onderzoek doen. Als ze zich uitspreken tegen ‘genocide’, ‘apartheid’, ‘bezetting’ en ‘de door de VN vastgestelde rechten van het Palestijnse volk’ onderschrijven, zijn ze gevrijwaard van de boycot.
‘We willen medeplichtigen aan het systeem dat de Palestijnen onderdrukt uitsluiten’, zegt Bala. ‘Daarbij staat voorop dat het geen boycot is van individuen om wie ze zijn. De boycot is een tactiek in de strijd voor de bevrijding van Palestina, geen doel op zich om morele zuiverheid te toetsen.’
De campagne heeft daarmee duidelijk lessen geleerd van de Zuid-Afrikaanse anti-apartheidsstrijd, zegt onderzoeker Jane Duncan. Tot diep in de jaren tachtig was de boycot toen gericht op alle kunst en cultuur uit Zuid-Afrika. ‘Zwarte kunstenaars kregen toen eigenlijk twee keer het zwijgen opgelegd: door het regime én door de boycotactivisten.’
Dit kwam naar voren in de beroemde controverse over de lp Graceland (1986) van zanger Paul Simon. Hij had daarop samengewerkt met een reeks aan zwarte zangers en muzikanten en zo de groep Ladysmith Black Mambazo aan de wereld voorgesteld. Strikt genomen moest die plaat worden geboycot. Maar velen ontging de logica daarvan: de succesplaat hielp ook de misstanden in Zuid-Afrika onder de aandacht te brengen.
Het antwoord van de anti-apartheidsbeweging was om over te stappen op een ‘selectieve boycot’, zegt Duncan. Niet alle artiesten vielen meer onder de boycot, zodat ook makkelijker een beter beeld van het zwarte Zuid-Afrika naar buiten zou komen. Maar dat leidde tot nieuwe problemen: wie mocht dan bepalen welke artiesten wel en niet mochten reizen? Het creëerde ‘sektarisch denken’ in de zwarte bevrijdingsbeweging, zegt Duncan. Het ANC trachtte de verschillende groepen te overvleugelen en stond liefst kunstenaars uit eigen kring toe om in het buitenland op te treden.
De Palestijnse boycotbeweging mag dan duidelijker richtlijnen hebben geformuleerd, de campagne is niet vrij van discussie over wie er wel en niet onder het culturele embargo vallen. De Amsterdamse popzaal Paradiso, die zich heeft aangesloten bij de boycot, ontdekte dat toen laatst de band Sababa 5 er optrad, gevormd door vier in Israël geboren muzikanten die in Parijs wonen.
Sababa 5 speelt zonnige instrumentale Midden-Oosterse grooves, maar maakt voor zover bekend geen deel uit van de propaganda van Israël. Wel riepen allerlei Palestina-activisten op sociale media Nederlandse en Belgische zalen op om hen te weren, onder meer omdat de band het woord genocide nog niet had gebruikt, in 2024 nog in Israël had opgetreden en zich schuldig maakte aan culturele toe-eigening door Arabische melodieën te spelen.
Het dreef de muzikanten op Instagram tot een wanhopig-boze reactie aan Belgische activisten, die laat zien hoe bitter de boycotstrijd ook kan uitpakken. ‘Om ons anders af te schilderen dan we zijn, is haatdragend. Jullie vallen ons ongefundeerd aan. Ook al zijn we het misschien niet over ieder woord eens, wij geloven in gerechtigheid, vrede en de oprichting van een Palestijnse staat.
‘We zijn niet minder pro-Palestina dan iedereen in België die pleit voor gerechtigheid. Waarschijnlijk hebben we meer demonstraties tegen deze Israëlische regering bijgewoond dan de meeste mensen in België. We hebben tenslotte om deze redenen besloten niet meer in Israël te wonen.’
De organisaties achter de Biënnale van Venetië en het Eurovisiesongfestival proberen uit alle macht hun evenementen als ‘politiek neutraal terrein’ te beschouwen. Directeur Pietrangelo Buttafuoco ziet zijn biënnale het liefst als een ‘Verenigde Naties van de kunst’. Maar die opvatting is van twee kanten onder vuur genomen.
Tegen de Israëlische deelname spraken zich 236 aan de Biënnale verbonden kunstenaars en curatoren uit, verenigd in de Kunst Geen Genocide Alliantie. Tegen de Russische deelname kwam de Europese Commissie in opstand. ‘Terwijl Rusland musea bombardeert, kerken verwoest en de Oekraïense cultuur probeert weg te vagen, zou het niet zijn eigen cultuur mogen tentoonstellen’, zei EU-buitenlandchef Kaja Kallas twee weken geleden.
De vijf leden van de vakjury van de Biënnale traden tenslotte terug, nadat ze hadden verklaard dat landen waarvan de leiders door het Internationaal Strafhof worden gezocht wegens oorlogsmisdaden niet voor de Gouden Leeuw in aanmerking zouden komen. Lees: Israël en Rusland. Nu heeft de directie besloten dat het publiek aan het eind van de Biënnale, in november, de winnaar aanwijst.
De vraag is of deelnemende landen de Biënnale en het Songfestival als net zo neutraal zien als de organisaties erachter. De Israëlische overheid voerde in 2025 een ongewone campagne om zijn kandidaat de publieksstemming van het Songfestival te laten winnen. Dat lukte, al ging de eindoverwinning naar Oostenrijk dankzij de punten van de vakjury.
Het leidde tot een felle discussie over de deelname van Israël, waarin landen over en weer dreigden op te stappen. De tegenstanders bleven in de minderheid en vijf van hen, waaronder de Nederlandse organiserende omroep Avrotros, besloten daarop het liedjesfestival te boycotten. De Israëlische kandidaat Noam Bettan zei ernaar uit te zien straks ‘de leeuwenkuil te betreden’.
‘Ik herken in argumenten tegen een boycot uitspraken als ‘maar kunst verbindt toch?!’’, schrijft Marlene Dumas. ‘Ja, ons met ons, in dit geval. De Palestijnen zijn sowieso uitgesloten van deze feestelijkheden. Zelfs voor gesprekken over hun bestaansrecht en vrede worden ze niet uitgenodigd. Hun universiteiten en culturele instellingen, ziekenhuizen, scholen, alles wordt gebombardeerd. Journalisten doelgericht vermoord. Zij zijn massaal gedood en uitgehongerd, terwijl het Songfestival vrolijk stemmen aan het verzamelen is.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant