Home

Alex van Warmerdam: ‘Ik doe heus wel mijn best om aan mijzelf te ontsnappen’

Er zijn bijna geen kunstvormen waar filmmaker Alex van Warmerdam zich niet van bedient. Zijn laatste werk, een korte verhalenbundel, past weer helemaal in zijn bevreemdende universum. ‘Ik probeer wel atypisch Alex te zijn, maar kennelijk trapt niemand erin.’

is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews.

Het is kinderlijk eenvoudig om Alex van Warmerdam te duiden. Waar het allemaal begon, de lokroep van de kunst, de eerste kennismaking met de kracht van verbeelding: in zijn jongenskamer in Haarlem zat, zoals hij zelf ooit vertelde, een klein gaatje in de muur dat rechtstreeks uitzicht bood op het podium van het plaatselijke concertgebouw.

‘Maar dat is dus helemaal niet wáár,’ zegt hij, als het gaatje ter sprake komt.

Hè?

‘Dat heb ik gewoon verzónnen, ooit, tijdens een spreekbeurt op school. We waren net naar Den Bosch verhuisd en ik moest iets over mezelf vertellen. Toen iedereen erin trapte, raakte ik in de war. Ik voelde me een zondaar, want ik ben katholiek opgevoed.’

Maar je vertelde dit in de toespraak die je hield toen je in 2010 de Johannes Vermeerprijs kreeg. Het komt ook in een oud interview terug, als een feit.

Van Warmerdam houdt zijn hoofd scheef, peinst even. ‘Ik moet bekennen dat ik nu twijfel. Of het toch zo was. Maar dat komt door de tijd. We woonden boven het concertgebouw, dat is waar. Mijn vader was toneelmeester in de schouwburg. Ik heb een herinnering aan een bepaald behang, een beeld van peuteren aan iets. Maar toch... nee, ik denk dat het niet waar is.’

En daar blijft de kwestie liggen, onopgelost. ‘Wat wel gebeurd is,’ gaat hij monter verder, ‘is dat ik als 9-jarige een figurant ben geweest. Als de troonpretendent, in een stuk met Caro van Eyck en Pim Dikkers, toen gevierde acteurs. Dat had mijn vader geregeld. Dan ging ik thuis gewoon naar bed, werd ik wakker gemaakt en in een taxi naar de schouwburg gebracht. Daar kreeg ik een blauwfluwelen pakje aan en van die Drie musketiers-laarzen, en werd ik door een man met een speer het toneel op geleid – het decor was een kerker – waar Caro van Eyck mij eigenlijk uit begon te schelden, maar dan in mooie taal. ‘Hij heeft geen rrrrrecht op de trrrroon!’ Ik stond daar dan tot die man me weer naar de coulissen leidde. Dan ging ik terug in de taxi, en weer naar bed.’

Dus toch! De eerste kiem, de lokroep...

‘Nee, nee, nee! Zo was het helemaal niet. Die zaal was gewoon vertrouwd terrein, want ik speelde er vaak als mijn vader aan het werk was. Ik vond dat figureren wel geinig, verdiende er ook een zakcentje mee. Maar er is toen geen ambitie ontstaan, of zo. Tekenen en schilderen, dat was het voor mij. Ik wist al op mijn achtste dat ik naar de kunstacademie wilde. Al het andere – theater, films, acteren, schrijven – is min of meer vanzelf gebeurd. Echt: toeval.’

Misschien is het toch niet zo eenvoudig om Alex van Warmerdam te duiden. Al was het maar omdat hij er zelf niet aan mee wil werken. ‘Als dat is wat je zoekt, ben ik bang dat ik je moet teleurstellen. Het psychologiseren; dat iemand iets heeft meegemaakt in zijn jeugd en daardoor later alleen maar met een half potloodje schrijft of weet ik het... Ik ben daar niet goed in. Het interesseert me ook niet zo.’

Het is een stralende maandagochtend en in zijn sfeervolle huis in Amsterdam-West heerst een gezellige drukte. In de keuken krijgt zijn vrouw, actrice Annet Malherbe, een pruik aangemeten voor een nieuwe rol. Even later valt zoon Houk binnen (‘Ik ben de zoon’) met vrouw, dochter en een vriendinnetje. De meisjes nestelen zich met stiften en papier aan de grote tafel waar we praten. Van Warmerdam verstaat de kunst om ze net voldoende aandacht te geven zonder zijn draad kwijt te raken. Meestal dan, want hij stelt veel wedervragen en slaat graag zijpaden in. Zodra hij zichzelf iets stelligs hoort beweren, volgt er doorgaans snel een ‘hoewel’.

Aanleiding voor het gesprek is de korte verhalenbundel Geen zorgen, ik hou van je. Van Warmerdam publiceerde al eens een roman, De hand van een vreemde, en twee dichtbundels, maar het is voor het eerst dat hij dit genre beoefent. Toch is vanaf de eerste pagina duidelijk dat het boek thuishoort in het bevreemdende universum waar de alleskunner al meer dan een halve eeuw aan bouwt, als regisseur, scriptschrijver én acteur in bekroonde films als Abel, De Noorderlingen en Borgman, in muziektheatervoorstellingen van Hauser Orkater en De Mexicaanse Hond, in schilderijen en installaties. Ook deze verhalen staan bol van surrealistische gebeurtenissen, met de nodige gruwelen en tal van vragen die worden opgeroepen en niet beantwoord. Dit alles in zorgvuldig uitgebeende taal, zonder plaatsbepalingen of woorden die de verhalen naar het heden trekken.

Ik bespeur een voorliefde voor lang vergeten woorden. Plunjezak, droogmolen, ei-shampoo.

‘Vind je dat ouderwets? Ei-shampoo? Ik ben me er wel van bewust dat het een ijzersterk woord is. Ei... sham... poo: ja, dat klinkt! Ik vrees dat het door de leeftijd komt. Ik krijg ook last van ergernissen. Dat het woord ‘plaats’ steeds vaker wordt ingeruild voor ‘plek’. Vind ik spuuglelijk. Of ‘richting’ in plaats van ‘naar’. Iedereen loopt tegenwoordig ‘richting de deur’. Ik zie dan iemand lopen die niet goed weet waar de deur is. Ja, zo kan ik nog wel even doorgaan. Maar je hebt gelijk. Ik gebruik ook bewust geen mobieltjes in deze verhalen, zoals ik ze ook in sommige van mijn films niet gebruik.’

In twee verhalen wordt sterk gehint op de verboden liefde voor kinderen.

‘Eentje is lichtelijk autobiografisch. Vroeger had ik een krantenwijk, en ik moest ook kranten bezorgen bij een pompstation. De bediende nodigde me dan binnen, en daar heerste altijd een vreemde spanning. Dat hij een hand door mijn haar haalt zal ik verzonnen hebben, maar hij had duidelijk iets pedofielerigs. In het andere verhaal kijkt een man naar een klein meisje in de zandbak en fantaseert over wat een leuke vrouw ze zal worden als ze volwassen is.’

Je deinst niet terug voor het taboe dat er rond dit thema hangt?

‘Nee. Zoiets heb ik zelf weleens gehad. Er zat niets seksueels bij. Dus dat is een onschuldige gedachte, vind ik. Ik weet natuurlijk dat ik de spanning er gratis bij krijg. Als een man naar een klein meisje kijkt, denkt de lezer: o nee hè, daar heb ik geen zin in.’ Hij lacht: ‘Dus dat is dan mooi meegenomen. Zeker omdat het uiteindelijk volkomen anders uitpakt dan de lezer verwacht.’

Je beoefent zo’n beetje alle kunstvormen. Hoe beslis je in welke vorm je een idee zal gieten?

‘Dat weet ik niet, wil ik ook niet weten. Het is in elk geval niet zo dat ik het pas in een later stadium besluit, dat het óók een film of een voorstelling zou kunnen worden. Ik kreeg een eerste idee in mijn hoofd, en wist: dit is een kort verhaal. En dan is mijn drijfveer gelijk op volle toeren, vind ik het zonde om niet te gaan kijken of er meer in zit. Het ging allemaal niet makkelijk overigens. Het eerste verhaal schreef ik vier jaar geleden.’

Het is een nieuw genre voor je. Vind je het vervelend dat mensen dan weer zeggen: typisch Van Warmerdam?

‘Soms is dat heel irritant, ja. Het klinkt toch alsof het één lange chocoladereep is waar alleen af en toe een ander papiertje omheen zit. Ik hoor het ook vaak van mensen die dan maar een van mijn films blijken te hebben gezien, meestal Abel. Dus ja... Ik doe heus wel mijn best om aan mezelf te ontsnappen, om atypisch Alex te zijn, maar kennelijk trapt niemand erin, haha. Om die reden heb ik weleens geprobeerd een boek te verfilmen. Ándermans werk. Maar dat gaat dan zo...’ Hij maakt met zijn ene hand het gebaar van een draaiende camera en slaat met de andere de pagina’s van een denkbeeldig boek om. ‘...heel braaf van A naar B. Ik weet helemaal niet hoe dat moet.’

Je kunt het ook zien als een compliment: er is bijna niemand die zo’n sterke signatuur heeft als jij.

‘Nou, ik noem het toch eerder een tekortkoming. Er zijn ook filmers als Stanley Kubrick, die elke keer echt een andere film maakt, maar óók een eigen signatuur heeft. Ik zie het als een gebrek aan scherpte. Komt ook door mijn geheugen. Dat was nooit goed, maar het wordt nu wel merkbaar slechter. En dat is echt een handicap. Voor ik het weet zit ik weer hetzelfde deuntje te fluiten. Bij de correcties van dit boek kwam ik een aantal keer letterlijk dezelfde zin tegen. Bij filmscripts hebben Annet en mijn zoons me vaak behoed voor zelfplagiaat. Dan ben ik heel tevreden met een vondst, zeggen zij: maar dat héb je al gedaan, man!’

Heb je daar voorbeelden van?

‘Aquaria. Bossen komen vaak terug. Scènes waarin iemand onder water zit. Ik stel soms strenge regels om herhaling te voorkomen. In Abel waren bomen en telefoongesprekken verboden. Bij De jurk werd alles op locatie gefilmd. Maar ja... Ik ben al een tijd bezig met een nieuw script. Het basisgegeven is een vrouw die nog thuis woont en die haar ouders aan de man proberen te brengen. Daarom worden er steeds jongens uitgenodigd. Tja, hoe stom kan je zijn? Want dat zit gewoon in Abel, alleen is het dan een meisje dat langskomt om aan hem gekoppeld te worden. Ik had er ontzettend veel zin in, maar ik heb het dus al gedaan.’

Dus het hele filmidee staat op losse schroeven door jouw slechte geheugen?

‘Eigenlijk wel ja. Soms twijfel ik of ik er gewoon schijt aan moet hebben. Omdat ik toch denk: het is nu andersom, ik kan het verhaal ook nog een andere richting in laten slaan. Dat probeer ik nu. Ik zit in het sjoemelstadium, laten we het daar op houden.’

Anderhalf jaar geleden had je een tentoonstelling van je schilderijen in New York, nu is er deze bundel. Zijn al die verschillende activiteiten ook een poging om aan jezelf te ontsnappen? De hoop dat de vorm je zal dwingen iets anders te doen?

‘Dat zou goed kunnen, ja. En schilderen is natuurlijk een verhaal apart. Maar over dit boek heb ik toch alweer gehoord: typisch Alex. Wéér ei-shampoo, haha. Maar goed, uiteindelijk is het niet echt een wezenlijke klacht hoor. Het is gewoon oppervlakkig gemopper.’

Je klinkt een beetje laatdunkend over je eigen werk. Alsof je bang bent om ijdel over te komen.

‘Dat weet ik niet hoor. Het is wel zo dat ik eigenlijk liever kritiek krijg dan complimenten. Want wat moet je ermee?’

In je achterzak steken?

‘Kan ook, natuurlijk. Opvallend vaak komen complimentjes van vrouwen van mijn leeftijd, die ergens in de stad in het voorbijgaan even zachtjes in mijn arm knijpen, en iets fluisteren als: ‘Móóie films.’ Ook ongemakkelijk, maar goed, daar kan je eigenlijk niets tegen hebben, hè? Maar mijn broer Marc (de vaste producent van zijn films en theatervoorstellingen, red.) vertelt weleens over ontmoetingen met mensen die echt heel graag kwijt willen dat ze mijn films ver-schrik-ke-lijk vinden. Zoiets krijg ik zelf niet vaak te horen, dus dat vind ik dan wel verrassend. Die haat.’

Annet Malherbe, vanuit de keuken: ‘Weet je nog die vrouw die midden in Kleine Teun (uit 1998, red.) uit de bioscoop kwam lopen? Helemaal over haar toeren, hand voor de mond. ‘Wat zijn dit voor verschrikkelijke mensen!’ riep ze.’

Van Warmerdam, geamuseerd: ‘Daarin wordt op het eind natuurlijk wel iemand doodgeslagen met een bijl.’

Malherbe: ‘Maar dat had ze nog niet eens gezien!’

De vraag waaróm hij altijd ‘hetzelfde deuntje fluit’ blijft Van Warmerdam intussen behendig ontwijken. In het boek Spookbeeld van de vrijheid analyseerde filmwetenschapper Peter Verstraten zijn filmische oeuvre. Het staat in zijn kast. Gelezen?

‘Stukjes.’

Een belangrijke zin, volgens Verstraten, is een uitspraak die je ooit deed in een interview: ‘Ik wil eigenlijk dat het allemaal niets betekent, maar op een manier dat het iets zóú kunnen betekenen.’

‘Dat onderschrijf ik nog wel. Ik moet voelen dat een bepaald gegeven iets doet, dat het een werking heeft. En dús iets betekent. De kijker of lezer heeft zelf ook een grote verbeelding, die moet je niet te veel invullen. Er was bijvoorbeeld ooit een psychiater die artikelen schreef over de symboliek in mijn films. Dat Abel vliegen doorknipte met een schaar duidde volgens hem op castratiedrift. Nou ja, ik héb helemaal geen castratiedrift. Ik vind het niet erg hoor, als mensen mijn werk proberen te duiden. Iedereen duidt, al dan niet bewust. De enige bron van irritatie is dat ik bang ben dat ik mijn onschuld kwijtraak, mijn vrijheid. Dat iemand misschien iets opmerkt dat wel hout snijdt, maar waar ik zelf nog niet vanaf weet. Als dat dan alsmaar benoemd wordt, word ik ingekaderd. En dat heb ik liever niet.’

Een zijpad: ‘Ik heb weleens gelezen dat Alfred Hitchcock als 5-jarige door zijn vader min of meer voor de grap naar het politiebureau is gebracht en een uur werd opgesloten in een cel, omdat-ie stout was geweest. Tja, als je dat eenmaal weet, zie je hoe hij dat creatief heeft gebruikt in zijn films. Er komen vaak politiemannen in voor, het zijn altijd enge kerels. Maar ik? Ik heb geen oorlog meegemaakt, geen Hongerwinter. Ik heb als kind een keer een lijk gevonden, maar verder heb ik gewoon een gelukkige jeugd gehad. Daar valt niet veel te halen. Wel voor mij persoonlijk, ik heb indrukken opgedaan die de basis vormen voor wat ik doe. Maar dat is allemaal heel voor de hand liggend. Saai bijna.’

Een gelukkige jeugd? Ik las dat je een nogal opstandige puber was.

‘Ik was wel een zuiger, ja. Driftig ook. Ik gooide met dingen, heb een keer een gat in een deur geschopt. Goed, dat waren eigenlijk twee platen triplex op een frame, maar toch. Daarna heeft mijn moeder tot mijn totale verbijstering een tekening van mij in achten gescheurd. ‘Dat dóé je niet!,’ riep ik toen, heel pathetisch. Waarop zij antwoordde: als jij mijn deur kapot schopt, maak ik van jou ook iets stuk. Nou, dat was wel een ervaring. Toen heb ik wel iets van mijn arrogantie verloren.’

Je broer Marc vertelde ooit dat jij bewust jullie kerstdiner vergalde, waarop je vader riep: ‘Kan het nou nooit eens gezellig zijn?’ Die situatie lijkt erg op een scène uit Abel.

‘Ja, dat is bijna letterlijk overgenomen. En dan liep mijn moeder huilend weg. Soms verstopte ze zich in de lege schouwburg. Dan wilde ze dat wij dachten dat ze voorgoed was verdwenen. Ik herinner me dat wij ons met z’n allen verspreidden door het gebouw om haar te zoeken. Tot we haar hoorden snikken achter een pilaar. En daar waren wij dan helemaal niet van onder de indruk.’

Voelde jij je dan niet schuldig?

‘Nee, dan was ik tamelijk gevoelloos. Gek is dat eigenlijk.’

Heb je een idee waar die drift vandaan kwam?

‘Niet echt. Het was een soort etterbakjes-gen dat ik toen had. De sterke neiging om dwars te liggen. Het plezier daarvan. Ik ben ook twee keer van school gestuurd, al was dat vanwege onbenulligheden. Eén keer had ik een spotprent gemaakt van alle leraren in badpak, op de startblokken van een zwembad. De godsdienstleraar stond in zo’n tonnetje. Heel lief eigenlijk. Ik hing hem op het prikbord. Sommige leraren konden erom lachen, maar uiteindelijk moest ik toch opkrassen. Ik denk dat ik een beetje veranderd ben toen ik op mijn 16de op de Rietveld Academie kwam. Dat was een school waar ik wel graag naartoe wilde. Ik was de jongste van de klas, sommige medeleerlingen waren al in de twintig en woonden samen. Daar was ik van onder de indruk, dus dat heeft die drift wel getemperd.’

Toch klinkt het best dramatisch. Hoe verhoudt zich dat tot een ‘gelukkige jeugd’?

‘Nou, de omstandigheden waren eigenlijk heel prima. Mijn ouders hebben mij altijd mijn gang laten gaan, en ik denk dat mijn broers en zussen hetzelfde zullen zeggen. Toen ze merkten dat ik graag tekende, hebben ze nooit gezegd: zou je niet eerst een beroep leren? Mijn vader was zelf ook creatief, mijn moeder zat bij de operette. Het sprak vanzelf. Terwijl: als je het vergelijkt met andere ouders in die tijd, was dat niet vanzelfsprekend. Ze waren katholiek, maar hebben zich daar in de loop van de jaren zestig van losgemaakt, en bleken toen eigenlijk heel liberaal te zijn. Eerst zei mijn vader nog weleens: zeg, moet jij niet eens naar de kapper? Een paar jaar later was het omgekeerd, en zei ik: man, het hangt helemaal op je schouder. Ze legden ons geen strobreed in de weg, daar komt het op neer.’

Eerder het tegendeel: eind jaren zestig, toen het gezin in IJmuiden was gaan wonen, begon zijn vader gratis toegankelijke evenementen te organiseren op de avonden dat de schouwburg waar hij werkte leegstond. Hij noemde dat het Witte Tejater, analoog aan het witte fietsenplan van de Provo-beweging. ‘Mijn broers en ik werden daarbij betrokken, we moesten ook vrienden ervoor warm maken. Zo ontstond een straattheatergroep waarmee we absurdistische fratsen uithaalden. We lieten op straat lege wasmachines draaien om lucht te wassen, hielden een protestmars waarbij we rondliepen met witte borden waar niets op stond en deelden lege pamfletten uit. Een beetje onnozel, in de geest van Provo en Wim T. Schippers. Wat we ook deden was ongelukken fingeren, compleet met nepbloed. Maar daar zijn we snel mee gestopt, omdat mensen dachten dat het echt was. Die gingen ambulances bellen. Als we dan lachend opstonden, werden ze natuurlijk woest.’

Een en ander kwam in een stroomversnelling toen een Amsterdamse band rond de broers Rob en Dick Hauser contact met ze zocht, omdat ze meer wilden dan alleen muziek maken. Daaruit ontstond in 1972 het roemruchte muziektheatercollectief Hauser Orkater, waarin Van Warmerdam acteerde, schreef en de vormgeving verzorgde. Toeval dus, benadrukt hij nog maar eens, niets beredeneerds aan.

Aanvankelijk wisten ze niet echt wat ze deden, hooguit wat ze níét wilden. ‘Het was de tijd waarin theater maatschappelijk geëngageerd diende te zijn. De groep Proloog bijvoorbeeld, die stukken opvoerde waarin de arbeider een overall droeg en de baas een grote sigaar in zijn mond had. Toen we nog bij het Witte Tejater betrokken waren, ontmoetten we nogal eens mensen die daardoor waren aangestoken. Die heel veel gingen praten over de maatschappij, terwijl ze in kleermakerszit op de grond zaten. Volgens mij is toen ook dat vreselijke taalgebruik ontstaan. ‘Een stukje betrokkenheid naar jou toe,’ en zo. Ik vond dat instinctief afgrijselijk, klapte er totaal van dicht. Wij allemaal wel. We wilden niet urenlang praten, maar gewoon iets máken. En zo ging het. Soms had Jim van der Woude een act bedacht, soms had ik een idee. Dat zetten we achter elkaar, en zo ontstond er langzaam maar zeker een voorstelling.’

Het is moeilijk te overschatten hoe vernieuwend Hauser Orkater was, met hun mengeling van absurd theater, beelden en popmuziek. Ook internationaal. Met hun laatste voorstelling Zie de mannen vallen stond het gezelschap een maandlang in The Roundhouse in Londen, de Franse kwaliteitskrant Le Monde schreef een jubelrecensie, wat weer leidde tot een reeks optredens in het Parijse Theatre National De Chaillot. Op de openingsavond in Londen waren onder meer aanwezig: Monty Pythons Eric Idle, leden van de The Bonzo Dog Doo-Dah Band en Ray Davies, zanger en songschrijver van The Kinks, nog altijd een van zijn favoriete bands.

Met slecht verholen trots: ‘Later is die nog naar ons kantoor in Amsterdam gekomen, omdat ik hem gevraagd had een nummer voor ons te schrijven. Maar toen was Hauser Orkater net opgeheven en had ik met Marc net De Mexicaanse Hond opgericht. Ik zag hoe Davies daardoor zijn interesse verloor. Hij maakte nog wat aantekeningen, maar het is er nooit van gekomen. Zo zie je maar: je moet nooit met je helden werken.’

Hauser Orkater was een hecht collectief. Als filmer en theatermaker werk je altijd met Marc en vaak met je broer Vincent. In veel producties komen dezelfde acteurs terug. Volgens Marc ben je eigenlijk nog steeds een ‘collectiefwerker’, maar hij voegde eraan toe: ‘al zou je dat niet zeggen.’ Hoe zie je dat zelf?

‘Een collectief is natuurlijk iets heel aantrekkelijks. Toen ik bij de Mexicaanse Hond allang de regisseur was, stond dat niet op het affiche vermeld. Dat kwam pas later. Kennelijk moest ik me over iets heen zetten om die brutaliteit te durven aannemen. En ja, ik vind het prettig om met mensen te kunnen werken die ik volledig vertrouw. Maar op een filmset ben ik inmiddels wel echt de baas hoor, in elk geval artistiek. Ik sta zeker open voor ideeën van anderen, maar ik heb de dingen wel heel precies in mijn hoofd. Tegelijkertijd: wat kan ik nou eigenlijk? Als schilder ben ik degene die de kwast vasthoudt, maar ik weet niets van camera’s, kan lenzen niet uit elkaar houden, moet monteren met iemand die weet hoe het werkt. Zonder al die mensen ben ik helemaal niks.’

Ik vraag het omdat je weleens hebt gezegd dat je vroeger last had van ernstige verlegenheid, en ik me kan voorstellen dat je daarom graag met een vertrouwde groep mensen werkt.

‘Dat heb ik nog steeds hoor. Podiumangst ook. Het wordt erger naarmate ik ouder word. Ik kan heel slecht tegen mensen die tegen me praten met zo’n priemende blik, zoals de slang uit The Jungle Book, en geen ruimte laten voor een antwoord. Dan gaat er een kip fladderen in mijn borst. Een tijdje geleden ben ik vlak voor een Q&A weggelopen omdat de interviewer me vooraf al vragen begon te stellen. Toen kreeg ik echt een paniekaanval, dat is dan ook onomkeerbaar. Ik had ook zoiets toen mijn jongste zoon ging trouwen. Dan moet je natuurlijk iets zeggen. Vier maanden van tevoren ben ik al aan mijn toespraak begonnen. Ik lag ervan wakker, droomde ervan. Eigenlijk is mijn leven dan verpest tot het voorbij is. Gelukkig ging het uiteindelijk heel goed.’

Ik wil niet de psycholoog uithangen, maar dit gaat over situaties waarin je de controle niet hebt.

‘Ja, dat is het. Dat durf ik wel toe te geven.’

Je bent nu 73. Twee jaar geleden zei je in De Morgen dat je een gevoel van haast begint te krijgen, omdat je nog zo veel wil doen.

‘Ja, het begint een beetje vervelend te worden dat ik met al die wensen zit te kloten. Puur door het gebrek aan levenstijd. Vroeger was de horizon nog niet zo dichtbij, danste ik gewoon van het een naar het ander. Maar aan die vrolijke spontaniteit, of die soms sombere spontaniteit, wordt flink geknaagd. Ik heb vier jaar geleden een TIA gehad. Dat is gelukkig helemaal goed gekomen, maar toch. Ik moet op mijn gezondheid letten. En ik wil eigenlijk nog een theatervoorstelling maken, ik wil blijven schilderen. Die korte verhalen smaken naar meer. Ik zwem in een moeras van mogelijkheden. De haast heeft tot gevolg dat ik andersom leef: alles gaat trager. Ik heb een schemaatje bedacht: twee dagen per week werk ik aan het filmscript, de andere dagen schilder ik. Of andersom. Ik weet het niet eens. De film trekt misschien nog wel het meest, want ik wil eigenlijk nog een betere maken dan Nr. 10, mijn laatste. Die heeft geleden onder geldgebrek. Maar juist film kost het meeste tijd. Een script schrijven duurt al lang, en dan moet al het geld nog verzameld worden door Marc. Dat wordt ook steeds moeilijker.’

Is het ondenkbaar dat je ooit op je lauweren zou gaan rusten? Anders gezegd: werk je niet te hard?

‘Eeehm... Annet? Werk ik te hard? Ik slaap wel goed, hè?’

Malherbe komt uit de keuken gelopen en schuift aan. ‘Zal ik even meedoen? Ik weet niet of je te hard werkt, maar je werkt wel altijd. Wij zijn nu 46 jaar bij elkaar...’

Hij: ‘Pas op je woorden hè.’

Zij: ‘Herinner je je onze eerste vakantie nog? Gingen we kamperen. Had ik een tafeltje klaargezet, met een flesje wijn, worstje, Frans kaasje... hartstikke gezellig. Kwam hij de tent uit met een typemachientje, zo’n reisding, veegde zo – wám – alles van tafel en draaide een vel papier erin. Ik zei: wat doe jij nou? Zegt hij: ga jij lekker een boekje lezen, ik ga schrijven.’

Hij, grinnikend: ‘Daar kwam toen niks bruikbaars uit, trouwens. Maar zei ik dat echt? Dat je het toen niet meteen hebt uitgemaakt.’

Zij: ‘Daar kwam ik niet op, helaas. Anders had je hier nu waarschijnlijk gezeten met die... eeeh.’

Met wie?

Beiden, gierend: ‘Nee, nee, nee!!!’

Malherbe schakelt over op een ander onderwerp: ‘Ik krijg ook elk jaar een compleet nieuwe tuin van Alex. Hij heeft hele aquarellen gemaakt om te bepalen hoe die eruit moet komen te zien.’

Hij: ‘Ja, maar dat komt eigenlijk voort uit onkunde, want ik ben elk jaar weer ontevreden. Dat moet je niet vergeten, dat ik een klunstuinier ben. Ik zet altijd de planten te dicht bij elkaar.’

Zij: ‘Mijn hobby is om daar dan naar te kijken. Hoe hij staat te vloeken tegen potten waarin hij iets heeft gezaaid wat niet uitkomt. Zelfs op vakantie in Spanje, waar we jarenlang een huis hebben gehuurd, gaat hij meteen in de tuin klooien. Terwijl die tuin al áf is.’

Hij: ‘Dat is waar, als ik een uurtje in het zwembad heb gehangen ga ik op zoek naar een stapel compost die verplaatst moet worden. Dat vind ik gewoon fijn. Echt luieren, dat kan ik niet zo goed.’

Zij: ‘Dus ja, te hard... Je hebt één keer iets gehad dat ze nu een burn-out zouden noemen.’

Hij: ‘Toen werd ik officieel overwerkt verklaard.’

Wat heb je daar toen aan gedaan?

Hij: ‘Toen heb ik stiekem een dichtbundel geschreven. Die diagnose gaf me opeens zoveel ruimte. Ik heb daar hele plezierige herinneringen aan.’

Zij: ‘En hij was stoned hè, iedere avond.’

Hij: ‘Ja, ik heb veel geblowd, maar daar ben ik al jaren mee gestopt. Ik was er echt aan verslaafd. Die eerste bundel heb ik grotendeels stoned geschreven. De volgende ochtend bleef er bij het redigeren altijd maar één bruikbare zin over. Maar dan dacht ik: toch één zin. Gelukkig bleek ik het ook zonder te kunnen, want mijn tweede dichtbundel heb ik gewoon nuchter geschreven. Nou ja, wel vaak met een paar glazen wijn.’

Zij: ‘Ja, hij is ook alcoholist.’

Hij: ‘Ik mag van mijn cardioloog nog maar twee glazen per dag drinken. Lukt niet altijd, maar ik doe mijn best.’

Zij: ‘Maar om terug te komen op dat harde werken: hij is net als zijn vader, die heeft ook geen seconde van zijn leven verspild.’

Dus je hebt het niet van een vreemde.

Van Warmerdam lacht: ‘Mijn vader deed alles met groot plezier. Toen hij oud was en allang gepensioneerd, bleek dat hij jarenlang in het geheim was doorgegaan met het ontwerpen van decors. In een leegstaande bioscoop had hij een heel team van mensen die volgens zijn aanwijzingen de decors timmerden voor amateurverenigingen. Mijn moeder wist er niets van. Het kwam uit toen er een keer een man langskwam, zogenaamd voor een gezellig bezoekje, maar eigenlijk om over een of ander ontwerp te praten. Alleen was mijn vader toen net een paar uur daarvoor overleden. Hij lag opgebaard op bed. De arme man schrok zich kapot.’

Malherbe: ‘Iemand een kopje soep?’

1952 Geboren in Haarlem, later met zijn familie verhuisd naar Den Bosch en IJmuiden.
1966-1969 Opleiding aan de Grafische School in Haarlem.
1969-1974 Opleiding vrije grafiek en schilderen aan de Rietveld Academie.
1974-1980 Mede-oprichter, schrijver en acteur bij muziektheatergroep Hauser Orkater, waarmee hij o.a. de voorstellingen Op avontuur (1974) en Zie de mannen vallen (1979) maakte.
1980-heden Mede-oprichter, acteur, schrijver en regisseur bij De Mexicaanse Hond, met o.a. de voorstellingen Graniet (1982), De wet van Luisman (1984), Welkom in het bos (2002), Wees ons genadig (2007) en Bij het kanaal naar links (2011).
1986 Filmdebuut als regisseur en acteur in Abel, bekroond met een Gouden Kalf. Hij maakte daarna nog negen films, waaronder De Noorderlingen (1992), De jurk (1996), Kleine Teun (1998), Ober (2006), De laatste dagen van Emma Blank (2009) en Borgman (2013, genomineerd voor een Gouden Palm op het filmfestival van Cannes). Van Warmerdam won uiteindelijk vijf Gouden Kalveren en tal van andere prijzen.
1987 Roman De hand van een vreemde (Thomas Rap).
2006 Dichtbundel Van alle kanten komen ze (Nieuw Amsterdam).
2014 Dichtbundel Ik heb de wereld geschapen (Nieuw Amsterdam).
2018 L’histoire Kaputt, tentoonstelling van zijn schilderijen en installaties in het Eye Filmmuseum in Amsterdam.
2024 Tentoonstelling in galerie Grimm in New York.
2026 Korte verhalenbundel Geen zorgen, ik hou van je.

Alex van Warmerdam woont in Amsterdam met zijn vrouw Annet Malherbe.

Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next