Roman Wouter Godijn beschrijft stuiterend en stormachtig beginnende liefde in de vrijgevochten jaren zeventig. Vernieuwend: zijn heldin Nicole neemt in vrijwel alle seksuele opzichten het voortouw.
Wouter Godijn: Het offer. Atlas Contact, 236 blz. €22,99
Later ga je samen naar een retrospectief of zit je (hopelijk) gebroederlijk naast elkaar op het dek van een boot, maar typisch voor beginnende minnaars, zoals Herman Brusselmans al schreef in één van zijn gedichten, „is de enorme hoeveelheid seks”. Tussen de lakens, daar vinden de eerste bijeenkomsten van Eros plaats. En dat is dan ook waar je vaak over leest als een schrijver een boek over startende geliefden aflevert, of die schrijver nu Giphart (Ik ook van jou), Wolkers (Turks fruit) of Wouter Godijn heet.
Want die laatste mag dan de meest eigenzinnige van dit drietal zijn, gevreeën wordt er volop in Het offer, een roman waarin hij de lezer stuiterend en stormachtig meevoert naar de vroege jaren zeventig van de vorige eeuw. En net als bij Wolkers en Giphart eindigt dit feest der liefde met de ziekte van de geportretteerde vrouw en is Nicole wat betreft haar medisch dossier een soort amalgaam van de Reza uit Gipharts roman en de Olga uit Turks fruit, door eerst mentaal af te takelen en daarna aan kanker te overlijden. Deze observatie is overigens niet per se een diskwalificatie van de roman of van de kleine traditie waarin de roman zich bevindt, maar opmerkelijk is het wel, zo’n herhaaldelijk verloop van zaken, van godinnen die, ondanks de vrijheid die fictie de schrijver biedt (het had ook anders gekund), blijkbaar in het graf of een kliniek dienen te eindigen.
Maar goed, de jaren zeventig dus, de jaren waarin een jonge vrouw als Nicole seksueel gezien eindelijk volwassen en uitgesproken kon zijn. En hierin, in de dominante rol die ze inneemt, zit een belangrijk deel van de aantrekkelijkheid en het vernieuwende perspectief van de roman, een beetje afstand nemend van de meer directe leeservaring vol zweet, spuug en volgehijgde oorschelpen. Nicole neemt in vrijwel alle seksuele facetten het voortouw: ze geeft zonder gêne taal aan haar wensen, ze draagt Maarten op wat en hoe snel hij weer iets moet doen en zij is het die de machtige positie van haar strenge, quasi-naïeve vader, een man die de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog nog heeft meegemaakt, doorbreekt door met een shock treatment aan te geven dat zij en Maarten het allang „als konijnen doen”. Daddy’s little girl ain’t a girl no more, om Nirvana te citeren.
Vaak denk je: Maarten hoeft er alleen maar te zijn met zo’n vrouw. Hij is het die geschaakt is, opgeëist is, ben je alleen al vanwege zijn meegaandheid geneigd te denken. Hij hoeft zich niet in allerlei (retorische) bochten te wringen om aan zijn gerief te komen, zoals een personage uit een Wolkers-roman dat nog moest doen met zo’n meisje uit een gereformeerd nest. Nicole spreekt dan ook vaak van Maartje in plaats van Maarten. Hij is, om het een beetje volks uit te drukken, ‘het vrouwtje’, zonder dat je daarbij ook maar een moment het idee krijgt dat hij ondergesneeuwd is geraakt, dat hij niet wil wat er gebeurt. Godijn breekt hiermee het clichébeeld van de gepantserde, maar stiekem o zo poreuze alfaman voor je ogen af en je zou Het offer alleen al om die reden bij veel mensen op tafel of het nachtkastje willen zien liggen.
Daar moet wel bij worden vermeld dat er ondanks alle gelukzalige liefde, die ongeveer tachtig procent van de roman beslaat, óók iets lichtzinnigs en ontwijkends zit in Maartens weergave (hij herinnert zich de affaire als oudere man). Godijn laat Maarten er tijdens momenten van (seksuele) intimiteit op los associëren als een malle. Dat levert soms geweldige, filosofische passages op met een metafysische ambitie, maar die, tja, excuses voor deze ongelooflijke beta male-voetnoot, weinig doen met bijvoorbeeld de emotionele impact op Maarten. Het is allemaal verrekte lekker wat ze doen, ja dat snap ik ook nog wel, een kind kan de was doen, maar verder kiest Godijn toch opvallend vaak voor een kolderieke, geestelijke verwijzing naar kleuren of dieren om invulling te geven aan wat er zoal door Maarten heen gaat in de nabijheid van Nicole.
Het lijkt er daardoor op dat Maarten, aan wild klapwiekende kippen denkend als hij zijn onderbroek naar beneden trekt, toch vooral in zijn eigen hoofd is in plaats van bij of met haar. Heel fier staat achterop de flap van deze roman een citaat uit de Volkskrant, waarin Godijn geprezen wordt met de opmerking dat bij hem „schrijven geen plechtige bedoening is, maar een spelletje met woorden, iets leuks”. Een spelletje met woorden! Iets leuks! Zou Godijn zelf het nou eens zijn met zo’n blik of vindt hij, net als ik, dat een echte schrijver nou juist door de leuk héén schrijft?
Hoe dan ook, ten dele is het citaat wel degelijk van toepassing op Godijns schrijversschap, waar te vaak iets infantiels in opduikt en daarmee iets behaagzieks. En de reden waarom je je er in het geval van Het offer zo over opwindt is dat het boek wordt afgerond met een van de meest ontroerende en ja, waarachtige bladzijden die ik sinds lang in de Nederlandse literatuur aantrof. Aan alle humbug komt dan een einde. Dat is misschien wel de juiste koers voor een volgende Godijn. En die kant lijkt het, afgaand op Godijns slotwoorden, ook daadwerkelijk op te zullen gaan. De volgende keer begraven we geen vrouw, maar een clown.