Nederlandse literatuur Het eerste boek voor volwassenen van Pépé Smit, geschreven vanuit het perspectief van een eigenzinnig kind in de jaren zeventig, is levendig en geestig. Volwassenen mogen alles, waarom zijn ze dan toch zo vaak verdrietig?
Kind met speelgoed in Bijlmermeerflat (1971)
Pépé Smit: En toen. De Harmonie, 176 blz. €21,90
Fred het hert is heel eigenwijs, Pluis het konijn kiest haar eigen weg en ook Evert-Jan de strontvlieg houdt er afwijkende ideeën en een geheel eigen smaak op na: tot dusver waren de hoofdpersonen in het werk van Pépé Smit eigengereide dieren. Na een tiental meeslepend vrolijke, prettig ontregelende verhalen in woord en beeld voor kinderen komt de succesvolle prentenboekenmaker Smit (1963) nu met een roman voor volwassenen, En toen getiteld.
En toen heeft dezelfde kwaliteiten als haar eerdere werk: het is levendig, eigenzinnig en heel erg geestig. Smit beschrijft sprankelend een jaren-zeventig-jeugd in Den Haag en de Betuwe vanuit een kind, vermoedelijk het kind dat ze zelf was. Haast struikelend over haar woorden, uit pure levenslust, vangt de ik-verteller de wereld in woorden, de wereld waar ze dag in dag uit grondig onderzoek naar doet, die ze verkent. Haar observaties, gedachten, acties en gevolgtrekkingen worden met allerlei voegwoorden tot een smeuïge stroom aaneengesmeed.
Wat klopt er, bijvoorbeeld, van de waarschuwingen van volwassenen die ze zoal te horen krijgt? Is het wel echt zo gevaarlijk, te rennen met een schaar in je hand, kauwgom in te slikken of recht in de zon te kijken? Ze probeert het allemaal uit: „Net als met een plastic zak. Daar mocht je nooit je hoofd in steken want dan zou je ook stikken en doodgaan maar ik deed het toch omdat ik wou weten of het wel waar was. […] Ik dacht eraan hoe ik als een slap poppetje op de grond zou liggen met die zak over mijn hoofd en ik dacht eraan hoe vreselijk mijn vader en moeder moesten huilen maar het was te laat, ik was gestikt omdat ze niet hadden opgelet. Het was een verdrietig maar ook een heerlijk gevoel dus ik bleef nog wat langer zitten met de zak over mijn hoofd.”
Deze hoofdpersoon is zoiets als een tegendraads achternichtje van Kees de Jongen van Theo Thijssen, ze wil graag weten wat ze betekent, wat haar rol in het leven is, hoe alles in elkaar zit. En ze blinkt graag uit. Andere kinderen mogen van haar ook best „een beetje bijzonder” zijn, maar natuurlijk „niet zo speciaal als ik zelf”. Ze wil gezien worden, en ze wil veilig zijn.
Tussen de regels door begrijp je dat haar ouders veel met zichzelf bezig zijn. Haar vader, een filmmaker, bemoeit zich nergens mee, haar moeder huilt geregeld, aan de telefoon of bij steeds wisselende vriendinnen. De dochter begrijpt niet waarom, aangezien grote mensen alles kunnen doen wat ze maar willen, zonder represailles. Kon zij dat maar. Geregeld leiden haar onbesuisde initiatieven tot een pak voor haar broek door haar moeder.
Ze heeft zo haar eigen dappere manieren ontwikkeld om enige controle en wat grip op haar leven te ervaren. Bijvoorbeeld het „aan de sok ruiken” als ze niet kan slapen omdat ze ligt te malen over school, ruzie en vriendschap, zich afvraagt waarom kaas kaas heet of hoe je weet dat een ander de kleur rood net zo waarneemt als jijzelf. Het is een geheime sok, een geitenwollen sok van haar vader, waarop ze ooit koffiemelk heeft laten vallen. Hij ligt helemaal achterin de la verstopt en als ze alleen al denkt aan hoe hij ruikt, wordt ze misselijk. Ze verplicht zichzelf er „met een diepe snuif” aan te ruiken, wanneer ze niet slapen kan, moet vreselijk kokhalzen „maar daarna voelde het of dingen die eerst scheef waren weer rechtgetrokken waren dus het was toch een hele goede sok.”
De roman had gaandeweg wel wat scherper mogen worden. De hoofdpersoon springt van begin tot eind van de hak op de tak, zonder echt aan inzicht te winnen. Tegelijk is die consequent volgehouden toon, die aan werk van Joke van Leeuwen doet denken, toch ook de kracht van En toen. Het is een soepel, overtuigend en nergens sentimenteel portret van een kind. Tussen de regels door krijg je een mooi beeld van de jaren zeventig, waarin hippies, blootlopers en andere volwassen dromers hun idealen najoegen – en daarbij hun kroost weleens over het hoofd zagen.