Elkaar razendsnel de maat nemen: het gebeurt vaak, zeker op sociale media. Volgens wetenschappers ligt juist in het uitstellen van dat oordeel de sleutel tot betere én interessante gesprekken. Maar hoe doe je dat?
schrijft voor de Volkskrant over grote en kleine levensvragen.
‘Het is zoals Johan Cruijff zei: je ziet het pas als je het doorhebt.’ In de documentaireserie Wakker in Paraguay legt ondernemer Mart zijn moeder uit wat chemtrails zijn. Bij zijn broer en andere familieleden hoeft hij niet meer aan te komen met zijn theorieën, maar zijn moeder blijft geïnteresseerd, ook al denkt ze er het hare van.
‘Wie maakt die strepen in de lucht dan?’, vraagt ze. Volgens Mart gaat het om oud-militairen die veel betaald krijgen. Het zijn geheime programma’s, maar ‘veel mensen willen dat niet geloven’. ‘Wat willen ze bereiken?’, vraagt zijn moeder. Mensen angstig en ziek maken, meent haar zoon. ‘Een nieuwe pandemie, zodat ze iedereen weer een spuit kunnen geven.’ ‘Dat vind ik ver gaan’, reageert ze kalm. Voorzichtig suggereert ze dat hij zich beter op zijn eigen leven kan richten. ‘Je bent druk zat met jezelf.’
Niet oordelen over iemand met radicaal andere overtuigingen is lastig. In Wakker in Paraguay is te zien hoe familieleden en vrienden hiermee worstelen. En niet alleen daar: of het nu gaat over vaccinaties of over de opvang van vluchtelingen, gesprekken tussen andersdenkenden lopen al snel spaak. Waar gaat het mis? En hoe kun je je minder veroordelend opstellen?
Het snelle oordelen past in een bredere tijdgeest waarin verschillen scherper worden ervaren. Driekwart van de Nederlanders heeft het gevoel dat meningsverschillen over maatschappelijke kwesties toenemen, blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Vooral de omgangsvormen baren zorgen: de harde toon, slecht luisteren en vasthouden aan het eigen gelijk.
Toch blijkt uit onderzoek dat polarisatie niet daadwerkelijk toeneemt. Op veel onderwerpen is meer overeenstemming dan gedacht en verschillen groeien niet. Polarisatie lijkt dus vooral subjectief.
In haar boek Reclaiming Conversation – The Power of Talk in a Digital Age waarschuwt de Amerikaanse socioloog Sherry Turkle hoe digitalisering onze empathie onder druk zet. Doordat we vaker via schermen communiceren, wordt het makkelijker om afstand te nemen van de ander.
Ook maatschappelijke onzekerheid speelt een rol. Onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid laat zien dat een gevoel van gebrek aan controle kan leiden tot sterker wij-zijdenken. Mensen zoeken sneller naar simpele verklaringen en duidelijke zondebokken. De wereld wordt overzichtelijker, maar ook zwart-witter.
Volgens publieksfilosoof Coen Simon, auteur van het boek Oordeel zelf en hoofdredacteur van Filosofie Magazine, helpt het om te beseffen dat onze nadruk op ‘een eigen mening’ historisch gezien vrij recent is. ‘In 1784 schreef Immanuel Kant in een invloedrijk essay dat je zélf moet durven denken en je oordeel niet zomaar moet overnemen van anderen. Daarvóór lagen onze opvattingen grotendeels vast, afhankelijk van afkomst, religie of taal.’ Het is een erfenis van de verlichting dat mensen binnen families en vriendenkringen radicaal van mening kunnen en mogen verschillen.
‘Mensen oordelen voortdurend: snel, vaak onbewust en op basis van weinig informatie’, zegt Noelle Aarts, emeritus hoogleraar socio-ecologische interactie bij het Instituut voor Science in Society aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Dat heeft een evolutionaire functie: we moeten mensen en situaties direct kunnen inschatten. ‘We nemen dagelijks honderden beslissingen, dus uitgebreid nadenken over alles is niet haalbaar. Het zou onze overleving in de weg staan.’
Onderzoek laat zien hoe snel dat proces gaat. Wanneer mensen een nieuw gezicht zien, vormen ze binnen 100 milliseconden, ongeveer een oogwenk dus, een oordeel over aantrekkelijkheid, competentie en betrouwbaarheid, zo ontdekten Princeton-psychologen Janine Willis en Alexander Todorov in een experiment met foto’s.
Een eerste indruk vormen is één ding, maar de neiging tot snel oordelen stopt daar niet. Ook bij meningsverschillen speelt die een rol, wat goed contact in de weg kan staan.
Aarts en collega’s onderzochten hoe interacties verlopen tijdens heftige discussies, zowel live als online, bijvoorbeeld tussen boeren en natuurbeschermers. Denk aan controverses rond de terugkeer van de wolf, de vos en het everzwijn of het bijvoeden van dieren tijdens de winter in de Oostvaardersplassen.
Het probleem zit volgens de emeritus hoogleraar niet zozeer in de botsende meningen zelf, maar in de manier waarop mensen discussiëren. Vaak wordt er strijdbare taal gebruikt (‘de strijd tegen het everzwijn wordt op verschillende fronten geopend’) en krachtige termen (‘een bloedbad’). Daarnaast worden tegenstellingen uitvergroot, bijvoorbeeld tussen ‘natuurfundamentalisten’ en ‘échte’ natuurliefhebbers. Zulk taalgebruik versterkt stereotypering en stigmatisering.
Daar komt bij dat mensen in gesprekken vooral geneigd zijn te horen wat aansluit bij hun bestaande overtuigingen. Afwijkende meningen worden al snel als bedreigend ervaren, vooral bij complexe kwesties die onzekerheid oproepen. Dat hangt samen met wat Aarts ‘zelfreferentialiteit’ noemt: de neiging om informatie direct op onszelf te betrekken. Mensen vragen zich automatisch af: wat betekent dit voor mij? Iemand die zich zorgen maakt over baanzekerheid, zal nieuws over migratie al gauw interpreteren als bedreigend, terwijl een ander juist kansen ziet.
Oordelen klinkt al snel als iets negatiefs, bijna hetzelfde als veroordelen. Coen Simon meent dat oordelen juist waardevol kan zijn, mits het op de juiste manier gebeurt. Hoe dat moet? Hiervoor haalt hij opnieuw Immanuel Kant aan, die in zijn Kritik der Urteilskraft (1790) stelde dat er over smaak wél valt te twisten. Volgens Kant beschikken we over een sensus communis: een gemeenschappelijk zintuig waarmee we ons kunnen verplaatsen in hoe anderen de wereld ervaren. ‘Als je voor een schilderij staat en je vindt dat werk ‘belangeloos mooi’, dus zonder eigenbelang, dan kun je proberen je oordeel zo te formuleren dat anderen het zouden kunnen delen’, zegt Simon. ‘Je nodigt de ander als het ware uit om met je mee te kijken.’
Maatschappelijke discussies zouden we vaker moeten benaderen zoals we dat bij een kunstwerk of film doen: als een verschil van smaak, meent Simon. Het doel is dan niet om te bewijzen dat je gelijk hebt, maar om duidelijk te maken waarom je iets overtuigend, belangrijk of problematisch vindt.
Zo’n gesprek draait niet om harde bewijzen, maar om het invoelbaar maken van je oordeel. In plaats van simpelweg te stellen: ‘Ik vind dat er minder asielzoekers moeten zijn’, leg je uit waarom je dat vindt, op een manier die voor anderen begrijpelijk is.
En juist daar gaat het vaak mis. In veel discussies ligt de nadruk sterk op feiten. Volgens Simon is dat een misvatting. ‘Het is een probleem van deze tijd dat we feiten belangrijker maken dan meningen’, stelt hij. ‘Sommige mensen voelen zich superieur omdat ze zich beroepen op de wetenschap, terwijl lang niet alles in het leven langs die meetlat te leggen is.’
Veel kwesties gaan juist over gevoelens, moraal en de vraag hoe we willen leven. Door alleen op feiten te focussen, mis je volgens Simon het wezenlijke gesprek. Hij vergelijkt het met relatietherapie: een therapeut vraagt meestal niet wat er feitelijk is voorgevallen, maar wat een situatie met iemand doet.
In discussies proberen mensen elkaar vaak te overtuigen van hun gelijk. Dat werkt meestal niet: wat voor de een vaststaat, wordt door de ander niet altijd als waar gezien. ‘Het is effectiever om het overtuigen los te laten en vragen te stellen’, zegt Aarts. ‘Net zo lang tot je voelt wat de ander bedoelt.’
Dat betekent niet dat je je eigen standpunten moet opgeven. Filosoof Lammert Kamphuis noemt dit in zijn boek Verslaafd aan ons eigen gelijk ‘perspectivistische lenigheid’: het vermogen om te erkennen dat er meerdere perspectieven bestaan. ‘Stel jezelf de vraag: wat als deze persoon voor 1 procent gelijk heeft, wat zou dat dan zijn?’ Je kunt ergens voor staan en tegelijk ook ontvankelijk zijn voor de argumenten van een ander. ‘Andersdenkenden wegzetten als wappies of schapen helpt niet’, zegt de filosoof. ‘Luister, leg uit waarom je tot je standpunt bent gekomen en houd de optie open dat je blinde vlekken hebt.’
Een goed voorbeeld is het gesprek tussen milieuactivist Johan Vollenbroek en een groep boze boeren, te zien in een YouTube-video. In plaats van in discussie te gaan luistert Vollenbroek en probeert hij te begrijpen waar de frustratie zit. ‘Gaandeweg verandert de sfeer’, vertelt Aarts. ‘De meest verbale boer geeft uiteindelijk aan dat hij respect heeft dat Vollenbroek naar hen toe kwam, ondanks de meningsverschillen.’
Wie vol in de overtuigingsmodus zit, kan bedreigend overkomen. Volgens Aarts ervaren gesprekspartners dat soms als een vorm van ‘gewelddadige communicatie’, ook al is dat niet de bedoeling.
Ontwapenende taal kan helpen. Dat blijkt uit het proefschrift van Korien van Vuuren-Verkerk (Radboud Universiteit). Ze analyseerde televisieoptredens van politici rondom de boerenprotesten. Waar Esther Ouwehand (Partij voor de Dieren) door boeren werd ervaren als beschuldigend, koos Jesse Klaver bij talkshow De Wereld Draait Door voor een andere toon. ‘Hij stak de hand in eigen boezem door het systeem als geheel te bekritiseren, dus ook de rol van de politiek’, zegt Aarts. ‘Dat leidde meteen tot minder weerstand.’
Toch de neiging om iemand te veroordelen? Het helpt om te zoeken naar onderliggende zorgen en gedeelde waarden, aldus Aarts. Waar ligt de ander wakker van? Welke belangen staan er op het spel?
Lammert Kamphuis paste dit toe in gesprekken met een vriend die overtuigd antivaxer is. ‘Hij hecht veel waarde aan autonomie en zelfbeschikking, terwijl voor mij solidariteit, volksgezondheid en vertrouwen in de wetenschap centraal stonden. Wat me opviel, is dat ik zijn waarden in andere discussies, zoals rond abortus, juist prioriteit geef. Dat helpt me om hem beter te begrijpen.’
‘Mensen vermijden emoties vaak uit angst voor escalatie’, zegt Aarts. Maar als die gevoelens er zijn, moet je het ventiel openzetten. Want zolang de ballon opgeblazen blijft, is er geen ruimte voor ratio. Benoem het dus als je merkt dat iets de ander raakt.’
Tot slot: mensen hebben vaak geen trek in een gesprek met andersdenkenden. Omdat ze geloven dat het tóch geen zin heeft: standpunten blijven onveranderd en iedereen graaft zich alleen maar dieper in het eigen gelijk in. Uit een nieuwe studie, gepubliceerd in het Journal of Personality and Social Psychology, blijkt dat dit beeld niet klopt.
Amerikaanse onderzoekers lieten deelnemers met tegengestelde meningen op een respectvolle manier met elkaar in gesprek gaan over uiteeenlopende kwesties als: katten versus honden als beste huisdier, cancelcultuur en de prestaties van Joe Biden.
Vooraf moesten de deelnemers inschatten in hoeverre hun eigen mening, of die van de ander, zou veranderen door het gesprek. Ook kregen ze duidelijke richtlijnen: geen grove taal en geen persoonlijke informatie delen.
Wat bleek? Door de gesprekken groeiden deelnemers dichter naar elkaar toe en raakten ze minder gepolariseerd. Mensen bleken het vaker eens te worden dan ze van tevoren hadden verwacht.
Volgens de onderzoekers denkt men vaak onterecht dat het meningsverschil fundamenteel van aard is, terwijl in de praktijk de verschillen vooral ontstaan doordat mensen de nadruk leggen op een ander aspect. Zo kan iemand positief zijn over het presidentschap van Biden omdat hij of zij de focus legt op de lage werkloosheid, terwijl een ander juist kijkt naar illegale immigratie. De wetenschappers concluderen optimistisch: ‘Een respectvol gesprek kan verrassend vaak gemeenschappelijke grond aan het licht brengen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant